Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne

Datum 01/06/1995

DEEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1.1. RECHTSGROND EN DEFINITIES

Rechtsgrond
Art. 1.1.1.

Behoudens andersluidende bepaling, is dit uitvoeringsbesluit uitgevaardigd in uitvoering van art. 20 van het decreet betreffende de milieuvergunning.

Definities
Art. 1.1.2.

Dioxinen en furanen

De begrippen en definities vermeld in artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende het algemeen reglement voor de milieuvergunning, hierna Titel I van het VLAREM genoemd, zijn ook van toepassing op dit besluit.

Voor de toepassing van dit besluit gelden bijkomend de hierna opgenomen definities. Deze zijn thematisch gerangschikt in functie van de betrokken tekstonderdelen, maar zijn - behoudens afwijkende bepaling - eveneens van toepassing op dezelfde termen en begrippen in andere tekstonderdelen.

DEFINITIES ALGEMEEN

- "decreet betreffende de milieuvergunning": het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning.
- "verontreinigingsfactoren": vaste stoffen, vloeistoffen, gassen, micro-organismen, energievormen zoals warmte, stralingen, licht, geluid en andere trillingen;
- "immissie": de wijziging van de aanwezigheid van verontreinigingsfactoren in atmosfeer, bodem of water rond één of meer bronnen van verontreiniging ten gevolge van emissie uit deze bron of bronnen;
- "waterwingebied" en "beschermingszone type I, II en III": het als dusdanig in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer afgebakende gebied, respectievelijk zone;
- "bijlage 2B": lijst 2B van bijlage 2 bij Titel I van het VLAREM
- "bijlage 2C": lijst 2C van bijlage 2 bij Titel I van het VLAREM
- "code van goede praktijk": geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de bouw, het transport, het plaatsen, het uitbaten, het onderhouden en het eventueel ontmantelen van een inrichting of een onderdeel ervan, met inbegrip van de toepasselijke productnormen en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.
Worden in elk geval beschouwd als code van goede praktijk:
a. de toepasselijke bepalingen in de Belgische wetten, decreten en besluiten,
b. de Belgische normen,
c. de normen uitgegeven door het Comité Européen de Normalisation (C.E.N.),
d. de normen uitgegeven door de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO),
e. de normen uitgegeven door de International Organisation for Standardisation (I.S.O.),
f. de regels uitgegeven door de erkende controle-instellingen of de milieudeskundigen, erkend in de toepasselijke disciplines,
g. de regels uitgegeven door de constructeurs of verdelers van installaties of onderdelen ervan;
in geval van onderlinge tegenstrijdigheden is bovenvermelde volgorde bepalend;
- "Milieu-technische eenheid": verschillende ingedeelde inrichtingen, met inbegrip van hun exploitatieterrein en de overige onroerende goederen waarmee zij verbonden zijn, die als een geheel moeten worden beschouwd met het oog op het beoordelen van het nadeel dat zij kunnen berokkenen aan mens of milieu.
Een gegeven dat kan wijzen op de aanwezigheid van een milieutechnische eenheid is de onderlinge geografische, materiële of operationele samenhang van inrichtingen, die gepaard gaat met een relatieve afscheiding van het geheel van deze inrichtingen ten opzichte van andere inrichtingen.
Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een milieutechni-sche eenheid kunnen vormen.
- "ingedeelde inrichting": elke inrichting die meldings- of vergunningsplichtig is krachtens het decreet betreffende de milieuvergunning en die vermeld is op de in Bijlage 1 bij Titel I van het VLAREM gevoegde lijst.
- "bestaande inrichting": tenzij anders in de bepalingen (met inbegrip van de andere definities) van dit besluit vermeld, de ingedeelde inrichtingen of onderdelen van ingedeelde inrichtingen:
- waarvoor de exploitatie op 1 januari 1993 was vergund, of waarvoor vóór 1 september 1991 een vergunnings-aanvraag is ingedien;
- of, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld, vóór 1 september 1991 niet vergunningsplichtig waren, en waarvoor voor 1 maart 1993 een vergunningsaanvraag is ingediend;
- of, wanneer het in de derde klasse ingedeelde inrichtingen betreft, die op 1 januari 1993 in bedrijf zijn gesteld en waarvoor de melding gebeurde voor 1 maart 1993;
- of, die op 1 januari 1993 niet ingedeeld waren, en het tengevolge een wijziging van of aanvulling op de inde-lingslijst nadien wel werden of worden, en die op dat ogenblik reeds in uitbating of gebruik waren of zijn.
- "nieuwe inrichting":
§ 1 ingedeelde inrichtingen die niet beantwoorden aan de criteria terzake "bestaande inrichtingen",
§ 2 worden eveneens als nieuwe inrichtingen beschouwd, en dit voor wat de subrubriek 3.4. en 3.6.3. van de indelingslijst betreft, de hierna aangegeven ingedeelde inrichtingen die niet in werking waren op de erbij vermelde data, of waarvan de verwerkingscapaciteit sinds die data voor de desbetreffende stoffen met meer dan 100 % is vergroot:
- op 27 maart 1982, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 82/176/EEG;
- op 24 oktober 1983, voor lozingen van cadmium, zoals bedoeld in Richtlijn 83/513/EEG;
- op 17 maart 1984, voor lozingen van kwik, zoals bedoeld in Richtlijn 84/156/EEG;
- op 17 oktober 1984, voor lozingen van hexachloorcyclohexaan (HCH), zoals bedoeld in Richtlijn 84/491/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van tetrachloorkoolstof, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van DDT, zoals bedoeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 4 juli 1987, voor lozingen van 2,3,4,5,6-pentachloorfenol-l-hydroxy-benzeen en haar zouten (PCP), zoals be-doeld in Richtlijn 86/280/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbenzeen (HCB), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van hexachloorbutadieen (HCBD), zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- op 25 juni 1989, voor lozingen van chloroform, zoals bedoeld in Richtlijn 88/347/EEG;
- "de afdeling, bevoegd voor geluidshinder" : de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;
- "de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid" : de afdeling Internationaal Milieubeleid van het Departement, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;

DEFINITIES BEDRIJFSINTERNE MILIEUZORG
(Artikelen 4.1.9.1. tot en met 4.1.9.3.1 van hoofdstuk 4.1.)

- "milieubeleid": de algemene doeleinden en beginselen voor het handelen van het bedrijf op milieugebied, met inbegrip van de naleving van alle relevante wettelijke milieuvoorschriften;
- "milieuanalyse": een voorafgaand alomvattend onderzoek naar de milieuproblemen en -effecten en naar de met mi-lieubewust handelen behaalde resultaten, die verband houden met de op een locatie plaatsvindende activiteiten;
- "milieuprogramma": een beschrijving van de specifieke doelstellingen en activiteiten van een bedrijf met het oog op de verbetering van de milieubescherming op een bepaalde locatie, met inbegrip van een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen of die worden overwogen om die doelstellingen te verwezenlijken en in voorkomend geval de voor de uitvoering van die maatregelen vastgestelde streefdata te bereiken;
- "milieudoelstellingen": de door een bedrijf voor zichzelf vastgestelde gedetailleerde doelstellingen ten aanzien van de met milieubewust handelen te behalen resultaten;
- "milieubeheersysteem": dat gedeelte van het algemene beheersysteem dat de organisatiestructuur, de verant-woordelijkheden, praktijken, procedures, processen en hulpbronnen omvat die voor het vaststellen en uitvoering van het milieubeleid nodig zijn;
- "milieuaudit": een beheersinstrument dat een systematische, gedocumenteerde, periodieke en objectieve evaluatie omvat van de wijze van functioneren van de organisatie, van het beheersysteem en van de werkwijzen die voor de milieubescherming bedoeld zijn, ten einde:
i) de beheerscontrole op de activiteiten die van invloed kunnen zijn op het milieu te vergemakkelijken;
ii) erop toe te zien dat het milieubeleid van het bedrijf wordt nageleefd;
- "auditcyclus": de termijn waarbinnen alle activiteiten op een bepaalde locatie, overeenkomstig de voorschriften van afdeling 4.1.9. aan een audit worden onderworpen wat alle relevante milieuaspecten betreft;
- "milieuverklaring": de verklaring die door het bedrijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4.1.9. wordt opgesteld;
- "industriële activiteit": elke activiteit die in de secties C en D van de Statistische Nomenclatuur van de economische activiteiten in de Europese Gemeenschappen (NACE, REV 1) als vastgesteld bij de EU-verordening 3037/90, is vermeld, alsmede de elektriciteits-, gas-, stoom- en warmwaterproductie, en de recycling, behandeling, vernietiging of verwijdering van afval in vaste of vloeibare vorm;
- "bedrijf": elke organisatie die een algemene beheerscontrole over de activiteiten op een bepaalde locatie uitoefent;
- "locatie": elk terrein waarop industriële activiteiten onder controle van een bedrijf op een gegeven plaats worden uitge-voerd met inbegrip van de daarmee gepaard gaande of daarbij behorende opslag van grondstoffen, van bij-, tussen- en eindproducten en van afval en met inbegrip van de al dan niet vaste infrastructuur en uitrusting die met deze activiteiten gemoeid zijn;
- "auditor": een persoon of een team van personen, al dan niet behorend tot het bedrijfspersoneel, handelend in opdracht van het hoogste niveau van de bedrijfsleiding, die individueel respectievelijk dat gezamenlijk beschikt over de in afdeling 4.1.9. genoemde capaciteiten en een voldoende mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de te onderzoeken activiteiten bezit om een objectief oordeel te kunnen vellen;
- "erkend milieuverificateur": elke persoon of organisatie die niet betrokken is bij het te controleren bedrijf en die een erkenning heeft verkregen overeenkomstig de in afdeling 4.1.9. bedoelde voorwaarden en procedures;
- "erkenningssysteem": een systeem voor erkenning van en toezicht op milieuverificateurs, dat wordt toegepast door de daartoe in de afdeling 4.1.9. aangewezen onpartijdige instelling die over voldoende middelen, technische kennis en de nodige procedures beschikt om de in afdeling 4.1.9. voor dit systeem vastgestelde taken te verrichten;
- "bevoegde instantie": het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie.

DEFINITIES RISICOBEHEERSING (afdeling 4.1.12)

- « voorval » : gebeurtenis zoals brand, explosie of accidentele emissie, die wordt veroorzaakt door ongecontroleerde ontwikkelingen tijdens de exploitatie van een inrichting, die hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd gevolgen kan hebben voor de mens of voor het leefmilieu;
- « gevolg » : verontreiniging of aantasting van de gezondheid van de mens.

DEFINITIES AFVALSTOFFENVERWERKING (Hoofdstuk 5.2.)

ALGEMEEN

- "werkplan": het geheel van plannen, maatregelen en richtlijnen noodzakelijk voor de organisatie van de uitbating;
- "register": boek met genummerde bladzijden of de dagelijkse uitprint van een genformatiseerd systeem met de gegevens die de exploitant moet noteren overeenkomstig de bepalingen van dit reglement;
- "zwerfvuil": vaste afvalstoffen die ingevolge het verwaaien of een andere ongewilde verspreiding worden aangetroffen op een niet daarvoor bestemde, willekeurige plaats;
- "inerte afvalstoffen": afvalstoffen die geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaan. Inerte afvalstoffen lossen niet op, verbranden niet en vertonen ook geen andere fysische of chemische reacties, worden niet biologisch afgebroken en hebben geen zodanige negatieve effecten op andere stoffen waarmee zij in contact komen dat milieuverontreiniging of schade aan de volksgezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan verontreinigende componenten van de afvalstoffen, en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en met name de kwaliteit van het oppervlaktewater en/of grondwater niet in gevaar brengen;
- "stortplaatsgas": alle gassen die door de gestorte afvalstoffen worden gevormd;
"eluaat": de oplossing die wordt verkregen door een doorsijpelingstest in het laboratorium.

VERBRANDINGSINRICHTINGEN VOOR AFVALSTOFFEN

- "verbrandingsinrichting": elke technische inrichting die voor de verbranding van afvalstoffen door oxidatie wordt gebruikt, met inbegrip van voorbehandeling, pyrolyse of andere thermische behandelingsprocessen, (bijvoorbeeld het plasmaproces), voor zover de produkten daarvan vervolgens worden verbrand, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte.
Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met de verbrandingsoven, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de voorzieningen voor rookgas- en afvalwaterbehandeling alsook de apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor het continu registreren en bewaken van de verbrandingsom-standigheden;
- "as": de as van de verbranding van afvalstoffen, o.m. opgevangen als bodemas, roosteras, met uitzondering van vliegas;
- "vliegas": de fijne as van de verbranding van de afvalstoffen die wordt opgevangen bij de ontstoffing of een andere be-handeling van de rookgassen.

VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES VOOR AFVALSTOFFEN

- verbrandingsinstallatie: een vaste of mobiele technische eenheid of inrichting die specifiek bestemd is voor de thermische behandeling van afval, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte. Dit bevat onder meer de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, voorzover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand.
- meeverbrandingsinstallatie: een vaste of mobiele installatie die in hoofdzaak bestemd is voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten waarin afval als normale of aanvullende brandstof wordt gebruikt, of waarin afval thermisch wordt behandeld voor verwijdering door de verbranding door oxidatie van afval alsmede andere thermische behandelingsprocessen zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces voor zover de producten van de behandeling vervolgens worden verbrand .
- experimentele verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie: een installatie die voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving ter verbetering van het verbrandings- of meeverbrandingsproces van afvalstoffen wordt gebruikt. Het kan zowel een installatie betreffen die uitsluitend geëxploiteerd wordt voor experimenten, als een bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die gebruikt wordt voor één of meer experimenten;
- bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie: een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die vóór 28 december 2002 over een milieuvergunning beschikt en vóór 28 december 2002 in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen;
- nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie: een verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een milieuvergunning beschikt voor de verbranding of meeverbranding van afvalstoffen;
- nominale capaciteit: de gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit de installatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de exploitant, met inachtneming van in het bijzonder de calorische waarde van de afvalstoffen, uitgedrukt als de hoeveelheid afvalstoffen die per uur kan worden verbrand of meeverbrand;
- totale capaciteit: de nominale capaciteit per jaar berekend, rekening houdend met de calorische waarde van de afvalstoffen en de gemiddelde beschikbaarheid van de installatie. Deze totale capaciteit wordt bij voorkeur afgeleid uit het stookdiagram;
- residu: een vloeibaar of vast materiaal (met inbegrip van bodemas, slakken, vliegas en ketelas, vaste reactieproducten die ontstaan bij de gasreiniging, zuiveringsslib van de zuivering van afvalwater, afgewerkte katalysatoren en afgewerkte actieve kool) dat valt onder de omschrijving van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en dat wordt geproduceerd bij het verbrandings- of meeverbrandingsproces, de zuivering van rookgassen of afvalwater of andere processen in de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie.

VERBRANDINGS- EN MEEVERBRANDINGSINSTALLATIES VOOR BIOMASSA-AFVAL

- bestaande verbrandings-of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval: een verbrandings- of meeverbrandings-installatie die vóór 28 december 2002 over een milieuvergunning beschikt en in werking werd gesteld voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval;
- nieuwe verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie voor biomassa-afval: een verbrandings- of meever-brandingsinstallatie die op of na 28 december 2002 in werking wordt gesteld en over een milieuvergunning beschikt voor de verbranding of meeverbranding van biomassa-afval;
- nominaal thermisch vermogen: de warmte-inhoud van de nominale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie, uitgedrukt in MW, en die is vermeld in de milieuvergunning voor de installatie in kwestie;
- « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten alsook biomassa-afval; 
- « biomassa-afval » : de volgende afvalstoffen :
a) plantaardig afval van land- en bosbouw;
b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
c) vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
d) kurkafval;
e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;
f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten. Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval;
- « directe spaandroger » : droger waarin rechtstreeks warme gassen (meestal afkomstig van een verbrandingsinstallatie) worden doorgevoerd met de bedoeling spanen te drogen;
- « Indirecte spaandroger » : droger waarin de spanen gedroogd worden met warmte via een warmtewisselaar;
- « Hybride droger » : indirecte droger, waarbij een beperkt deel warme gassen van de verbrandingsinstallatie rechtstreeks over de spanen gevoerd wordt teneinde de waterdamp af te voeren;
- « Type-droger » : ofwel direct, ofwel indirect ofwel hybride droger;
- « Bestaande droger » : de som van alle type-drogers van de inrichting die vóór 28 december 2002 zijn vergund en waarbij de som van de individuele capaciteiten bepalend is voor de capaciteitscategorie;
- « Nieuwe droger » : de individuele drooginstallatie die op of na 28 december 2002 is vergund en waarbij de individuele capaciteit bepalend is voor de capaciteitscategorie;

DIERLIJK AFVAL

- "natuurlijk vet": het vet dat van nature in de meeste grondstoffen aanwezig is; een kleine hoeveelheid gerecycleerde verwerkte talk kan worden toegevoegd om het droogproces te bevorderen, maar de tijd die ten minste vereist is om de deeltjes een volledige behandeling te laten ondergaan, moet steeds in acht worden genomen.
- "toegevoegd vet": aanzienlijke hoeveelheden talk die aan de grondstof worden toegevoegd voordat met het steriliseren wordt begonnen; verhoudingen kalk/grondstof van 0.5:1 tot en met 5:1 zijn gebruikelijk; wijzigingen in het aandeel gerecycleerd vet kunnen invloed hebben op de behandelingsduur van de grondstof en op de in aanmerking te nemen pa-rameters;
- "ontvet": de grondstof wordt geschikt gemaakt om te worden ontvet door coagulatie onder invloed van warmte, gevolgd door mechanische persing. Het eiwitresidu met een laag vetgehalte wordt vervolgens gedroogd en gesterili-seerd.
- "scheiding": de eerste scheiding of voorscheiding van vet uit gedroogd en gesteriliseerd materiaal; deze scheiding kan plaatsvinden door indrogen of centrifugeren.
- "meelproduktie": hierbij wordt meestal het gescheiden materiaal geperst tot een perskoek, tenzij dit reeds vooraf is gebeurd; vervolgens wordt de perskoek/het meel gemalen en wordt voor distributie geschikt meel verkregen.

STORTPLAATSEN

- "stortplaats": een afvalverwijderingsterrein voor het storten van afvalstoffen op of in de bodem, met inbegrip van:
- interne afvalstortplaatsen (d.w.z. waar een afvalproduct zijn eigen afval op de plaats van de productie verwijdert, en
- een terrein dat permanent (d.w.z. meer dan een jaar lang) wordt gebruikt voor de tijdelijke opslag, maar met uitsluiting van:
- voorzieningen waar afvalstoffen worden uitgeladen ter voorbereiding van verder transport voor terugwinning, behandeling of verwijdering elders, en
- van opslag van afval voorafgaand aan terugwinning of behandeling voor een periode van in de regel minder dan drie jaar, of
- van opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering, voor een periode van minder dan een jaar.
- "monostortplaats": elke stortplaats waar een bepaalde afvalstof die in grote hoeveelheden ontstaat afzonderlijk wordt gestort;
- "stortvak": genummerd onderdeel van het totale beschikbare stortvolume;
- "stortzone": zone van de stortplaats waar de stort- en verdichtingsactiviteiten geschieden en waar de afvalstoffen in de loop van de werkdag niet hoeven afgedekt te worden;
- "stortfront": breedte van de stortzone waar de aflaadactiviteiten van afvalstoffen geschieden;
- "afsluitlaag": laag op bodem en wanden van de stortplaats die het doorsijpelen van percolaat naar bodem en grondwater moet verhinderen;
- "afdichtlaag": laag aangebracht op een stortvak waar de stortactiviteiten definitief beëindigd zijn en die het binnen-dringen van water in de gestorte afvalstoffen moet beletten;
- "eindafdek": laag aangebracht op een stortvak boven op de afdichtlaag bij de definitieve beindiging van de stortactivi-teiten;
- "percolaat": iedere vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit de stortplaats of zich daarin bevindt;
- "steekvast" (inzake slibvormige afvalstoffen): voldoende ontwaterd zodat de betreedbaarheid en de stabiliteit van de stortplaats nooit in het gedrang komen;
- "solidificatie": fysico-chemische behandeling waarbij de in de afvalstof aanwezige gevaarlijke stoffen worden ge-mmobiliseerd via chemische of fysico-chemische omlegging;
- "openbare stortplaats": iedere stortplaats die krachtens het Afvalstoffenplan een openbare functie heeft;
- "stortdijken": dijken die de stortplaats begrenzen;
"dijkbelopen": schuine gedeelten (taluds) van de dijken;
binnenbeloop: talud aan de zijde waar gestort wordt;
buitenbeloop: talud aan de zijde van de omliggende percelen;
"dijkkruin": bovenste horizontale gedeelte van de dijk tussen binnen- en buitenbeloop;
- "exploitatiefase": periode gedurende de welke de stortplaats wordt uitgebaat met inbegrip van de definitieve afwerking van de stortplaats;
- "nazorgfase": periode volgend op de exploitatiefase.

DECONTAMINATIE VAN INFECTUEUS AFVAL(subafdeling 5.2.2.13)

1° "decontaminatie" : het proces waarbij de belading met micro-organismen op infectieuze afvalstoffen wordt teruggebracht tot een niveau waar de kans op besmetting voldoende klein wordt geacht. In het kader van decontaminatie van infectieuze afvalstoffen gaat het om de behandeling van dat afval met verzadigde vochtige hitte;
2° "vochtige hitte" : opwarming van afval met behulp van verzadigde stoom, een agens dat zijn warmte op een efficiëntere wijze afgeeft aan de afvalstoffen dan droge lucht;
3° "shredder" : toestel dat afvalstoffen verkleint tot ze een gewenste grootte hebben bereikt;
4° "verkleining" : proces waarbij afvalstoffen mechanisch worden verkleind;
5° "decontaminatieproces" : geheel van alle stappen die nodig zijn om afvalstoffen te decontamineren, vanaf de belading van het toestel tot en met de ontlading van het toestel, met inbegrip van de mechanische verkleining van de afvalstoffen;
6° "decontaminatiefase" : de fase van het decontaminatieproces waarin met behulp van verzadigde stoom de procestemperatuur minstens gelijk aan de doeltemperatuur wordt gehouden;
7° "decontaminatieprogramma" : set van procesparameters en vooropgestelde tijdsduur die de afvalstoffen moeten doorbrengen in de decontaminatiefase;
8° "decontaminatiecyclus" : één enkele uitvoering van het decontaminatieproces;
9° "decontaminatie-installatie" : het volledige toestel dat instaat voor het decontaminatieproces, inclusief toebehoren dat noodzakelijk is om risico's voor mens en milieu toe te beperken, zoals shredders, filters, en dergelijke.

DEFINITIES ASBESTBEHEERSING

(Hoofdstukken 2.6, 4.7 en 6.4)

- "asbest": de vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet (bruin asbest), anthofylliet, chrysotiel (wit asbest), crocidoliet (blauw asbest) en tremoliet;
- "ruw asbest": het produkt verkregen bij een eerste verbrijzeling van asbesthoudend gesteente;
- « Hechtgebonden asbest » : asbestcement, asbesthoudende vloertegels en vloerbekledingen, asbesthoudende bitumen en roofingproducten en asbesthoudende pakkingen en dichtingen waarvan het bindmiddel bestaat uit cement, bitumen, kunststof of lijm;
- « Niet hechtgebonden asbest » : alle andere asbesthoudende materialen;
- "gebruik van asbest": werkzaamheden waarbij per jaar een hoeveelheid van meer dan 100 kg ruwe asbest wordt behandeld en die betrekking hebben op:
a) de produktie van ruw asbest uit asbest-houdend gesteente met uitzondering van alle procédé's die rechtstreeks verbonden zijn met het winnen van het gesteente; en/of
b) de vervaardiging en industriële afwerking van produkten die ruwe asbest bevatten, zoals asbestfrictiemateriaal, asbestfilters, asbestweefsels, asbestpapier en -karton, koppelings-, dichtings-, verpakkings- en verstevigingsmateriaal van asbest, vloerbedekkingen van asbest en asbesthoudende vulmiddelen;
- "werken met asbesthoudende produkten": andere werkzaamheden dan gebruik van asbest, ten gevolge waarvan asbest in het milieu terecht kan komen.

DEFINITIES BEDEKKINGSMIDDELEN

(Hoofdstuk 5.4.)

- "verf of lak": bereidingen met inbegrip van alle componenten nodig voor het aanbrengen ervan, die in een continue laag op een voorwerp worden aangebracht om daaraan een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te verlenen;
- "organische oplosmiddelen": iedere organische stof die bij een temperatuur van 293,15 °K een dampdruk heeft van 0,133 kPa of hoger, of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een overeenkomstige vluchtigheid heeft, en die:
- ofwel afzonderlijk of in combinatie met andere agentia gebruikt wordt om grondstoffen, produkten, of afvalstoffen op te lossen;
- ofwel als een reinigingsprodukt gebruikt wordt om verontreinigende stoffen op te lossen of als een oplossend pro-dukt of als een dispersiemedium of als een viscositeitsregelend produkt, of als een weekmaker of als een bewaarmiddel;
- "voorbehandeling": het verwijderen van vuil, olie en vet, hamerslag, gloei-, wals- of lashuid, roest of andere corrosie-produkten, oude laklagen, enz. van voorwerpen die moeten worden geverfd, gelakt of vernist;
- "mechanische voorbehandeling": voorbehandeling op mechanische wijze zoals bikken, borstelen, schuren en (pneumatisch, werp- of nat)stralen;
- "thermische voorbehandeling": voorbehandeling door het afbranden of het vlamstralen;
- "chemische voorbehandeling":
a) het chemisch reinigen met:
- een alkalisch ontvettingsmiddel in ontvettingsbaden, in sproeitunnels of met een stoomstraal;
- organische oplosmiddelen in dompelbakken, sproeitunnels, met de hand of in dampontvettingstoestellen;
- emulsies of met produkten die tijdens het reinigen emulsies vormen;
b) het beitsen om oxyden of een walshuid te verwijderen;
c) het aanbrengen van anorganische conversielagen gevormd door inwerking van chemische stoffen waarbij het metaal zelf aan de deklaag meewerkt;
- "pneumatisch spuiten": het verstuiven van verf door een snelle luchtstroom;
- "warm spuiten": het spuiten van verf waarvan de viscositeit van de verf is verlaagd door het verhogen van de tempera-tuur van de verf;
- "airless spuiten": het verstuiven van de verf zonder luchtstroom door deze onder zeer hoge druk van circa 4.000 tot circa 20.000 kPa door een nauwe hardmetalen sproeier te spuiten;
- "elektrostatisch spuiten": het verstuiven van verf door middel van een elektrische hoogspanning van circa 90 tot circa 175 kV;
- "elektroforetisch lakken": het aanbrengen van lak door middel van een dompeltank waarin zich de met water verdunbare lak bevindt en waarbij tussen het voorwerp en de wand van de tank een elektrische gelijkspanning wordt aangelegd.
- "emailleren": het op voorwerpen tot smelten brengen van een glasachtige massa die vervolgens in een emailleeroven op hoge temperatuur (circa 800 tot circa 900° C) wordt gebrand met email als resultaat;
- "moffelen": het versneld laten drogen en doorharden van laklagen op voorwerpen door toepassing van objecttempera-turen boven 100 °C.

DEFINITIES PESTICIDEN (hoofdstuk 5.5.)

1° « pesticide » :
a) een gewasbeschermingsmiddel : een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad;
b) een biocide : een biocide als vermeld in artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
2° « restvloeistoffen » :
met gewasbeschermingsmiddelen gecontamineerde vloeistoffen, namelijk :
a) de sterk verdunde tankmengsels die overblijven, na doeltreffende reiniging op het veld, van de apparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
b) vloeistoffen van het morsen tijdens het vullen van de apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen;
c) vloeistoffen, afkomstig van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, horende bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen;
d) vloeistoffen afkomstig van de reiniging van een inrichting voor het schoonmaken van apparatuur, met uitzondering van hand- en rugspuitapparatuur, voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, die horen bij een inrichting voor de opslag en het behandelen van restvloeistoffen.

DEFINITIES DIEREN/OPSLAG MEST (Hoofdstukken 5.9. en 5.28.)

- "vee": alle voor gebruiks- of winstdoeleinden gehoude n dieren;
- "gevogelte": gevogelte zoals leg- en mestkippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, fazanten, kwartels, met uitzondering van geringde duiven voor wedstrijddoeleinden, ouder dan één week;
- "varkens": zeugen, beren en/of gebruiksvarkens ouder dan 10 weken;
- "zeug": een vrouwelijk varken dat na de eerste worp in produktie wordt gehouden;
- "inheemse grote zoogdieren": dieren zoals paarden, koeien, runderen, die gespeend zijn;
- "kleine herkauwers": dieren zoals geiten, schapen, damherten, edelherten, reeën, die gespeend zijn;
- "inheemse kleine zoogdieren": dieren zoals konijnen, knaagdieren, katten, die gespeend zijn;
- "pelsdieren": dieren zoals vossen, marterachtigen, beverachtigen, chincilla's, die gespeend zijn;
- "honden": inheemse en uitheemse honden vanaf een leeftijd van 6 maanden;
- "meststof": elke één of meer stikstof- of fosforverbindingen bevattende stof die op het land wordt gebruikt ter bevordering van de gewasgroei, met inbegrip van dierlijke mest, afval van visteeltbedrijven en zuiveringsslib;
- "dierlijke mest": excrementen van vee of een mengsel van strooisel en excrementen van vee, alsook producten daarvan, met inbegrip van champost en van afval van visteeltbedrijven;
- "mengmest": dierlijke mest in vloeibare vorm, met een gehalte aan droge stof lager dan 20 %;
- "vaste dierlijke mest": dierlijke mest andere dan mengmest;
- "opslagplaats voor vaste dierlijke mest": permanente stapelplaats voor vaste dierlijke mest;
- "opslagplaats voor mengmest": boven- of ondergronds reservoir voor de opslag van mengmest;
- "foliebassin": opslagplaats voor mengmest, uitgevoerd als een met folie beklede grondput;
- "mestzak": opslagplaats voor mengmest, geheel of gedeeltelijk gelegen boven het maaiveld, voornamelijk gebouwd uit kunststoffolies waarvan de bodemafdichting en afdichting één geheel vormen;
- "mestkelder": opslagplaats voor mengmest, geheel of gedeeltelijk gelegen onder het maaiveld en voorzien van een afdekking die als vloer moet kunnen fungeren;
- "mestsilo": opslagplaats voor mengmest, niet zijnde foliebassin, mestzak of mestkelder;
- "mestdicht": met een zodanig kleine doorlatendheid ten opzichte van dierlijke mest dat verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater is uitgesloten;
- "kwetsbare zones": geografisch afgebakende zones die vanuit milieu-oogpunt als uiterst bijzonder kwetsbaar, zeer bijzonder kwetsbaar of bijzonder kwetsbaar dienen beschouwd ten aanzien van verontreiniging uit organische bronnen.
- ammoniakemissiearme stal: een stal wordt als ammoniakemissiearm beschouwd indien hij is gebouwd volgens één van de technieken zoals beschreven in de lijst vast te stellen bij besluit van de Vlaamse minister bevoegd voor Leefmilieu;
- stalmest: mengsel van stro en uitwerpselen van runderen, paarden, schapen of varkens, met een drogestofgehalte van het mengsel van minimum 20 procent, en waarbij het mengsel als vaste mest is ontstaan door het huisvesten van deze dieren in ingestrooide stallen of door het bewerken van dierlijke mest met stro. Mengsels met uitwerpselen van pluimvee worden niet beschouwd als stalmest, ongeacht het drogestofgehalte of de ontstaanswijze;
- « pluimvee » : kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten en patrijzen, die in gevangenschap worden opgefokt of gehouden voor de fokkerij, voor de productie van vlees of van consumptie-eieren of om in het wild te worden uitgezet;


DEFINITIES EMISSIEJAARVERSLAG (Hoofdstuk 4.1.)

- "geleide emissie": een emissie afkomstig van een bron (uitlaat, schoorsteen) waarvoor bepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, afmetingen) én een in principe meetbare volumestroom (debiet);
- "niet-geleide emissie": elke emissie, andere dan de geleide emissie;
- "totale emissie": de som van de geleide en de niet-geleide emissies.

DEFINITIES GASSEN (Hoofdstuk 5.16)

- "open opslagplaats": een opslagplaats in open lucht of in een ruimte die maximum voor 3/4de van de omtrek van de opslagplaats gesloten is;
- "gesloten opslagplaats": een opslagplaats in een gesloten lokaal of in een ruimte die voor meer dan 3/4de van de omtrek van de opslagplaats gesloten is;
- "opslagcapaciteit": het totaal waterinhoudsvermogen van de recipinten, zowel de volle als de ledige, die maximaal opgeslagen worden zoals opgegeven in de milieuvergunning of in de melding;
- "stockeringszone": in de inrichting voorziene zone voor het stockeren van verplaatsbare recipiënten;
- "veiligheidsscherm (opslag van gassen in verplaatsbare recipiënten)": scherm dat tot doel heeft de opslagplaats voor een brand van buitenaf te beschermen; het gaat ofwel om een tussenmuur ofwel om één of meerdere muren van de opslagplaats of de stockeringszone;
- "inhoudsvermogen van de houders": hun waterinhoudsvermogen;
- "veiligheidsscherm (opslag van gassen in vaste houders)":
a) voor opslagplaatsen met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen van meer dan 3.000 l: wand of muur ofwel van metselwerk met een dikte van tenminste 18 cm, ofwel van beton met een dikte van tenminste 10 cm, ofwel van enig ander materiaal met een dikte die een equivalente vuurweerstandscoëfficiënt heeft; dit scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de gashouder met minimaal 0,5 m overschrijden;
b) voor opslagplaatsen met een gezamenlijk waterinhoudsvermogen tot en met 3.000 l: dicht en onbrandbaar scherm; dit scherm heeft een hoogte van minimaal 2 m en moet de maximale hoogte van de gashouder met minimaal 0,5 m overschrijden;
- « LPG-station » :
publiek toegankelijke verdeelinstallatie voor de bevoorrading van motorvoertuigen met vloeibaar gemaakte petroleumgassen (LPG);
- « kwetsbare locatie » :
een locatie waar veel personen verblijven of kunnen verblijven, inzonderheid scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen en gelijkaardige risicogroepen;
- « potentiële woning » :
een woning die volgens de regelgeving inzake ruimtelijke ordening op een onbebouwd bouwperceel kan worden gebouwd.
- Aardgastankstations
a) » aardgastankstations » :
inrichtingen voor de bevoorrading van motorvoertuigen met samengeperst aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas met een maximale capaciteit van 20 m3/u of meer;
b) » aardgasopslag » :
de vaste drukhouders die dienst doen als buffer voor de opslag van aardgas of tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas, alsook de vaste drukhouders die dienst doen als aflaatreservoirs voor het aardgasof tot aardgaskwaliteit opgewaardeerd biogas;

OZONAFBREKENDE STOFFEN EN GEFLUOREERDE BROEIKASGASSEN

- "ozonafbrekende stoffen": de stoffen opgesomd in de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of gegenereerde stoffen betreft;
- "chloorfluorkoolstoffen (CFK's)": de stoffen die zijn opgenomen in groep I van de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan;
- "halonen": de stoffen die zijn opgenomen in groep III van de tabel in bijlage I van verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en haar latere wijzigingen, met inbegrip van de isomeren ervan;
- « gefluoreerde broeikasgassen » : fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride, vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan, afzonderlijk of in een mengsel;
- « fluorkoolwaterstoffen (HFK's) » : de fluorkoolwaterstoffen (HFK's), vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan;
-« perfluorkoolstoffen (PFK's) » : de perfluorkoolstoffen (PFK's), vermeld in bijlage I van Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen en de latere wijzigingen ervan.

KOELINSTALLATIES

- "koelinstallaties": het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem; het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;
- "koelmiddel": fluïdum dat in een koelinstallatie wordt gebruikt voor warmtetransport, dat warmte absorbeert bij een lage temperatuur en druk en die warmte afstaat bij een hogere temperatuur en druk waarbij de aggregatietoestand van het fluïdum doorgaans verandert;
- "koelsysteem": geheel van delen die koelmiddel bevatten en die met elkaar verbonden zijn in een gesloten systeem waarin het koelmiddel circuleert met als oogmerk het onttrekken of verwijderen van warmte;
- "nominale koelmiddelinhoud": de hoeveelheid koelmiddel waarmee een koelsysteem is gevuld om te functioneren onder de voorwaarden waarvoor het is ontworpen; dat is normaliter de hoeveelheid die is ingebracht bij de eerste indienststelling;
- "relatief lekverlies": de fractie van de nominale koelmiddelinhoud die ten gevolge van emissies over een periode herleid tot één jaar werd verloren, in verhouding tot de nominale koelmiddelinhoud. De berekening van het relatief lekverlies gebeurt aan de hand van de hoeveelheden koelmiddel die aan een systeem worden toegevoegd of afgetapt en die in het logboek worden genoteerd. Hierbij kunnen de hoeveelheden die in de twee voorgaande jaren zijn bijgevoegd of afgetapt in rekening worden gebracht, als die bekend zijn;
- « bevoegde koeltechnicus » : een technicus die is aangewezen om werkzaamheden aan koelinstallaties op een verantwoorde manier uit te voeren, ofwel rechtstreeks door de exploitant, ofwel door het koeltechnische bedrijf dat werkzaamheden aan de koelinstallatie uitvoert. Indien de technicus aan koelinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, werkzaamheden verricht als vermeld in artikel 1, 5°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, moet de technicus gecertificeerd zijn volgens de bepalingen van dit besluit. Voor de werkzaamheden aan koelinstallaties die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, vermeld in artikel 1, 5°, a) en b), van het voormelde besluit geldt als aanvullende voorwaarde dat de technicus werkt in een koeltechnisch bedrijf dat is gecertificeerd overeenkomstig de bepalingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici;
- « airconditioningsysteem » : een combinatie van de bestanddelen die nodig zijn voor een vorm van inpandige luchtbehandeling waardoor de temperatuur wordt geregeld of kan worden verlaagd. Een reversibele warmtepomp wordt beschouwd als een airconditioningsysteem;
- « nominaal koelvermogen » : het koelvermogen, aangegeven door de fabrikant en berekend volgens de standaardvoorwaarden, zoals bepaald in EN 14511-2. Als het airconditioningsysteem bestaat uit een aantal individuele installaties die door middel van een centrale sturing of een buizensysteem met elkaar verbonden zijn, moeten de vermogens van de verschillende individuele installaties opgeteld worden;
- « gebouw » : een overdekte constructie met muren waarvoor energie gebruikt wordt om het binnenklimaat te regelen.

DEFINITIES GELUID (Hoofdstukken 2.2., 4.5., 5.32 en 6.7)

Algemeen

- "A-weging": weging volgens de A-curve, gedefinieerd in de Belgische norm NBN C 97-122 "geluidspeilmeters";
- "A-gewogen geluidsdrukniveau LpA": het A-gewogen momentane niveau van de geluidsdruk;
- "A-gewogen equivalent continu geluidsdrukniveau LAeq.T": het constante A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende het tijdsinterval T dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijk gemeten A-gewogen geluidsdrukniveau gedurende hetzelfde tijdsinterval T;
- "A-gewogen procentueel niveau LANT": het A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende N % van het tijdsinterval T wordt overschreden;
- "stabiel geluid": geluid waarvan de niveauschommelingen, gemeten als LAeq,1s niet meer bedragen dan 5 dB(A);
- "intermitterend geluid": geluid waarvan het niveau meerdere keren terugvalt tot dat van het residuele geluid en waarbij het geluidsniveau tijdens de verhoging aanhoudt gedurende een periode in de orde van grootte van 2 seconden; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de duur van de desbe-treffende beoordelingsperiode(n);
- "fluctuerend geluid": geluid waarvan het niveau voortdurend en in belangrijke mate varieert; de variaties kunnen zowel periodisch als niet-periodisch zijn; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);
- "impulsachtig geluid": geluid veroorzaakt door zeer kortstondige gebeurtenissen, korter dan 2 seconden, en waarvan het niveau meerdere keren abrupt terugvalt tot dat van het residuele geluid of het oorspronkelijke omgevingsgeluid; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);
- "incidenteel geluid": geluid waarvan het niveau weinig frequent verhoogt ingevolge gebeurtenissen die langer dan 2 seconden duren; de niveauverhogingen worden gemeten als LAeq,1s en duren in het totaal niet langer dan 10 % van de duur van de desbetreffende beoordelingsperiode(n);
- "tonaal geluid": geluid waarvan het tonale karakter in het frequentiegebied van 50 Hz tot 10.000 Hz wordt aangetoond door:
- ofwel een lineaire tertsbandanalyse (waarde van minstens één tertsband ten minste 5 dB hoger dan waarde van beide aanliggende tertsbanden);
- ofwel hoorbaarheid en een smalbandanalyse;
- "omgevingsgeluid": het geluid op een gegeven plaats en op een gegeven ogenblik; die geldt zowel in open lucht als in een gesloten ruimte;
- "relevante waarde": de getalwaarde van de akoestische grootheid die het geluid van een inrichting, of een deel ervan karakteriseert;
- "specifiek geluid": de relevante waarde die eventueel aangepast wordt met een beoordelingsgetal; tot het specifieke geluid van een inrichting wordt eveneens geluid (lawaai) gerekend, voortgebracht door transport, laad- en losverrichtin-gen, verkeer, het opwarmen en laten draaien van motoren op het terrein van de inrichting, evenals door het in- en uit-gaande verkeer;
- "residueel geluid": geluid dat bestaat na stopzetting of opheffing van één of meer welbepaalde geluidsbronnen van een inrichting die op significante wijze bijdragen tot het omgevingsgeluid;
- "oorspronkelijk omgevingsgeluid": omgevingsgeluid dat aanwezig is vóór het exploiteren of veranderen van een inrichting;
- "beoordelingsperiode":
overdag: de periode van 7 tot 19 uur;
's avonds: de periode van 19 tot 22 uur;
's nachts: de periode van 22 tot 7 uur;
- "meetduur": de totale duur van een periode waarin het geluid effectief wordt gemeten;
- "meetperiode": niet noodzakelijk aaneengesloten periode die meerdere meetduren kan omvatten;
- "volledig akoestisch onderzoek": onderzoek dat een evaluatie volgens dit besluit beoogt van een akoestische situatie op basis van immissieniveaus eventueel aangevuld met saneringsvoorstellen;
- "beperkt akoestisch onderzoek": onderzoek dat enkel de technische controle omvat, vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en wordt uitgevoerd door of onder de verantwoordelijkheid van de toezichthouders.
"Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (afdeling 2.2.4)"
- "omgevingslawaai": ongewenst of schadelijk geluid buitenshuis dat door menselijke activiteiten wordt veroorzaakt, inclusief geluid dat wordt voortgebracht door wegverkeer, spoorwegverkeer, luchtverkeer, door het gebruik van vervoermiddelen of door GPBV-installaties zoals omschreven in artikel 1,16° van titel I van het VLAREM; Omgevingslawaai omvat niet het ongewenst of schadelijk geluid veroorzaakt door de eraan blootgestelde persoon zelf, door huishoudelijke activiteiten, door buren, op de arbeidsplaats, binnen vervoermiddelen of door militaire activiteiten op militaire terreinen;
- "schadelijke effecten": negatieve effecten op de gezondheid van de mens;
- "geluidshinder": mate van voor de bevolking door omgevingslawaai veroorzaakte hinder als bepaald met veldonderzoek;
- "geluidsbelastingindicator": natuurkundige grootheid voor de beschrijving van het omgevingslawaai die een verband heeft met een schadelijk effect;
- "bepaling": methode voor de berekening, voorspelling, raming of meting van de waarde van een geluidsbelastingindicator of van de schadelijke effecten die ermee verband houden;
- "Lden (dag-avond-nacht-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor de hinder tijdens de etmaalperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1. van dit besluit;
- "Lday (dag-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor de hinder tijdens de dagperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1.van dit besluit;
- "Levening (avond-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor hinder tijdens de avondperiode, zoals nader gedefinieerd in Bijlage 2.2.4.1. van dit besluit;
- "Lnight (nacht-geluidsbelastingsindicator)": geluidsbelastingindicator voor slaapverstoringen tijdens de nachtperiode, zoals nader gedefinieerd in bijlage 2.2.4.1.van dit besluit;
- "dosis/effectrelatie": relatie tussen de waarde van een geluidsbelastingindicator en een schadelijk effect;
- "zone": een afgebakend gedeelte van het grondgebied van het Vlaamse Gewest;
- "agglomeratie": een door de Vlaamse Regering vastgestelde zone met een bevolking van meer dan 100.000 inwoners en met een zodanige bevolkingsdichtheid dat de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai gerechtvaardigd is;
- "stiltegebied in een agglomeratie": zone binnen een agglomeratie die niet of nauwelijks is blootgesteld aan omgevingslawaai en die voldoet aan specifieke criteria die de Vlaamse Regering vaststelt;
- "stiltegebied op het platteland": zone buiten een agglomeratie die niet of nauwelijks is blootgesteld aan omgevingslawaai, waar natuurlijke geluiden overheersen en die voldoet aan specifieke criteria die de Vlaamse Regering vaststelt;
- "bestuur": de de afdeling, bevoegd voor geluidshinder en de andere overheidsdiensten die de Vlaamse Regering voor voorafgaand overleg ter uitvoering van afdeling 2.2.4. aanwijst;
- "belangrijke weg": weg op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan drie miljoen voertuigen passeren;
- "belangrijke spoorweg": spoorweg op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren;
- "belangrijke luchthaven": burgerluchthaven op het grondgebied van het Vlaamse Gewest, zoals aangeduid door de Vlaamse Regering op voorstel van het bestuur, waarop jaarlijks meer dan 50.000 vliegtuigbewegingen plaatsvinden, en de vliegvelden ingedeeld in rubriek 57, klasse 1;
- "geluidsbelastingkaart": weergave van een bestaande, vroegere of voorspelde geluidssituatie. De geluidssituatie wordt weergegeven in termen van een geluidsbelastingindicator, van overschrijdingen van de toepasselijke milieukwaliteitsnormen, van het geschatte aantal blootgestelde personen of van het geschatte aantal woningen, scholen en ziekenhuizen dat in een bepaalde zone is blootgesteld aan een bepaalde waarde van een geluidsbelastingindicator;
- "strategische geluidsbelastingkaart": een geluidsbelastingkaart voor de algemene evaluatie of prognose van de geluidssituatie in een zone, veroorzaakt door de onderscheiden geluidsbronnen;
- "geluidsactieprogramma's": programma's met brongerichte en effectgerichte maatregelen voor de beheersing van het omgevingslawaai met het oog op het respecteren van de milieukwaliteitsnormen voor omgevingslawaai;
- "geluidsplanning": de planning van maatregelen, onder meer in het kader van milieubeleid, ruimtelijke ordening en mobiliteit zoals de ontwikkeling van verkeerssystemen, verkeersplanning, geluidszonering, isolatiemaatregelen en lawaaibeheersing aan de bron met het oog op het vermijden van toekomstige geluidshinder ;
- "milieukwaliteitsnormen": grenswaarden of richtwaarden, overeenkomstig artikel 2.2.4. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
- « A-gewogen maximaal geluidsdrukniveau gemeten met de trage tijdsweging LAmax,slow » : het maximaal A-gewogen niveau van de geluidsdruk, gemeten met de trage (1sec) tijdswegingkarakteristiek S;
- « geluidsbegrenzer » : een toestel dat ontworpen is om elke overschrijding van een vooraf ingesteld maximaal geluidsniveau te corrigeren, hetzij door een volledige stopzetting van de muziekproductie, hetzij door het geleidelijk aftoppen van het geluidsniveau;
-« muziek » : alle vormen van muziekemissie, elektronisch versterkt en voortkomend uit blijvende of tijdelijke geluidsbronnen;
- « muziekactiviteit » : elke activiteit, al dan niet ingedeeld, waarbij muziek wordt geproduceerd;
- « bijzondere gelegenheid » : zoals kermis, carnaval, muziekfestival, fuif, schoolfeest, jaarfeest van een vereniging, huwelijksfeest, jubileumviering en andere bijzondere feesten en festiviteiten.


DEFINITIES GENETISCH GEMODIFICEERDE EN/OF PATHOGENE ORGANISMEN

- "pathogeen micro-organisme of organisme": het geheel van menselijke, fytopathogene en zoöpathogene agentia van risiconiveau 2, 3 en 4, bedoeld in artikel 5.51.3.1, § 2, van dit besluit;
- "organismen die zich actief kunnen verspreiden": de eukaryoten die behoren tot de insecten, de ongewervelde dieren, de vissen, de vogels, de knaagdieren, de lagomorfen en de planten die kunnen bestuiven;
- "ongeval": elk incident tijdens het ingeperkt gebruik waarbij onbedoeld een significante hoeveelheid pathogene en/ of genetisch gemodificeerde micro-organismen of organismen vrijkomt waardoor de menselijke gezondheid of het milieu onmiddellijk of op termijn in gevaar kan worden gebracht.

DEFINITIES GEVAARLIJKE PRODUCTEN

(PRODUCTIE EN OPSLAG) (Hoofdstukken 4.1., 5.17. en 6.5.)

Gevaarlijke producten

- « hoofdeigenschap » :
de catalogisering volgens de EG-Richtlijn 67/548 EEG van 27 juni 1967 betreffende de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de EG-Richtlijn 1999/45/EG van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten; indien een product wordt gekenmerkt met twee of meer gevaarsymbolen, moet het meest relevante risico in aanmerking worden genomen; indien dit niet wordt gepreciseerd in de EG-richtlijn hiervoor vermeld, moet de indeling worden gevolgd van de ADR-reglementering, vastgesteld door het koninklijk besluit van 28 juni 2009 betreffende het vervoer via de weg of per spoor van gevaarlijke stoffen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 juni 2009;
- "vlampunt": temperatuur, bepaald volgens de voorschriften van de normen NBN T 52-900, NBN t 52-110 en NBN T 52.075;
- "niet-brandbare materialen": een materiaal wordt niet-brandbaar genoemd (NBN S21-201) wanneer het geen enkel uitwendig verschijnsel van merkbare warmte-ontwikkeling vertoont tijdens een genormaliseerde proef waarbij het aan een voorgeschreven verhitting blootgesteld wordt;
- "P1-producten": zeer licht en licht ontvlambare vloeistoffen, met name vloeistoffen met een vlampunt lager dan 21°C;
- "P2-producten": ontvlambare vloeistoffen, met name vloeistoffen met een vlampunt gelijk aan of hoger dan 21°C en gelijk aan of lager dan 55°C;
- "P3-producten": brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 55°C en gelijk aan of lager dan 100°C;
- "P4-producten": brandbare vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 100°C en gelijk aan of lager dan 250 °C;
- "vloeistofdicht/ondoordringbaar": met een zodanig kleine doorlatendheid ten opzichte van de te weerhouden producten dat verontreiniging van bodem, grond- en oppervlaktewater uitgesloten is;
- "inkuiping": een kuipvormige uitgevoerde vloeistofdichte constructie uit niet-brandbare materialen, die in staat is om de lekvloeistof te weerhouden; onder deze definitie valt tevens de "opvanglade" bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen binnen de waterwingebieden en de beschermingszones;
- "groeve": een ondergrondse constructie in metselwerk of beton die geen deel uitmaakt van een gebouw en die begrensd is door een vloer, wanden en eventueel een dakplaat, waarin houders zijn geplaatst en die in staat is om de lekvloeistof te weerhouden, derwijze opgevat dat:
a) de erin geplaatste houder(s) zich beneden het peil van de belendende grond bevindt(en) zodanig dat het bovenste gedeelte van de houder(s) op ten minste 50 cm onder vermeld peil is gelegen;
b) geen grondwater in de groeve kan terechtkomen;
c) geen hemelwater in de groeve kan terechtkomen of indien de groeve niet is afgedekt, deze is uitgerust met een systeem dat toelaat het water te verwijderen, nadat is vastgesteld dat hierin geen van de opgeslagen producten aanwezig is;
- "permanent lekdetectiesysteem": een bestendig aanwezig systeem dat toelaat op een gemakkelijke manier lekken vast te stellen;
- "tankenpark": een verzameling van één of meer bovengrondse houders binnen één inkuiping en met een totale capaci-teit van meer dan 250 m3;
- "tankenpark voor P-producten (P1, P2, P3, P4)": een verzameling van één of meerdere bovengrondse houders voor de opslag van P-producten binnen één inkuiping en met een totale capaciteit van de houders voor P-producten van meer dan 250 m3;
- "tankenpark voor andere dan P-producten (P1, P2, P3, P4)": een verzameling van één of meer bovengrondse houders voor de opslag van andere dan P-producten binnen één inkuiping en met een totale capaciteit van de houders voor andere dan P-producten van meer dan 250 m3;
- "erkend technicus": milieudeskundige, erkend in de discipline verwarmingsinstallaties die gevoed zijn met vloeibare brandstof, in het bezit van een geldig en erkend attest inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks als bedoeld in artikel 6.5.6.3;
- "bevoegd deskundige": een aan een inrichting verbonden deskundige waarvan de bevoegdheid voor de bouw, beveili-ging, onderhoud en controle van houders, leidingen en toebehoren overeenkomstig bijlage 5.17.8. bij dit besluit door de afdeling, bevoegd voor erkenningen is aanvaard;
- "benzine": een aardoliederivaat, met of zonder additieven, met een volgens de Reidmethode bepaalde dampdruk van 27,6 kilopascal of meer, dat voor gebruik als brandstof voor motorvoertuigen is bestemd, met uitzondering van vloeibaar petroleumgas (LPG);
- "mobiele tank": een over de weg, per spoor of over het water vervoerde houder met uitzondering van zeeschepen die wordt gebruikt voor de overbrenging van gevaarlijke vloeistoffen;
- « schip » : een binnenschip als gedefinieerd in artikel 1.01 van bijlage II van het koninklijk besluit van 19 maart 2009 betreffende de technische voorschriften voor binnenschepen;
- "verdeelinstallatie": een installatie waar gevaarlijke vloeistoffen overgeladen worden van een vaste houder naar een mobiele tank of naar verplaatsbare recipinten;
- "vaste stof": een product dat bij standaardvoorwaarden, met name 20 °C en 1 bar absoluut, een dynamische viscositeit heeft van meer van 5.000 mPa.s;
- "vloeistof": een product dat bij standaardvoorwaarden, met name 20 °C en 1 bar absoluut, niet gasvormig is en een dynamische viscositeit heeft die kleiner is of gelijk aan dan 5.000 mPa.s;
- "opslagplaats": de ruimten of plaatsen in gebouwen, ondergronds of in open lucht, waarin de in dit reglement bedoelde gevaarlijke producten in vaste houders of in verplaatsbare recipiënten zijn opgeslagen in een hoeveelheid die het dagverbruik (24 uur) overschrijdt; hierbij wordt verstaan onder:
- "vaste houders": houders welke worden gevuld of bijgevuld op de plaats van gebruik;
- "verplaatsbare recipinten": houders welke worden gevuld of bijgevuld op een plaats andere dan de plaats van gebruik;
worden niet als opslagplaats beschouwd:
- transportvoertuigen;
- fabricagetoestellen waarin de producten een bewerking moeten ondergaan en de pompen en buffervaten, gekoppeld aan de productie;
Beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) (afdeling 5.17.4)
-"damp, benzinedamp" : een gasvormige, uit benzine vervluchtigende verbinding;
- "opslaginstallatie": één of meerdere vaste houders die op een terminal voor de opslag van benzine wordt gebruikt;
-"overslaginstallatie": het geheel van leidingen, pompen, laadarmen, tellers en injectiesystemen op een terminal of in een verdeelinstallatie - met uitzondering van de ermee verbonden opslaginstallatie(s) - waardoor benzine in mobiele tanks kan worden geladen en overgeslagen; overslaginstallaties voor tankwagens omvatten één of meer laadportalen;
- "laadportaal": een constructie op een terminal waarmee te allen tijde benzine in een tankwagen kan worden geladen;
- "terminal": een geheel van voorzieningen omvattende opslaginstallaties, overslaginstallaties en alle toebehoren, die voor de opslag en het laden of overslaan van benzine in tankwagens, tankwagons of schepen wordt gebruikt;
- "bestaande opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie voor benzine": installatie waarvan de exploitatie op 1 augustus 1995 is vergund of waarvoor de aanvraag tot hernieuwing van de milieuvergunning op deze datum in behandeling was;
- "nieuwe opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie voor benzine": installatie die niet beantwoordt aan de criteria van een "bestaande opslaginstallatie, overslaginstallatie, verdeelinstallatie";
- "doorzet": de in de vermelde referentiejaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die vanuit of via de opslag- of overslaginstallatie van een terminal of van een verdeelinstallatie wordt overgeslagen in mobiele tanks;
- "dampterugwinningseenheid": een installatie voor de terugwinning van benzine uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;
- "streefreferentiewaarde": het richtsnoer dat is vastgesteld voor de algemene beoordeling van de overeenstemming met de technische voorschriften in de bijlagen en dat niet bedoeld is als een grenswaarde waaraan de prestaties van afzonderlijke installaties, terminals en verdeelinstallaties voor benzine zullen worden afgemeten;
- "voorlopige dampopslag": de voorlopige dampopslag in een houder met vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal; de overbrenging van damp van de ene naar de andere opslaginstallatie op een terminal wordt niet beschouwd als voorlopige dampopslag zoals in dit besluit gedefinieerd;
-"fase II-benzinedampterugwinningssysteem" : apparatuur die bestemd is om benzinedamp die uit de brandstoftank van een motorvoertuig ontsnapt tijdens het tanken in een benzinestation, terug te winnen, en waarmee die benzinedamp naar een opslagtank bij het benzinestation wordt gevoerd of weer naar de benzinepomp om te worden verkocht;
- onafhankelijk opslagdepot : inrichting waar enkel opslagtanks gebruikt worden voor de tijdelijke opslag van gevaarlijke producten in opdracht van derden, die noch het product, noch de grondstof zijn van of voor een procesinstallatie van dezelfde exploitant;
- "benzinestation" : een installatie waar brandstoftanks van motorvoertuigen met benzine uit vaste opslagtanks worden gevuld;
- "bestaand benzinestation" : een benzinestation waarvoor de eerste milieuvergunning is verleend vóór 1 januari 2012;
- "nieuw benzinestation" : een benzinestation waarvoor de eerst milieuvergunning is verleend op of na 1 januari 2012;
- "uitgebreid gerenoveerd benzinestation" : een benzinestation waarvan de infrastructuur, namelijk de tanks en de leidingen, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd;
- "benzinedampafvangrendement" : de hoeveelheid benzinedamp die door het fase II-benzinedampterugwinningssysteem is afgevangen, vergeleken met de hoeveelheid benzinedamp die in de atmosfeer zou zijn uitgestoten zonder een dergelijk systeem, uitgedrukt als percentage;
- "damp-benzineverhouding" : de verhouding tussen het volume bij atmosferische druk van benzinedamp die door een fase II-benzinedampterugwinningssysteem loopt en het volume van de geleverde benzine;
- "automatisch bewakingssysteem" : een bewakingssysteem dat storingen in het juiste functioneren van het fase II-benzinedampterugwinningssysteem en in het automatische bewakingssysteem zelf automatisch opspoort, dat storingen aan de benzinestationhouder meldt en dat de benzinetoevoer naar de defecte pomp automatisch stopt als de storing niet binnen de zeven kalenderdagen is verholpen;
- "debiet" : de totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die uit mobiele tanks aan een benzinestation wordt geleverd.


DEFINITIES LICHTHINDER (Hoofdstukken 4.6. en 6.3.)

- "lichthinder": hinder tengevolge van kunstlicht;
- "klemtoonverlichting": verlichting, bedoeld om de aandacht te trekken of om het verlichte onderwerp te accentueren;
- "lichtreclame": door middel van lichtgevende boodschappen de aandacht vestigen op een produkt, een merknaam of de naam van een inrichting.

DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING (Hoofdstukken 2.5., 4.4., 5.20., 5.43. en 6.6.)

ALGEMEEN

- "beschermingszone": een geografisch afgebakende zone die vanuit milieu-oogpunt bijzonder moet worden beschermd;
als beschermingszones worden aangeduid de natuurgebieden met wetenschappelijke waarde of natuurreservaten, als bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, de bosreservaten als bedoeld in het Bosdecreet van 13 juli 1990 en de natuurreservaten en natuurparken zoals bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.
- "speciale beschermingszone": zone waarin de te verwachten toename van de verontreiniging ten gevolge van stedelijke en industriële ontwikkelingen moet worden beperkt of voorkomen;
als speciale beschermingszones worden aangeduid:
1° zone Antwerpen: de gemeenten Antwerpen, Borsbeek, Edegem, Mortsel, Schoten, Wijnegem, Wommelgem en Zwijndrecht;
2° zone Gent: de gemeenten Destelbergen, Evergem en Gent;
3° zone Brussel-rand: de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Machelen, Vilvoorde, Wezembeek-Oppem en Zaventem.
- "Nm3": Normaal kubieke meter, of het volume gas, herleid tot de genormaliseerde temperatuur (273°K) en druk (101,3 kPa), na aftrek van het waterdampgehalte, behoudens anders vermeld.
- "waarnemingsdrempel": het laagste gehalte of de laagste concentratie voor de betrokken parameter die kan worden waargenomen;
- "bepalingsdrempel": het/de kleinste met een gegeven werkwijze in een monster kwantitatief bepaalbare gehalte of concentratie van een gegeven stof die nog van nul kan worden onderscheiden;
- "geleide emissie": is een bron (uitlaat, schoorsteen) waarvoor welbepaalde fysische kenmerken bestaan (ligging, hoogte, diameter) én een in principe meetbare volumestroom (debiet);
- "normale bedrijfsomstandigheden": bedrijfsomstandigheden buiten de opstart- of stillegprocedures, tenzij anders ver-meld;
- "percentielwaarde Xq": is de waarde als volgt berekend uit de over het gehele jaar gemeten waarden:
a) alle werkelijk gemeten waarden, afgerond op de eenheid van 1 µg/m3, behoudens voor de parameters waarvoor een grenswaarde < 5 µg/m3 is voorgeschreven in welk geval de afronding dient te gebeuren op 0,01 µg/m3, worden op een rij gezet en wel voor elk meetpunt in volgorde van grootte: X1 = X2 = X3 = .....= Xk = ..... = Xn-1 = Xn;
b) het q-percentiel is de waarde van het element met volgnummer k, waarbij k berekend wordt met de volgende formule:
k = q x n
waarin:
- q = 0,98 voor het 98ste percentiel, 0,50 voor het 50ste percentiel, enz.;
- n = het aantal werkelijk gemeten waarden;
de berekende waarde van k wordt hierbij afgerond op het naastbij gelegen gehele getal;
voormelde percentielwaarde wordt slechts als geldig beschouwd indien tenminste 75 % van de mogelijke waarden beschikbaar zijn en voor het bewuste meetpunt zoveel mogelijk gelijkelijk over de gehele referentieperiode zijn verdeeld;
- "meetwaarde": een zo nauwkeurig mogelijke benadering van de werkelijke gemiddelde concentratie of massa van een verontreinigende stof over een volledige referentieperiode;
- "referentieperiode": in principe een uur, behalve voor metingen bij discontinue produktieactiviteiten (batch-procédé's), waarvoor de tijdsduur van de activiteit (batch) met een max. van 4 uur dient genomen;
- "inadembaar stof": is de inadembare fraktie van stof t.t.z. de deeltjes welke tot in de alveolen van de longen doordrin-gen. Deze fraktie wordt gedefinieerd als de cumulatieve lognormale verdeling met een aërodynamische mediane diameter van 4,25 µm en een geometrische standaardafwijking van 1,5;
- « Lucht » :
de buitenlucht in de troposfeer, met uitsluiting van elke plaats die bestemd is als locatie voor werkplekken in gebouwen van de onderneming of inrichting, met inbegrip van elke andere plaats op het terrein van de onderneming of inrichting waartoe de werknemer in het kader van zijn werk toegang heeft en waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben;
- « verontreinigende stof » :
een stof die zich in de lucht bevindt en die waarschijnlijk schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel heeft;
- "niveau": de concentratie van een verontreinigende stof in de lucht of de depositie daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd;
- "beoordeling": een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof in de lucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen;
- "grenswaarde voor luchtkwaliteit": een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu in zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden;
- « streefwaarde of richtwaarde voor luchtkwaliteit » :
een niveau dat is vastgesteld om schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid of het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen en dat voor zover mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
- « alarmdrempel » :
een niveau waarboven een kortstondige blootstelling risico's inhoudt voor de gezondheid van de bevolking als geheel. Als de alarmdrempel bereikt wordt, moeten onmiddellijk stappen gezet worden;
- « langetermijndoelstelling »
een niveau dat op lange termijn zou moeten worden bereikt, behalve waar dit niet door proportionele maatregelen kan worden bereikt, met het doel de menselijke gezondheid en het milieu een doeltreffende bescherming te bieden;
- « informatiedrempel » : een niveau waarboven kortstondige blootstelling een gezondheidsrisico inhoudt voor bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen, waaraan onmiddellijk en toereikend informatie verstrekt moet worden;
« AOT40 » :
het gesommeerde verschil (uitgedrukt in (µg/m3).uur) tussen de uurconcentraties boven 80 µg/m3 (= 40 deeltjes per miljard) en 80 µg/m3 over een bepaalde periode, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uurwaarden die elke dag tussen 8 en 20 uur Midden-Europese tijd worden gemeten;
- « overschrijdingsmarge » :
het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee die onder de voorwaarden, vastgelegd in dit besluit mag worden overschreden;
- « zone » :
een met het oog op de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit afgebakend gedeelte;
- « agglomeratie » :
een verstedelijkte zone met een bevolking van meer dan 250.000 inwoners of, in geval van een bevolking van 250.000 inwoners of minder, met een vast te stellen bevolkingsdichtheid per km2;
- "immissieniveau of immissieconcentratie": de concentratie van een bepaalde stof in de omgevingslucht op een bepaalde plaats, als resultante van verschillende bronnen, incl. natuurlijke, en meteorologische verspreidingskarakte-ristieken;
- « ozonprecursoren » :
stoffen die bijdragen tot de vorming van ozon in de onderste luchtlagen, waarvan sommige zijn vermeld in bijlage 2.5.3.10;
- « vluchtige organische stoffen » (VOS) » :
organische stoffen van antropogene en biogene bronnen, uitgezonderd methaan, die onder invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen produceren;
- « stikstofoxiden » :
de som van het totale aantal volumedelen per miljard (ppbv) van stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt in massaconcentratie-eenheden van stikstofdioxide (µg/m3);
- PM10: deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening, zoals gedefinieerd in NBN EN 12341, passeren met een efficiëntiegrens van 50 % bij een aërodynamische diameter van 10 µm;
- « PM2,5 » :
deeltjes die een op grootte selecterende instroomopening passeren als omschreven in de referentiemethode voor het bemonsteren en meten van PM2,5 NBN EN 14907 met een efficiëntiegrens van 50% bij een aerodynamische diameter van 2,5 µm;
- « bovenste beoordelingsdrempel » :
een niveau waaronder het is toegestaan een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken of indicatieve metingen te gebruiken ter beoordeling van de luchtkwaliteit;
- onderste beoordelingsdrempel: een niveau waaronder enkel te-chnieken op basis van modellen of objectieve ramingen mogen worden toegepast voor de beoordeling van de lucht-kwaliteit;
- « bijdragen van natuurlijke bronnen » :
emissies van verontreinigende stoffen die niet direct of indirect zijn veroorzaakt door menselijke activiteiten, met inbegrip van natuurverschijnselen, zoals vulkanische uitbarstingen, seismische activiteiten, geothermische activiteiten, bosbranden, stormen, zeezout als gevolg van verstuivend zeewater of de atmosferische opwerveling of verplaatsing van natuurlijke deeltjes uit droge regio's;
- « vaste metingen » :
metingen die worden uitgevoerd op vaste locaties, hetzij continu, hetzij door aselecte bemonstering, om de niveaus te bepalen overeenkomstig de desbetreffende gegevenskwaliteitsdoelstellingen;
- « totale depositie of bulkdepositie :
de totale massa aan verontreinigende stoffen die binnen een gegeven gebied en gegeven tijdspanne van de atmosfeer wordt overgebracht naar oppervlakten (bijvoorbeeld bodem, vegetatie, water, gebouwen, enzovoort);
- arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen :
het totale gehalte van die elementen en verbindingen in de PM10-fractie;
- polycyclische aromatische koolwaterstoffen :
organische verbindingen die bestaan uit ten minste twee versmolten aromatische ringen die volledig uit koolstof en waterstof bestaan;
- totaal gasvormig kwik :
elementaire kwikdamp (HG°) en reactief gasvormig kwik, dat wil zeggen in water oplosbare kwikverbindingen met een voldoende hoge dampdruk om in de gasfase te bestaan;
- « kritiek niveau » :
een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis wordt vastgesteld, waarboven directe ongunstige gevolgen kunnen optreden voor sommige receptoren, zoals bomen, andere planten of natuurlijke ecosystemen, maar niet voor de mens;
- « luchtkwaliteitsplannen » :
plannen betreffende maatregelen om de grenswaarden of streefwaarden te bereiken;
- « gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex » :
een gemiddeld niveau dat wordt bepaald op basis van metingen op stedelijke achtergrondlocaties verspreid over het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest, en dat de blootstelling van de bevolking weergeeft. Het wordt gebruikt om de gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling te berekenen alsook de gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting; »
- « gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting » :
een op grond van de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex vastgesteld niveau met het doel de schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens te verminderen, waaraan binnen een bepaalde termijn moet worden voldaan;
- « gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling » :
een procentuele vermindering van de gemiddelde blootstelling van de bevolking van het Vlaamse Gewest die voor een referentiejaar wordt vastgesteld met het doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid te verminderen en die waar mogelijk binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt;
- « stedelijke achtergrondlocaties » :
plaatsen in stedelijke gebieden waar de niveaus representatief zijn voor de blootstelling van de stedelijke bevolking in het algemeen;
- « indicatieve metingen » :
metingen die aan minder strikte gegevenskwaliteitsdoelstellingen dan vaste metingen voldoen;
- « schoorsteen » : een structuur met een of meer afgaskanalen voor de afvoer van afgassen met het oog op de uitstoot ervan in de lucht;

STOOKINSTALLATIES

- brandstof: elke vaste, vloeibare of gasvormige brandbare stof;
- stookinstallatie: elk technisch toestel waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken;
- grote stookinstallatie: stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer;
- middelgrote stookinstallatie: stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot 50 MW;
- kleine stookinstallatie: stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 300 kW tot en met 5 MW;
- "gemengde stookinstallatie": iedere stookinstallatie die terzelfdertijd of beurtelings met twee of meer brandstoffen kan worden gevoed;
- "totaal nominaal thermisch ingangsvermogen ": de warmte-inhoud van de nominale hoeveelheid brandstof die per tijdseenheid kan worden toegevoerd aan een stookinstallatie uitgedrukt in MW;
- « biomassa » : producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten, alsook biomassa-afval;
- « biomassa-afval » : de volgende afvalstoffen :
a) plantaardig afval van land- en bosbouw;
b) plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, als de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
c) vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp; als het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
d) kurkafval;
e) onbehandeld of louter mechanisch behandeld houtafval;
f) niet-verontreinigd behandeld houtafval, dus uitgezonderd houtmateriaal dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen of zware metalen kan bevatten. Dat is in het bijzonder het geval voor houtafval, afkomstig van bouw- en sloopafval;
- plantaardig afval van land- en bosbouw;
- plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;
- vezelachtig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, dat op de plaats van productie wordt meeverbrand en waarvan de vrijgekomen energie wordt teruggewonnen;
- kurkafval;
- houtafval, met uitzondering van houtmateriaal dat als gevolg van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of van het aanbrengen van een beschermingslaag, gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten, met inbegrip van met name dergelijk houtafval dat afkomstig is van constructie- en sloopafval;
- « bedrijfsuren » : de tijd, uitgedrukt in uren, gedurende welke een stookinstallatie geheel of gedeeltelijk in werking is en emissies in de lucht uitstoot, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging benodigde tijd, zoals die is vastgesteld in de milieuvergunning;
- « bepalende brandstof » : van alle brandstoffen in gemeng de stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen, afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken, de brandstof met de hoogste emissiegrenswaarde, vermeld in afdeling 5.20.2 of, in geval van meerdere brandstoffen met dezelfde emissiegrenswaarde, de brandstof met het hoogste thermisch ingangsvermogen;
- gasturbine: een roterende machine die thermische energie in arbeid omzet, in hoofdzaak bestaande uit een compressor, een thermisch toestel waarin brandstof wordt geoxideerd om het werkmedium te verhitten en een turbine;
- stoom- en gasturbine-installatie (STEG): een installatie, bestaande uit een gasturbine, waarin een vloeibare of een gasvormige brandstof wordt verbrand, met een bijbehorende ketel waardoor de verbrandingsgassen van de gasturbine gevoerd worden, om warmte over te dragen aan water dat niet in contact treedt met die gassen, met als doel stoom te produceren dat vervolgens wordt omgezet in elektriciteit in een stoomturbine; in de bijbehorende ketel wordt al of niet een brandstof gestookt, waarbij geen dan wel nagenoeg geen extra lucht voor de verbranding wordt toegevoegd;
- « gasmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de Ottocyclus en die gebruik maakt van vonkontsteking of, in het geval van dual-fuelmotoren, compressieontsteking om brandstof te verbranden;
- « dieselmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus en die gebruik maakt van compressieontsteking om brandstof te verbranden;
- « dual-fuelmotor » : een verbrandingsmotor die werkt volgens de dieselcyclus bij gebruik van vloeibare brandstoffen en volgens de Ottocyclus bij gebruik van gasvormige brandstoffen;
- « gasturbine/STEG/motor in warmtekrachttoepassing » : een gasturbine, STEG of motor opgesteld in een installatie voor de opwekking in één proces van thermische energie en elektrische en/of mechanische energie;
- « nominaal motorrendement » : het door de constructeur opgegeven procentuele aandeel van warmte-inhoud van de toegevoerde brandstoffen dat, bij de hoogste belasting waarbij de zuigermotor continu kan worden bedreven, bij ISO-luchtcondities in arbeid wordt omgezet.
- « aardgas » : in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen;


METEN EN BEHEERSEN VAN FUGITIEVE VOS-EMISSIES

1° « fugitieve emissie » : emissie van vluchtige organische stoffen (exclusief methaan) door lekverliezen van apparaten en leiding(onderdelen);
2° « apparaten » : alle onderdelen van een inrichting (inclusief de randapparatuur van op- en overslaginstallaties) die fugitieve emissies kunnen veroorzaken. Het betreft onder meer :
a) spindeldoorvoeringen van afsluit- en regelorganen;
b) veiligheidskleppen die met de afblaas niet aangesloten zijn op een opvang- of verwerkingseenheid;
c) open - einden;
d) pompen, compressoren en roerwerken (asafdichting);
e) flenzen en andere verbindingen (inclusief flenzen en andere verbindingen van kleppen, pompen, compressoren, en roerwerken);
f) monsternamepunten;
3° « meetblok » : een verzameling apparaten die voorkomen in een duidelijk afgebakend onderdeel van de inrichting, zoals een productie-eenheid, een productstroom, een tankenpark...;
4° « meetwaarde » : het resultaat van een meting van een apparaat volgens de meetmethode van hoofdstuk II van bijlage 4.4.6;
5° « registratiecriterium » : concentratie die bepalend is voor opname van het apparaat in de inventaris; het registratiecriterium wordt vastgelegd op de bepalingslimiet, namelijk als de meetwaarde een concentratie van 9 ppm overschrijdt;
6° « lekkend apparaat » :
a) voor apparaten die in contact komen met product type 1 : een apparaat waarvan de meetwaarde een concentratie van 500 ppm overschrijdt;
b) voor apparaten die in contact komen met product type 2 : een apparaat waarvan de meetwaarde een concentratie van 1.000 ppm overschrijdt;
7° « herstelcriterium » : de meetwaarde vanaf wanneer het apparaat hersteld of vervangen moet worden;
8° « product type 1 » : product met een gemiddelde concentratie van 5 gew% of meer aan stoffen waaraan overeenkomstig bijlage 7II D van titel I van het Vlarem, één of meer van de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 zijn toegekend;
9° « product type 2 » : product met een gemiddelde concentratie van minder dan 5 gew% aan stoffen waaraan overeenkomstig bijlage 7II D van titel I van het Vlarem, één of meer van de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 zijn toegekend;
10° « steekproef » : het percentage van het totale aantal apparaten dat minstens jaarlijks gemeten moet worden;
11° « initiële steekproef » : steekproef die bij de start van het meet- en beheersprogramma toegepast moet worden zoals bepaald in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 van dit besluit;
12° « aangepaste steekproef » : steekproef die aangepast wordt afhankelijk van het aantal lekkende apparaten uit een vorige steekproef zoals bepaald in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 van dit besluit.

DEFINITIES BELEIDSTAKEN INZAKE EMISSIEPLAFONDS VOOR SO2, NOX, VOS EN NH3 (hoofdstuk 2.10)

- "AOT40 voor ozon": het gesommeerde verschil (uitgedrukt in (µ/m³).uur) tussen de uurgemiddelde ozonconcentraties op leefniveau boven 80 µg/m³ (=40 deeltjes per miljard) en 80 µg/m³ tijdens uren met daglicht, opgeteld gedurende de maanden mei, juni en juli van elk jaar;
- "AOT60 voor ozon": het gesommeerde verschil (uitgedrukt in (µ/m³).uur) tussen de uurgemiddelde ozonconcentraties op leefniveau boven 120 µg/m³ (=60 deeltjes per miljard) en 120 µg/m³ tijdens uren met daglicht, opgeteld gedurende het gehele jaar;
- "kritische belasting": de kwantitatieve schatting van een blootstelling aan een of meer verontreinigende stoffen waarbeneden volgens de huidige kennis geen significante schadelijke gevolgen op nader gespecificeerde kwetsbare mi-lieucomponenten optreden;
- "kritisch niveau": de concentratie van verontreinigende stoffen in de atmosfeer waarboven er volgens de huidige kennis voor receptoren als mensen, planten, ecosystemen of materialen rechtstreekse schadelijke gevolgen kunnen zijn;
- "emissie": het vrijkomen van stoffen in de atmosfeer uit een puntbron of een diffuse bron;
- "roostervak": een vierkant van 150 x 150 km, overeenkomend met de resolutie die gehanteerd wordt bij de kartering van de kritische belasting op Europese schaal en eveneens bij de bewaking van de uitstoot en depositie van luchtverontreinigende stoffen in het kader van het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP);
- "emissieplafond": de maximumhoeveelheid van een stof, uitgedrukt in kiloton, die in een kalenderjaar mag worden uitgestoten;
- "stikstofoxiden (NOx)": stikstofmonoxide en stikstofdioxide, uitgedrukt als stikstofdioxide;
- "ozon op leefniveau": ozon in het laagste gedeelte van de troposfeer;
- "vluchtige organische stoffen (VOS)": alle organische stoffen van antropogene aard, uitgezonderd methaan, die onder de invloed van zonlicht door reactie met stikstofoxiden fotochemische oxidanten kunnen produceren.

DEFINITIES MINERALE PRODUCTEN (Hoofdstuk 5.30.)

- "mortel- of betoncentrale": een vaste inrichting voor het vervaardigen van mortel- of betonbeslag omvattende tenminste een granulatensilo en een mengmolen.

INRICHTINGEN VOOR DE FABRICAGE VAN KERAMISCHE PRODUCTEN (afdeling 5.30.1.)

- "keramische producten": tot de keramische producten behoren o.a. bakstenen, kleidakpannen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, geëxpandeerde kleiproducten, gresbuizen, agrarische keramiek zoals voederbakken, bloempotten en draineerbuizen;
- "verhittingsinstallatie": productie-installatie waarin via directe verhitting van gevormde en/of gedroogde kleimassa, onder de gepaste atmosfeer en volgens een welbepaald tijdschema, de gewenste kenmerken van het keramisch eindproduct worden verkregen;
- hoofdgrondstof: het mengsel van alle klei- en/of leemsoorten die voor de fabricage van het keramisch product worden ingezet; toevoegstoffen (hulpstoffen, zanden, e.a.) maken geen deel uit van de hoofdgrondstof.

DEFINITIES ONTGINNINGEN (Hoofdstuk 5.18.)
1° « droge ontginning onder het grondwaterpeil » : een droge ontginning waarbij er zich boven de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt, of waarbij er zich onder de te ontginnen laag een watervoerende laag bevindt waarvan de stijghoogte boven de bodem van de te ontginnen laag uitkomt, ongeacht of er sprake is van wateruittreding uit de hellingen;
2° « bresprofiel » : een profiel met de volgende hellingsgraden :
a) van 0 tot 5 meter diepte : hellingsgraad 1:2
b) van 5 tot 10 meter diepte : hellingsgraad 1:3
c) van 10 tot 20 meter diepte : hellingsgraad 1:4
d) van 20 tot 30 meter diepte : hellingsgraad 1:8
e) van 30 tot 40 meter diepte : hellingsgraad 1:15
f) van 40 tot 50 meter diepte : hellingsgraad 1:25.

DEFINITIES ONTSPANNINGSINRICHTINGEN (Hoofdstuk 5.32.)

SCHOUWSPELZALEN (afdeling 5.32.3. en 5.32.4.)

- "langs boven met mechanische toestellen uitgerust": bovenste gedeelte van de toneelkooi (toneelzoldering) met uitgerust rooster, dat de behandeling en het bergen van onderdelen van schermen tijdens de vertoning, voor of na het gebruik ervan op het toneel, mogelijk maakt;
- "langs onder met mechanische toestellen uitgerust": ruimte gelegen onder het plateau (toneelvloer) uitgerust met één of meerdere mechanische toestellen die het bedienen of het bergen van één of meerdere schermen mogelijk maken;
- "uitgerust rooster": een opengewerkte zoldering, die de katrollen of de takels van de toneeluitrusting draagt, het is te zeggen, een geheel van koorden (kabels), katrollen, machines (windassen, trommels, tegengewichten, enz.) en draag-bomen, dat de behandeling van onderdelen van schermen en van opgehangen verlichtingstoestellen toelaat.

SCHIETSTANDEN IN LOKAAL (afdeling 5.32.7.)

- "schietstand": een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat minimum uit de volgende ruimten bestaat:
1° de schietruimte: de ruimte waar effectief geschoten wordt en waarin zich de schietzone bevindt;
2° de schietzone: de ruimte tussen de schutter en het objectief;
en waarin zich verder ook de volgende lokalen kunnen bevinden:
1° de wapenkamer: de ruimte waar wapens en munitie opgeslagen worden;
2° de onderhoudsplaats: de ruimte waar de wapens gebruiksklaar gemaakt of onderhouden worden voor of na het schieten;
3° de berging: de ruimte waar de schijveninstallatie wordt opgeborgen; deze ruimte dient te grenzen aan de schiet-ruimte.

SCHIETSTANDEN OPEN LUCHT (afdeling 5.32.8.)

- "schietstand": het geheel van werpmachines, schietplaats en schietveld dat dienstig is voor één bepaalde discipline;
- "schietterrein": het geheel van de percelen waarop een schietstand ingericht is;
- "schietveld": het gedeelte van het schietterrein, te rekenen vanaf de standplaats der schutters, dat bij normaal schietge-drag kan bestreken worden door de projectielen;
- "werpplaats": plaats waar de werpmachine(s) opgesteld is (zijn);
- "schietplaats": plaats waar de schutters plaatsnemen wanneer zij schieten;
- "operatoren": de personen bij de werpmachines, die deze rechtstreeks bedienen;
- "werpleider": de persoon die vanop afstand de machine bedient of bevelen geeft aan de operatoren.

ZWEMBADEN (afdeling 5.32.9.)

- vaste baden » :
a) zwem-, instructie- en stoeibaden, al dan niet overdekt, met uitzondering van inrich-tingen binnen privé-woningen die niet worden opengesteld tegen enige directe of indirecte vergoeding;
b) hot whirlpools, zijnde circulatiebaden voorzien van zitbanken met maximale diepte van 1 meter, waarin er vanuit de bodem of wand lucht genjecteerd wordt en die gevuld worden met water van meer dan 32° C;
c) plonsbaden, zijnde onverwarmde openlucht baden met een diepte van maximum 35 cm, continu doorstroomd met vers suppletiewater;
d) dompelbaden, zijnde baden, continu doorstroomd met vers suppletiewater, met een maximale diameter van 2.5 m, met temperaturen beneden de 20° C met als doel een kortstondige, plotse afkoeling van de gebruiker door middel van onderdompeling;
e) therapiebaden, zijnde circulatiebaden welke uitsluitend aangewend worden voor medische behandelingsdoeleinden.
- "zwemgelegenheden en waterrecreatie": vijvers, meren en waterlopen evenals inrichtingen voor waterrecreatie waar één of meerdere van volgende activiteiten worden beoefend: zwemmen, duiken, windsurfen, waterskiën, met uitzondering van zeebadzones.
- « vers water » :
water dat voldoet aan de volgende kwaliteitsvereisten :

parameter

parameterwaarde

Escherichia coli

0/100 ml

enterokokken

0/100 ml

Pseudomonas aeruginosa

0/100 ml

totaal kiemgetal bij 22° C

≤ 100/ml

totaal kiemgetal bij 37° C

≤ 20/ml

pathogene micro-organismen en parasieten

afwezig


OMLOPEN VOOR MOTORVOERTUIGEN (afdeling 5.32.10.)

- "motorvoertuig": voertuig, te land en/of te water, aangedreven door een verbrandingsmotor, ongeacht de gebruikte brandstof;
- "omloop": de in niet gesloten ruimten en niet op de openbare weg of openbare waterweg gelegen terreinen of wateren, of gedeelten van terreinen of wateren, waarop snelheidswedstrijden, hinderniswedstrijden, testritten, oefenritten of an-der recreatief gebruik van motorvoertuigen plaatsvindt;
- "stilte-behoevende inrichting": verplegingsinrichting, bejaardentehuis, wetenschappelijke en onderwijsinrichting, cultureel centrum, openbare bibliotheek of museum, in gebruik tijdens de exploitatie van een omloop voor motorvoer-tuigen;
- "natuurreservaat, natuurpark, bosreservaat": de gebieden als bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 de-cember 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, als bedoeld in het Bosdecreet van 13 juli 1990 en als bedoeld in de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud.

DIGITALE BIOSCOPEN (afdeling 5.32.5bis)

1° "digitale bioscoop" : een inrichting waar als hoofdactiviteit beelden op een scherm worden geprojecteerd met behulp van een digitale cinema projector en geluiden worden weergegeven met behulp van een digitale cinema audio processor;
2° "geluidzorgsysteem" : de geschreven en voor het publiek toegankelijke regels en richtlijnen met betrekking tot het uitbaten en het onderhouden van een digitale bioscoop met het oog op de zorg voor het geluid en het beheersen van de geluidsniveaus in de bioscoop, met inbegrip van de toepasselijke in de sector geldende standaarden en de bij de betrokken beroepscategorie algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap.

DEFINITIES OPPERVLAKTEWATER- EN GRONDWATERBESCHERMING (INTEGRAAL WATERBELEID) (Hoofdstukken 2.3., 4.2., 5.3. en 6.2. (oppervlaktewater) en 2.4., 4.3., 5.52., 5.53., 5.54. en 5.55 (grondwater))

INTEGRAAL WATERBELEID
(EG-richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid)

De begrippen en definities, vermeld in artikel 3, § 2, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid zijn ook van toepassing op dit besluit.

ALGEMEEN

- "estuarium": het overgangsgebied aan de monding van een rivier, tussen zoet water en kustwateren;
- "hemelwater": verzamelnaam voor regen, sneeuw en hagel, met inbegrip van dooiwater;
- "bemalingswater": opgepompt grond- en bodemwater;
- "bodemwater": het water aanwezig in de onverzadigde zone tussen het aardoppervlak en de grondwatertafel;
- "lozing van afvalwater": de emissie van afvalwater door daartoe bestemde afvoerkanalen;
- "afvalwater": water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, met uitzondering van niet-verontreinigd hemelwater;
- "gewone oppervlaktewateren": alle oppervlaktewateren met uitzondering van de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en de openluchtgreppels, behorend tot de openbare riolering;
- "openbare riolering": het geheel van openbare leidingen en openluchtgreppels bestemd voor het opvangen en transpor-teren van afvalwater;
- "gescheiden riolering": een dubbel stelsel van leidingen of openluchtgreppels waarvan het ene stelsel bestemd is voor het opvangen en transporteren van afvalwater en het andere stelsel bestemd is voor de afvoer van hemelwater;
- "collector(en)": de bovengemeentelijke openbare leidingen die bestemd zijn om de openbare riolering te verbinden met een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie en die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;
- "openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie": een openbare installatie waarin afvalwater wordt gezuiverd; hiermee worden gelijkgesteld de installaties die beheerd worden door de in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap;
- "kunstmatige afvoerweg voor hemelwater": de greppels, grachten, duikers en leidingen bestemd voor het afvoeren van hemelwater, bodemwater, grondwater, bemalingswater en desgevallend ook afvalwater, behandeld conform de van toepassing zijnde wetgeving;
- "'individuele voorbehandelingsinstallatie' : septische putten of gelijkaardige inrichtingen voor de behandeling van huishoudelijk afvalwater ter verwijdering van vetstoffen, bezinkbare en drijvende stoffen;
- "septisch materiaal: bijzondere afvalstoffen afkomstig van septische putten resulterend uit bezinkingsprocessen en bi-ologische omzettingsprocessen;
- "eutrofiëring": aanrijking van het oppervlaktewater door voedingsstoffen, vooral stikstof- en fosforverbindingen, die leidt tot een versnelde groei van algen en hogere plantaardige levensvormen met als gevolg een ongewenste verstoring van het evenwicht tussen de verschillende in het water aanwezige organismen en verslechtering van de waterkwaliteit;
- "sanering" :
het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van afvalwater;
- "het centrale gebied" :
het deel van het gemeentelijke grondgebied dat geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van een of meer agglomeraties;
- "het buitengebied" :
het deel van het gemeentelijke grondgebied dat niet binnen het centrale gebied ligt;
- "het collectief geoptimaliseerde buitengebied" :
het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die reeds gerealiseerd is;
- "het collectief te optimaliseren buitengebied" :
het deel van het buitengebied waar om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor collectieve inzameling en zuivering en waar die nog te realiseren is
- "het individueel te optimaliseren buitengebied" :
het deel van het buitengebied waar, om de bestaande sanering van het afvalwater te optimaliseren, gekozen is voor individuele afvalwaterzuivering en waar voor de burger overeenkomstig dit besluit een individuele zuiveringsplicht geldt;
- "het gemeentelijk zoneringsplan" :
het plan dat voor een gemeente een onderscheid maakt tussen de gebieden met collectieve sanering en de gebieden met individuele sanering. In het centrale gebied werd reeds in collectieve sanering voorzien;
- "het uitvoeringsplan" :
het plan dat de uitvoering en de timing van de projecten regelt met betrekking tot de gemeentelijke en de bovengemeentelijke saneringsverplichting, evenals de noodzakelijke afstemming van de projecten;
- "individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater" of IBA :
een lekvrije installatie die huishoudelijk afvalwater behandelt tot de vooropgestelde normen.

MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR OPPERVLAKTEWATER (UITGEZONDERD BEHEER VAN ZWEMWATERKWALITEIT)

- "oppervlaktewater":
- het stilstaande of stromende zoet, brak of zout water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke of kunstmatige wijze een deel van het aardoppervlak inneemt en dat deel uitmaakt van een waterhuishoudkundig systeem;
- het stilstaande water dat permanent of op geregelde tijdstippen op natuurlijke wijze een deel van het aardoppervlak inneemt, dat niet in verbinding staat met het waterhuishoudkundig systeem maar wordt gevoed door hemelwater;
- "zoetwatergrens": de plaats in een waterloop waar bij hoog tij en in een periode met gering zoetwaterdebiet, het zout-gehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van al dan niet fossiel zeewater;
- "brak water": de wateren waarvan het chloridegehalte op natuurlijke wijze 600 mg Cl/l kan overschrijden;
- "zoet water": de oppervlaktewateren in het binnenland tot de plaats waar bij hoog tij en in een periode met gering zoet-waterdebiet, het zoutgehalte stijgt ten gevolge van de aanwezigheid van zeewater;
- "drinkwater A1, A2 en A3": de niet brakke oppervlaktewateren bestemd voor de produktie van drinkwater bedoeld in de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 75/440/EEG van 16 juni 1975 die als dusdanig zijn aange-duid door het Besluit van de Vlaamse regering van 21 oktober 1987 tot vaststelling van de kwaliteitsdoelstellingen voor alle oppervlaktewateren van het openbaar hydrografische net en tot aanduiding van de oppervlaktewateren bestemd voor drinkwater, zwemwater, viswater en schelpdierwater en waarbij onder de groepen A1, A2 en A3 wordt verstaan de volgende wijze van behandeling waardoor het oppervlaktewater tot drinkwater kan worden verwerkt:
a. groep A1: eenvoudige fysische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld: snelle filtratie en desinfectie ;
b. groep A2: normale fysische en chemische behandeling en desinfectie, bij voorbeeld: voorbehandeling met chloor, coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, desinfectie (definitieve behandeling met chloor) ;
c. groep A3: grondige chemische en fysische behandeling, raffinage en desinfectie, bij voorbeeld: chloorbehandeling op het "break point", coagulatie, uitvlokking, decanteren, filtratie, raffinage (actieve kool), desinfectie (ozon, definitieve chloorbehandeling) ;
- "viswater": de oppervlaktewateren die zo zijn aangeduid door het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 1987 als "water voor zalmachtigen" of "water voor karperachtigen"; hierbij wordt verstaan onder:
a. "water voor zalmachtigen": water waarin vissoorten zoals zalm (Salmo salar), forel (Salmo trutta), vlagzalm (Thymallus thymallus) en coregonidae (Coregonus) leven of zouden kunnen leven ;
b. "water voor karperachtigen": water waarin karperachtigen (Cyprinidae) of soorten zoals snoek (Esox lucius), baars (Perca fluviatilis) en paling (Anguilla anguilla) leven of zouden kunnen leven ;
- "schelpdierwater": de oppervlaktewateren die zo zijn aangeduid door het besluit van de Vlaamse Regering van 21 oktober 1987;
- "winplaats": de plaats waar het oppervlaktewater voor drinkwaterproduktie vóór de zuiveringsbehandeling wordt ont-trokken;
- "natuurlijke aanrijking": het proces waarbij water, zonder invloed van de mens, bepaalde in de bodem aanwezige stoffen opneemt;
- "verontreiniging": het direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de eco-systemen in het water kunnen worden geschaad, of enig rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd;
- « ecologische kwaliteitscoëfficiënt (EKC) » : geeft de verhouding aan tussen de waarde van de voor een bepaald waterlichaam vastgestelde biologische parameter en de waarde van die parameter onder de voor dat lichaam geldende referentieomstandigheden. De coëfficiënt wordt uitgedrukt in een getalswaarde tussen nul en één, waarbij de waarden in de buurt van één op een zeer goede ecologische toestand wijzen en de waarden in de buurt van nul op een slechte ecologische toestand.


ZWEMWATERKWALITEIT (EG-Richtlijn 2006/7/EG van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG) (afdeling 2.3.3, afdeling 2.3.7, artikel 5.32.9.8.2 en deel II van bijlage 2.3.3)

1° "oppervlaktewater" : binnenwateren, met uitzondering van grondwater; overgangswater en strandwateren;
2° "binnenwater" : al het stilstaande of stromende water op het landoppervlak en al het grondwater aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten;
3° "overgangswater" : een oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een riviermonding dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van kustwateren, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromen beïnvloed wordt;
4° "strandwater" : de oppervlaktewateren, gelegen aan de landzijde van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, zo nodig uitgebreid tot de buitengrens van een overgangswater;
5° "stroomgebied" : een gebied vanwaar al het over het oppervlak lopende water via een reeks stromen, rivieren en eventueel meren door één riviermond, estuarium of delta in zee stroomt;
6° "permanent" : met betrekking tot een zwemverbod of een negatief zwemadvies, voor de duur van ten minste één volledig badseizoen;
7° "groot aantal" : met betrekking tot zwemmers, een aantal dat op het ogenblik van de aanduiding als zwemwater, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, groot wordt geacht, met name gelet op tendensen uit het verleden of op de beschikbare infrastructuur of faciliteiten, dan wel op de maatregelen die getroffen zijn ter bevordering van het zwemmen;
8° "verontreiniging" : de aanwezigheid van microbiologische besmetting of van andere organismen of afval, die de zwemwaterkwaliteit aantast en een risico voor de gezondheid van de zwemmers inhoudt, vermeld in artikel 2.3.7.5.2, 2.3.7.5.3 en 2.3.7.5.4 en in artikel 1, § 1, kolom A van deel II van bijlage 2.3.3;
9° "badseizoen" : de periode waarin grote aantallen zwemmers kunnen worden verwacht;
10° "beheersmaatregelen" : de volgende maatregelen die met betrekking tot zwemwater worden genomen :
a) vaststelling en actualisering van een zwemwaterprofiel;
b) vaststelling van een tijdschema voor controle;
c) controle van het zwemwater;
d) beoordeling van de zwemwaterkwaliteit;
e) indeling van het zwemwater;
f) een beschrijving en beoordeling van oorzaken van verontreiniging die het zwemwater kunnen aantasten en schade toebrengen aan de gezondheid van de zwemmers;
g) verstrekken van informatie aan het publiek;
h) uitvoering van maatregelen om blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen;
i) uitvoering van maatregelen om de gevaren van verontreiniging te verminderen;
11° "kortstondige verontreiniging" : een microbiologische besmetting als vermeld in artikel 1, § 1, kolom A, van deel II van bijlage 2.3.3, met duidelijk aantoonbare oorzaken, waarvan normaliter niet wordt verwacht dat ze de zwemwaterkwaliteit langer zal aantasten dan ongeveer 72 uur vanaf het begin van de aantasting, en waarvoor de Vlaamse Milieumaatschappij overeenkomstig artikel 4, van deel II van bijlage 2.3.3 procedures voor de voorspelling en de aanpak heeft ingesteld;
12° "abnormale situatie" : gebeurtenis of combinatie van gebeurtenissen die de zwemwaterkwaliteit op de locatie in kwestie beïnvloedt, en die zich naar verwachting gemiddeld niet meer dan eens in de vier jaar zal voordoen;
13° "reeks zwemwaterkwaliteitsgegevens" : gegevens, verkregen overeenkomstig artikel 2 van deel II van bijlage 2.3.3;
14° "beoordeling van de zwemwaterkwaliteit" : het proces van de beoordeling van de zwemwaterkwaliteit, volgens de beoordelingsmethode vermeld in artikel 4 van deel II van bijlage 2.3.3;
15° "proliferatie van cyanobacteriën" : de ophoping van cyanobacteriën in de vorm van bloei, tapijt of drijflaag.

GRONDWATER

1° grondwaterkwaliteitsnorm : een milieukwaliteitsnorm, uitgedrukt als de concentratie van een bepaalde verontreinigende stof, groep van verontreinigende stoffen of indicator van verontreiniging in grondwater, die ter bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu niet mag worden overschreden;
2° achtergrondniveau : de concentratie van een stof of de waarde van een indicator in een grondwaterlichaam die overeenkomt met onbestaande of zeer geringe, antropogene alteraties van de ongerepte toestand;
3° drempelwaarde : een grondwaterkwaliteitsnorm voor alle verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvan is vastgesteld, conform de analyse van de kenmerken krachtens artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, dat grondwaterlichamen of groepen van grondwaterlichamen het gevaar lopen geen goede chemische toestand van het grondwater te bereiken.


AFVALWATERCONTROLES

- "daggemiddelde": het/de gehalte of concentratie bepaald op basis van een met het debietevenredige 24-uurmonster-name;
- "maandgemiddelde": de waarde bepaald op basis van een met het debiet evenredige samenstelling van alle 24-uurmonsternames voor de betrokken maand.
- « referentiemeetmethode » : werkwijze die voor de bepaling van een bepaalde parameter dient te worden toegepast; de referentiemeetmethoden omvatten Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door het referentielaboratorium van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (VITO) werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse Overheid. Deze meetmethoden worden beschreven in het compendium voor analyse van water (WAC). Het compendium wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstabel van het WAC wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
- « aantoonbaarheidsgrens » : de kleinste hoeveelheid stof of laagste concentratie van de component in het monster waarvan de aanwezigheid nog kan worden vastgesteld.
- « bepalingsgrens » : de kleinste hoeveelheid stof of laagste concentratie van de component in het monster die met de analysemethode nog gekwantificeerd kan worden.
- « rapportagegrens » : de waarde beneden welke een component als niet kwantificeerbaar ('<') wordt gerapporteerd, deze bedraagt minimaal de bepalingsgrens.
- « precisie » : de mate van spreiding in de analyseresultaten. Bij een uitspraak m.b.t. precisie dient aangegeven te worden welke condities (tijd, kalibratie, operator, toestel,...) bij het uitvoeren van de analyse veranderd werden; als minimale eis hiervoor wordt vooropgesteld dat de factor tijd gevarieerd wordt, m.a.w. dat de betreffende analysen op verschillende dagen en in verschillende reeksen worden uitgevoerd; de in bijlage 4.2.5.2, Art.4, opgegeven aanvaardbare precisie is uitgedrukt als het procentueel interval rond de gemiddelde waarde waarin 95 % van de resultaten worden gevonden van metingen die op bovenvermelde wijze werden uitgevoerd.
- « juistheid » : de mate van overeenstemming tussen de gemiddelde waarde die verkregen werd uit een (groot) aantal waarnemingen en de werkelijke waarde; de in bijlage 4.2.5.2, Art.4, opgegeven aanvaardbare juistheid is uitgedrukt als de procentuele systematische afwijking of bias, die berekend wordt als het verschil tussen de gemiddelde experimentele waarde en de werkelijke waarde, verrekend op de werkelijke waarde.

STEDELIJK AFVALWATER

- "stedelijk afvalwater": huishoudelijk afvalwater of het mengsel van huishoudelijk afvalwater en/of bedrijfsafvalwater en/of afvloeiend hemelwater;
- "opvangsysteem": een systeem van ledingen waardoor stedelijk afvalwater wordt opgevangen en afgevoerd;
- "primaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een fysisch en/of chemisch proces van bezinking van gesuspendeerde stoffen, of andere processen waarbij het biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20°C van het binnenkomende afvalwater vóór de lozing met tenminste 20 % wordt verminderd en de totale hoeveelheid ge-suspendeerde stoffen in het binnenkomende afvalwater met tenminste 50 % wordt verminderd;
- "secundaire behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces waarbij in het algemeen biolo-gische zuivering met secundaire bezinking plaatsvindt, of een ander proces waarbij de waarden van de sectoriële emis-siegrenswaarden voor het effluentwater vastgesteld door dit reglement worden in acht genomen;
- "toereikende behandeling": behandeling van afvalwater door middel van een proces en/of afvoersysteem waardoor de ontvangende oppervlaktewateren na de lozing aan de relevante milieukwaliteitsnormen en aan de relevante bepalingen van dit reglement voldoen;
- "slib": uit waterzuiveringsinstallaties afkomstig behandeld of onbehandeld restslib;
- "agglomeratie": een gebied waar de bevolking en/of de economische activiteiten voldoende geconcentreerd zijn om stedelijk afvalwater op te vangen en naar een rioolwaterzuiveringsinstallatie en/of een definitieve lozingsplaats af te voeren;
- "kwetsbare gebieden": overeenkomstig Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater wordt voor de toepassing van afdeling 2.3.6. en 5.3.1. onder kwetsbare gebieden verstaan een watermassa die onder een van de volgende groepen valt:
1° natuurlijke zoetwatermeren, andere zoetwatermassa's, estuaria en kustwateren die eutroof zijn of in de nabije toekomst eutroof kunnen worden indien geen beschermende maatregelen worden genomen;
2° voor de winning van drinkwater bestemde oppervlaktewateren, die een hogere nitraatconcentratie zouden kunnen bevatten dan is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende immissienormen indien geen maatregelen worden genomen;
3° gebieden waar verdere behandeling dan bepaald in afdeling 5.3.1. nodig is om te voldoen aan Richtlijn 91/271/EEG.
Met betrekking tot de groep sub 1° kunnen de volgende elementen in aanmerking worden genomen wanneer wordt bepaald welke nutriënten door verdere behandeling moeten worden verminderd:
a) meren en in meren, reservoirs of gesloten baaien uitmondende rivieren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, waardoor accumulatie kan optreden; in deze gebieden moet ook fosfor uit het afvalwater worden verwijderd, tenzij kan worden aangetoond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiringsniveau; waar lozingen van grote agglomeraties plaatsvinden kan ook de verwijdering van stikstof worden overwogen;
b) estuaria, baaien en andere kustwateren waarin een geringe wateruitwisseling wordt vastgesteld, of die grote hoeveelheden nutriënten ontvangen; lozingen van kleine agglomeraties zijn in deze gebieden meestal van minder belang, maar voor grote agglomeraties moeten ook fosfor en/of stikstof worden verwijderd tenzij kan worden aange-toond dat de verwijdering daarvan geen effect heeft op het eutrofiëringsniveau.
- "Inwonerequivalent (I.E.): de biologisch afbreekbare organische belasting met een biochemisch zuurstofverbruik gedurende vijf dagen bij 20°C (BZV5 20) van 60 g zuurstof.

AFVALWATERPARAMETERS

- afkortingen:
a) "pH": zuurtegraad;
b) "BZV": biochemisch zuurstofverbruik in 5 dagen bij 20°C;
c) "CZV": het chemisch zuurstofverbruik;
d) "CCl4 extraheerbare stoffen": het gehalte aan apolaire koolwaterstoffen extraheerbaar met tetrachloorkoolstof;
e) "PCB": polychloorbifenylen;
f) "T.O.C.": het gehalte aan totaal organische koolstof;
g) "T.O.X.": het gehalte aan totaal organisch gebonden halogeen, uitgedrukt in chloor;

SECTORALE VOORWAARDEN

- afkortingen:
a) "n.v.t.": niet van toepassing;
b) "n.v.w.b.": niet visueel waarneembaar;
c) "v.g.t.g.": in de vergunning vast te stellen toegelaten gehalte in de gevallen waarin voor de betrokken parameter geen sectorale lozingsvoorwaarden zijn vastgesteld.

CONCORDANTIETABEL VOOR BEPAALDE LOZINGSPARAMETERS
In plaats van de benamingen van de eerste kolom worden de corresponderende benamingen van de tweede kolom gebruikt :

Oude terminologie

Nieuwe terminologie

Actief chloor

Vrije chloor

Actief chloor en broom

Vrije chloor

Ammoniakale stikstof

Ammonium

Boraten

Boor

CC14 extraheerbare stoffen

Perchloorethyleen extraheerbare apolaire stoffen

Chlooranilines

Gechloreerde aromatische amines

Chloor oxideerbare cyaniden

Vrije cyanide

Cobalt

Kobalt

Cyanide(n)

Totaal cyanide

DDT

Som van p,p’-DDT, o,p’-DDT, p,p’-DDE en p,p’-DDD

Detergent(en)

Som van anionische, niet-ionogene en tationische oppervlakteactieve stoffen

Drins

Som van aldrin, diekdrin, endrin en isodrin

Faecale colibacteriën

E. coli

Faecale streptokokken

Enterokokken

Fluoride

Totaal anorganisch gebonden fluoride

Fosfaten of totaal fosfaat

Totaal fosfor

Gechloreerde koolwaterstoffen of gehalogeneerde koolwaterstoffen of organohalogenen of organische halogeenverbindingen

 

Som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen, PCB’s en organochloorpesticiden

Geleidingsvermogen

Elektrische geleidbaarheid

Gemakkelijk ontbindbare cyanide

Vrije cyanide

Gemakkelijk ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

Vrije cyanide

Hexachloorcyclohexaan (HCH)

Som van ą, ß, γ en δ-HCH

Kleuring

Kleur

Nitraten

Nitraat

Ontbindbare cyanide (Bucksteeg)

Vrije cyanide

Oppervlakteactieve stoffen

Som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen

Organische chloor

AOX

Organische fosfor pesticiden

Organofosforpesticiden

Pesticiden

Som van organochloorpesticiden, organofosforpesticiden, stikstofpesticiden, zure herbiciden en fenolen

Selenium

Seleen

Sulfiden

Som van opgelost sulfide en zuur milieu oplosbare sulfide

TOX

AOX

Totaal fluor

Totaal anorganisch gebonden fluoride

Trichloorbenzeen (TCB)

Som van 1,3,5-, 1,2,4- en 1,2,3-trichloorbenzeen

DEFINITIES VLIEGVELDEN (Hoofdstuk 5.57)

- 'A-gewogen geluidblootstellingsniveau van een geluidsgebeurtenis SEL': het constante A-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende een tijdsinterval van 1 seconde dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijke A-gewogen geluidsdrukniveau gedurende de duurtijd van de geluidsgebeurtenis.

DEFINITIES ZEEHAVENGEBIEDEN (Hoofdstuk 5.48)

- "behandelen": het laden, lossen, stuwen, ontstuwen, trimmen, storten en ander handelingen die inherent zijn aan de laad- en losactiviteiten;
- "doorvoeropslagplaats": opslagplaats waarin goederen, produkten of stoffen hetzij in afwachting van hun verscheping of verzending, hetzij na verscheping of verzending, tijdelijk worden opgeslagen gedurende een periode die de maximum tijdsduur voor opslag in havengebieden, bepaald in de ter zake door de havenbeheerder uitgevaardigde verordeningen, niet overschrijdt;
- "kortstondige opslag": opslag op de voorkaai van via de zeehaven verscheepte of te verschepen goederen, produkten of stoffen, gedurende een periode van maximum 30 opeenvolgende kalenderdagen voor IMDG-goederen en gedurende een periode, waarvan de maximum duurtijd bepaald wordt door de havenkapitein, voor de andere dan IMDG-goederen;
- "zeehavengebied": de voor opslag bestemde exploitatiezone die door de zeehavenbeheerder in concessie of erfpacht gegeven wordt of waarover de exploitant de beschikking heeft, met het doel er enkel doorvoergoederen te behandelen, begrensd overeenkomstig bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 februari 1993 tot vaststelling van de lijst van de havens en hun aanhorigheden overgedragen van de Staat aan het Vlaamse Gewest;
- "voorkaaien": de voor kortstondige opslag bestemde exploitatiezone die aansluit bij een kademuur en die door de zeehavenbeheerder in concessie of erfpacht gegeven wordt, of waarover de exploitant de beschikking heeft, met het doel er enkel doorvoergoederen te behandelen en waarop het havenreglement van toepassing is.

DEFINITIES ACTIVITEITEN DIE GEBRUIKMAKEN VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN (hoofdstuk 5.59)

1° « installatie » : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de activiteiten, vermeld in artikel 5.59.1.1, plaatsvinden, en alle andere op dezelfde locatie ten uitvoer gebrachte en daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten die technisch verband houden met de voormelde activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging;
2° bestaande installatie: een installatie die op 29 maart 1999 in bedrijf was of een installatie waarvoor vóór 1 april 2001 een vergunning is verleend of een melding is gebeurd of waarvoor voor die datum een volledige vergunningsaanvraag is ingediend, mits de installatie uiterlijk een jaar na die datum in gebruik werd genomen.
3° kleine installatie: een installatie met de laagste drempelwaarde van de punten 1, 3, 4, 5, 8, 10, 13, 16, 17 van bijlage 5.59.1 of, voor de andere activiteiten van bijlage 5.59.1, die minder dan 10 ton oplosmiddel per jaar verbruikt;
4° belangrijke wijziging :
een wijziging van de aard of de werking, of de uitbreiding van een installatie die naar de mening van de bevoegde overheid significant negatieve effecten kan hebben op de gezondheid van de mens of op het milieu.
De volgende veranderingen worden als belangrijke wijziging gedefinieerd :
a) voor een kleine installatie : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 25 %;
b) voor alle andere installaties : een verandering van de nominale capaciteit die leidt tot een toename van de emissies van vluchtige organische stoffen met meer dan 10 %.
5° ...
6° diffuse emissies: emissies, in een andere vorm dan van afgassen, van vluchtige organische stoffen in lucht, bodem of water alsmede, tenzij anders vermeld in bijlage 5.59.1, oplosmiddelen die zich in enig product bevinden. Hieronder zijn begrepen de niet-opgevangen emissies die via ramen, deuren, ventilatiekanalen, ontluchtingen en soortgelijke openin-gen in het milieu terechtkomen;
7° afgassen: de uiteindelijke uitworp in de lucht van gassen met vluchtige organische stoffen of andere verontreinigende stoffen uit een afgaskanaal of uit nabehandelingsapparatuur in de lucht. Het volumetrisch debiet wordt uitgedrukt in Nm3/uur;
8° totale emissie: de som van diffuse emissies en emissies van afgassen;
9° ...
10° ...
11° mengsel: een mengsel of oplossing, bestaande uit twee of meer stoffen;
12° organische verbinding: een verbinding die ten minste het element koolstof bevat en daarnaast een of meer van de volgende elementen: waterstof, halogenen, zuurstof, zwavel, fosfor, silicium en stikstof, met uitzondering van koolstof-oxiden en anorganische carbonaten en bicarbonaten;
13° vluchtige organische stof (VOS): een organische verbinding die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft. De fractie creosoot die deze dampspanning overschrijdt bij 293,15 K, wordt beschouwd als een VOS;
14° organisch oplosmiddel: een vluchtige organische stof die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel;
15° gehalogeneerd organisch oplosmiddel: een organisch oplosmiddel dat ten minste één broom-, chloor-, fluor- of jo-diumatoom per molecuul bevat;
16° coating: een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of prepa-raten die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om op een oppervlak voor een decoratief, beschermend of ander functioneel effect te zorgen;
17° kleefstof: een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of prepa-raten die organische oplosmiddelen bevatten, dat wordt gebruikt om afzonderlijke delen van een product samen te kle-ven;
18° inkt: een mengsel, met inbegrip van alle voor een juist gebruik benodigde organische oplosmiddelen of mengsels die organische oplosmiddelen bevatten, dat bij een drukactiviteit wordt gebruikt om een tekst of afbeeldingen op een oppervlak af te drukken;
19° lak: een doorzichtige coating;
20° verbruik: de totale input van organische oplosmiddelen per kalenderjaar of een andere periode van twaalf maanden in een installatie, verminderd met eventuele VOS die voor hergebruik worden teruggewonnen;
21° input: de hoeveelheid organische oplosmiddelen en de hoeveelheid daarvan in mengsels die tijdens het uitoefenen van een activiteit worden gebruikt, met inbegrip van de binnen en buiten de installatie gerecycleerde oplosmiddelen die telkens worden meegerekend wanneer ze worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen;
22° hergebruik van organische oplosmiddelen: het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met inbegrip van het gebruik als brandstof, maar met uitzondering van de definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval;
23° massastroom: de hoeveelheid vrijgekomen VOS in eenheden of massa/uur;
24° nominale capaciteit: de massa van de organische oplosmiddelen die een installatie gemiddeld over één dag maximaal als input gebruikt, als de installatie onder normale bedrijfsomstandigheden bij de ontwerpoutput functioneert;
25° normaal bedrijf: alle perioden waarin een installatie of een activiteit in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen en het onderhoud van apparatuur;
26° gesloten systeem: een systeem dat zo functioneert dat de uit de activiteit vrijkomende VOS beheerst worden afgevangen en uitgestoten, via een afgaskanaal of via nabehandelingsapparatuur, en derhalve niet volledig diffuus zijn;
27° gemiddelde over 24 uur: het rekenkundig gemiddelde van alle valide waarden die gedurende een periode van 24 uur bij normaal bedrijf zijn geregistreerd;
28° opstarten en stilleggen: activiteiten de worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht. Regelmatig oscillerende activiteitenfasen worden niet als opstarten of stilleggen beschouwd;
29° « voertuig » : de volgende categorieën van voertuigen zoals gedefinieerd in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen : auto's gedefinieerd als categorie M1, bestelwagens en vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3, vrachtwagencabines gedefinieerd als de behuizing voor de chauffeur en de daarmee geïntegreerde behuizing voor de technische eenheden die voor vrachtwagens gedefinieerd als categorieën N1, N2 en N3 zijn bestemd, bussen gedefinieerd als categorieën M2 en M3, en aanhangwagens, met inbegrip van opleggers, gedefinieerd als categorieën O1, O2, O3 en O4;

DEFINITIES ENERGIEPLANNING (hoofdstuk 4.9)

« energieplan » : een energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;
- « geactualiseerd energieplan » : een geactualiseerd energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.7 van het Energiebesluit;
- « energiestudie » : een energiestudie overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit;
- « energiegebruik » : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers ».

DEFINITIES EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN (hoofdstuk 4.10)

- "emissierecht": een overdraagbaar recht om gedurende een bepaalde periode één ton koolstofdioxide-equivalent aan broeikasgassen uit te stoten;
- "handelsperiode": een periode zoals bepaald in artikel 1 van het besluit inzake de verhandelbare emissierechten;

DEFINITIES AFVAL VAN WINNINGSINDUSTRIEËN (Hoofdstuk 2.12, 5.2 (afdeling 5.2.6) en 5.18; Bijlagen 5.2.6.1, 5.2.6.2 en 5.2.6.3)

1° winningsafval : afval dat afkomstig is van de prospectie, de winning, de behandeling en de opslag van mineralen en de exploitatie van groeven;
2° winningsindustrieën : alle ondernemingen die zich bezighouden met de bovengrondse of ondergrondse winning van mineralen voor commerciële doeleinden, met inbegrip van de winning door middel van het boren van boorputten of behandeling van het gewonnen materiaal;
3° terrein : alle land op een afzonderlijke geografische locatie onder de beheerscontrole van een exploitant;
4° exploitant : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het beheer van winningsafval, tevens voor de tijdelijke opslag van winningsafval, alsmede voor de exploitatiefasen en de fase na sluiting;
5° niet-verontreinigde bodem : grond die tijdens de winning is verwijderd van de bovenste laag van de bodem en die conform het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering niet verontreinigd is;
6° minerale bron of mineraal : een van nature voorkomende afzetting in de aardkorst van een organische of anorganische stof, zoals brandstoffen, metaalertsen, industriële mineralen en mineralen voor de bouwsector, uitgezonderd water;
7° behandeling : een mechanisch, fysisch, biologisch, thermisch of chemisch proces of een combinatie van dergelijke processen die op minerale bronnen worden uitgevoerd, met inbegrip van de exploitatie van groeven met de bedoeling het mineraal te extraheren, inclusief het wijzigen van de grootte ervan, het classificeren, het scheiden en uitlogen, en het opnieuw verwerken van eerder weggegooid afval, maar exclusief smelten, thermische productieprocessen (exclusief de verbranding van kalksteen), of metallurgische processen;
8° inert afval : afval dat geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaat. Inert afval lost niet op, verbrandt niet en vertoont ook geen andere fysische of chemische reacties, het wordt niet biologisch afgebroken en heeft geen zodanige nadelige effecten op andere stoffen waarmee het in contact komt dat milieuverontreiniging of schade aan de menselijke gezondheid dreigt te ontstaan. De totale uitloogbaarheid en het gehalte aan vervuilende componenten van het afval en de ecotoxiciteit van het percolaat mogen niet significant zijn en mogen vooral de kwaliteit van het oppervlaktewater of grondwater niet in gevaar brengen;
9° percolaat : elke vloeistof die door de gestorte afvalstoffen sijpelt en afkomstig is uit een afvalvoorziening of zich daarin bevindt, met inbegrip van verontreinigd afvoerwater dat, als het niet op de juiste wijze wordt behandeld, nadelige effecten op het milieu kan hebben;
10° afvalvoorziening : een terrein dat is aangewezen voor het verzamelen of storten van winningsafval, ongeacht of dat afval zich in vaste vorm, in een oplossing, in een suspensie, of in een vloeibare toestand bevindt, gedurende de volgende termijnen :
a) geen termijn voor afvalvoorzieningen van categorie A en voorzieningen voor in het afvalbeheersplan als gevaarlijk gekarakteriseerd afval;
b) een termijn van meer dan zes maanden voor voorzieningen voor gevaarlijk afval dat onverwacht wordt gegenereerd;
c) een termijn van meer dat één jaar voor voorzieningen voor niet-gevaarlijk niet-inert afval;
d) een termijn van meer dan drie jaar voor voorzieningen voor niet-verontreinigde grond, niet-gevaarlijk afval uit prospectie, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en inert afval.
Tot dergelijke voorzieningen worden dammen of andere structuren gerekend voor het bevatten, vasthouden, beperken of anderszins ondersteunen van een dergelijke voorziening, alsmede, maar niet uitsluitend, afvalbergen en bekkens, maar met uitzondering van uitgravingen waarin afval wordt teruggeplaatst na extractie van het mineraal met het oog op rehabilitatie- en bouwdoeleinden;
11° afvalvoorziening van categorie A : een afvalvoorziening, ingedeeld in categorie A overeenkomstig bijlage 5.2.6.3;
12° zwaar ongeval : een gebeurtenis op het terrein tijdens een exploitatie die het beheer van afval in een onder deze richtlijn begrepen inrichting omvat, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd, op het terrein of daarbuiten, ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens of het milieu ontstaat;
13° off-shore : het deel van de zee en de zeebodem dat zich vanaf de laagwaterlijn bij normaal of gemiddeld tij zee-inwaarts uitstrekt;
14° afvalberg : een aangelegde voorziening voor het storten van vast afval op het aardoppervlak;
15° dam : een aangelegde structuur die tot doel heeft water en afval binnen een bekken vast te houden of in op te sluiten;
16° bekken : een natuurlijke of aangelegde voorziening voor het storten van fijnkorrelig afval, doorgaans tailings, samen met wisselende hoeveelheden vrij water, afkomstig van de behandeling van minerale bronnen, en het zuiveren en recyclen van proceswater;
17° tailings : de vaste afvalstoffen en de slurries die achterblijven na de behandeling van mineralen door middel van scheidingsprocessen, bijvoorbeeld verbrijzelen, malen, sorteren naar grootte, flotatie en andere fysisch-chemische technieken, waarbij de waardevolle mineralen worden gescheiden van het minder waardevolle gesteente;
18° rehabilitatie : de behandeling van het land dat nadelige invloed heeft ondervonden van een afvalvoorziening, op een zodanige manier dat het land weer in een bevredigende toestand wordt gebracht, en met speciale aandacht voor de bodemkwaliteit, in het wild levende dieren, de natuurlijke habitats, de zoetwatersystemen, het landschap en toepasselijk gunstig gebruik;
19° prospectie : het zoeken naar economisch winbare ertslagen, tevens inhoudende bemonstering, bulkbemonstering, boren en graven, maar geen werkzaamheden in de ontwikkelingsfase die voorafgaat aan de productiefase van dergelijke lagen, noch activiteiten die rechtstreeks verbonden zijn met bestaande winning;
20° in zwak zuur scheidbaar cyanide : cyanide en cyanideverbindingen die kunnen worden gescheiden door of met behulp van een zwak zuur bij een bepaalde pH;
21° gevaarlijke stof : een stof, mengsel of preparaat dat gevaarlijk is in de zin van deel II van bijlage 7 bij titel I van het VLAREM;
22° competente persoon : een natuurlijke persoon die over de technische kennis en ervaring beschikt om de taken uit te voeren die uit afdeling 5.2.6 voortvloeien.

DEFINITIES ELEKTROMAGNETISCHE GOLVEN (hoofdstuk 2.14 en 6.10)

1°afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven : de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheersing, Milieu & Gezondheid van het departement, zoals bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;
2° BIPT : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie;
3° gemiddeld effectief uitgestraald vermogen : het gemiddelde vermogen over een willekeurige periode van zes minuten dat aan de zendantenne wordt geleverd, vermenigvuldigd met de maximale antennewinst ten opzichte van een standaarddipoolzendantenne;
4° grenswaarde : de elektrische veldsterkte, uitgedrukt in volt per meter (V/m), die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mag worden overschreden;
5° veiligheidszone : een zone rond een vast opgestelde zendantenne die tot stand gebracht wordt door de exploitant en die niet vrij toegankelijk is voor het publiek. Onder publiek wordt verstaan elke natuurlijke persoon die niet op de hoogte is van de mogelijke gezondheidsrisico's van een blootstelling aan de elektromagnetische golven van een vast opgestelde zendantenne, of die zich er niet van bewust is dat op een bepaalde locatie een of meer vast opgestelde zendantennes aanwezig zijn, of die niet de mogelijkheid heeft zich eenvoudig te onttrekken aan de blootstelling van de elektromagnetische golven van een of meer vast opgestelde zendantennes;
6° zendantenne : een element dat elektromagnetische golven uitzendt met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz;
7° vast opgestelde zendantenne : een zendantenne die op permanente wijze op een vaste drager geplaatst wordt. Dat kan zowel een individuele zendantenne zijn als een combinatie van zendantennes van dezelfde exploitant die dicht bij elkaar zijn opgesteld, die dezelfde geografische zone dekken en die gebruikt worden voor dezelfde toepassingen. Monoband- en multibandzendantennes die ontwikkeld zijn om tegelijkertijd elektromagnetische golven voor N verschillende technologieën (zoals gsm, DCS en UMTS) uit te zenden, worden beschouwd als N afzonderlijke vast opgestelde zendantennes;
8° mobiele zendantenne : een zendantenne die draagbaar of eenvoudig verplaatsbaar is en gebruikt kan worden terwijl ze in beweging is of stilstaat op om het even welke locatie;
9° tijdelijk opgestelde zendantenne : een zendantenne die op één bepaalde geografische locatie is opgericht om te voldoen aan een tijdelijke behoefte gedurende maximaal twee weken;
10° conformiteitsattest : attest dat, als de elementen in de aanvraag voor dit attest de werkelijke situatie weergeven, certificeert dat de in de aanvraag vermelde vast opgestelde zendantennes van dezelfde exploitant op dezelfde geografische locatie voldoen aan de bepalingen van deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, en deel 6, hoofdstuk 6.10, afdeling 6.10.2;
11° Egem, 6 min : gemiddelde (RMS) elektrische veldsterkte over een willekeurige periode van zes minuten, uitgedrukt in V/m;
12° bestaande vast opgestelde zendantenne : elke vast opgestelde zendantenne die voor de inwerkingtreding van deel 2, hoofdstuk 2.14, en deel 6, hoofdstuk 6.10, in bedrijf is gesteld;
13° azimut : de richting waarin de vast opgestelde zendantenne het grootste deel van het vermogen uitzendt (0°= noorden, 90°= oosten, 180°= zuiden, 270°= westen). Voor omnidirectionele zendantennes (zendantennes die in elke richting evenveel uitzenden) heeft de opgave van een azimut geen zin;
14° tilt : de hoek ten opzichte van het horizontale vlak waarin de zendantenne het meeste vermogen uitzendt;
15° horizontale openingshoek : hoek in het horizontale vlak waarin het meeste vermogen uitgezonden wordt;
16° verticale openingshoek : hoek in het verticale vlak waarin het meeste vermogen uitgezonden wordt;
17° winst : het quotiënt van de stralingsintensiteit in het vrije veld van een zendantenne in een bepaalde richting ten opzichte van de stralingsintensiteit die onder gelijke omstandigheden geproduceerd zou worden door een hypothetische ideale zendantenne die in alle richtingen evenveel straalt (isotrope zendantenne). Als geen specifieke richting is opgegeven, is dit de grootst mogelijke quotiënt over alle richtingen;
18° verandering aan een vast opgestelde zendantenne : elke wijziging van de technische karakteristieken (bijvoorbeeld azimut, afmetingen, hoogte vanaf het grondniveau tot het midden van de zendantenne, frequentie, het aan de antenne geleverde maximale vermogen, tilt, horizontale openingshoek, verticale openingshoek, stralingspatroon en winst) van een vast opgestelde zendantenne;
19° verblijfplaats : een plaats die voldoet aan een of meer van de volgende beschrijvingen :
a) lokaal van een gebouw waar personen kunnen verblijven, zoals lokalen van woningen, scholen, crèches, ziekenhuizen, rust- en verzorgingstehuizen;
b) bedrijfsruimte waar werknemers zich regelmatig bevinden;
c) speelplaatsen van scholen;
20° enkelvoudig SAR : het specifieke absorptietempo van een vast opgestelde zendantenne. Het specifieke absorptietempo is de hoeveelheid elektromagnetische energie die per tijdseenheid en per massa wordt geabsorbeerd.

DEFINITIES WINDTURBINES (afdeling 5.20.6)

1° « slagschaduw » :
schaduw die afkomstig is van een bewegende rotor van een windturbine als de intensiteit van het ingestraalde zonlicht hoger is dan 120 W/m2 op een vlak loodrecht op de invalsrichting van de zon;
2° « verwachte slagschaduw » :
het aantal uren slagschaduw dat aan de hand van de aannames, vermeld in punt F14 van de toelichtingsbijlage bij de aanvraag van een milieuvergunning, vervat in bijlage 4B van titel I van het VLAREM, verwacht mag worden;
3° « effectieve slagschaduw » :
het aantal uur slagschaduw dat effectief ter hoogte van een relevant slagschaduwgevoelig object opgetreden is, bepaald op basis van metingen of bepaald uit het logboek van de turbines;
4° « slagschaduwgevoelig object » :
een binnenruimte waar slagschaduw van windturbines hinder kan veroorzaken;
5° « slagschaduwkalender » :
een overzicht waarin voor elke dag van een jaar de tijdsspanne met de astronomisch maximaal mogelijke slagschaduwduur weergegeven wordt.

HOOFDSTUK 1.2. WIJZIGINGSBEVOEGDHEDEN EN HET VERLENEN VAN AFWIJKINGEN

Afdeling 1.2.1. Wijzigingsbevoegdheden
Art. 1.2.1.1.

De bepalingen, opgenomen in de bijlagen bij dit besluit, met betrekking tot meet- en analy-semethodes en codes van goede praktijken kunnen door de Vlaamse minister gewijzigd worden.

Afdeling 1.2.2. Individuele afwijkingsmogelijkheden voor alle inrichtingen
Art. 1.2.2.1.

§ 1. De Vlaamse minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan op de milieuvoorwaarden uit dit besluit, mits de aanvrager het bepaalde in het art. 4.1.2.1. naleeft.

In zoverre de bepalingen waarop de afwijking betrekking heeft tevens zijn opgelegd in de milieuvergunning, geldt ze ook voor deze vergunningsvoorwaarden.

§ 2. Deze afwijkingen kunnen slechts worden toegestaan voor maximaal twintig jaar. Zij vervallen in elk geval zodra de geldigheidsduur verstrijkt van de milieuvergunning waarop zij betrekking hebben of van de milieuvergunning die op grond van die afwijking is verleend.

§ 3. Deze afwijkingen kunnen geen versoepeling inhouden van de in dit besluit vastgestelde emissiegrenswaarden, met uitzondering van de algemene emissiegrenswaarden voor lucht vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM, voor zover deze afwijkingsmogelijkheid expliciet in deze bijlage is aangegeven.

§ 4. De vergunningverlenende overheid kan in de milieuvergunning slechts die afwijkingen opnemen die voor de datum van indiening van de vergunningsaanvraag waren toegestaan.

Art. 1.2.2.1bis.

De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.1, kan alleen worden toegestaan als aan volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° er zijn technische redenen die de afwijking motiveren;
2° de exploitant stelt maatregelen voor die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan de afwijking wordt toegestaan;
3° de maatregelen, vermeld in punt 2°, beantwoorden aan de beste beschikbare technieken.

Art. 1.2.2.2.

§ 1. De in art. 1.2.2.1. bedoelde individuele afwijking moet schriftelijk worden aangevraagd door de exploitant van de inrichting. De aanvraag die bij aangetekende brief bij de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen wordt ingediend, omvat de volgende elementen :
1° de vermelding van de voorwaarden en de artikelen waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
2° de technische redenen die de afwijking motiveren;
3° een voorstel van maatregelen die van aard zijn gelijkwaardige waarborgen te bieden voor de bescherming van de mens en van het leefmilieu als de voorwaarden waarvan gevraagd wordt te mogen afwijken;
4° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de beste beschikbare technieken.

§ 2. ...

Art. 1.2.2.3.

Bijzondere afwijkingsmogelijkheden voor sommige inrichtingen ingedeeld in de derde klasse.

Op de algemene en per categorie van inrichting geldende milieuvoorschriften van dit besluit (de delen 4 en 5), kunnen voor in de derde klasse ingedeelde inrichtingen individuele afwijkingen worden toegestaan door het College van Burgemeester en Schepenen. Deze afwijkingsbevoegdheid geldt slechts indien ze in de desbetreffende hoofdstukken uitdrukkelijk is voorzien ten aanzien van vergunningsplichtige inrichtingen.

[Afdeling 1.2.2bis. Individuele afwijkingen op de BBT-GEN voor GPBV-installaties (ing. BVR 7 juni 2013, art. 41, I: 20 september 2013)]
Art. 1.2.2bis.1.

In afwijking van artikel 1.2.2.1, § 3, kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, voor de exploitatie van GPBV-installaties, in afwijking van artikel 30bis, § 10, van titel I van het VLAREM, en met behoud van de toepassing van artikel 30bis, § 4, van titel I van het VLAREM, in specifieke gevallen bij gemotiveerd besluit een individuele afwijking toestaan op de BBT-GEN bepaald in de door de Europese Commissie aangenomen BBT-conclusies.

Voor zover de emissiegrenswaarden waarop de afwijking betrekking heeft, ook in de milieuvergunning zijn opgelegd, geldt de afwijking ook voor die milieuvergunningsvoorwaarden.

Art. 1.2.2bis.2.

De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, wordt toegestaan tot een van de volgende gevallen zich voordoet :
1° de termijn van de milieuvergunning waarop ze betrekking heeft, verstrijkt;
2° de termijn, vermeld in het besluit tot afwijking, verstrijkt;
3° na de toetsing, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, een beslissing tot wijziging of aanvulling van de bijzondere voorwaarden wordt genomen met toepassing van de procedure vermeld in artikel 45 van titel I van het VLAREM die strijdig is met de emissiegrenswaarden die in het besluit tot afwijking zijn toegestaan.

Art. 1.2.2bis.3.

De afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, kan alleen worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° uit een beoordeling blijkt dat het behalen van de BBT-GEN zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van minstens een van de volgende oorzaken :
a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
2° de emissiegrenswaarden zijn niet hoger dan de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 1.2.2bis;
3° er wordt gewaarborgd dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt.

Art. 1.2.2bis.4.

De individuele afwijking, vermeld in artikel 1.2.2bis.1, wordt in drie exemplaren schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de GPBV-installatie. De aanvraag, die met een aangetekende brief bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, wordt ingediend, omvat de volgende elementen :
1° de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot emissiegrenswaarden en de artikelen uit titel II van het VLAREM waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
2° een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken :
a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
3° een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 1.2.2bis;
4° een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;
5° een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 18 van titel I van het VLAREM.

[Afdeling 1.2.2ter. Procedure voor de individuele afwijkingen die door de minister worden toegestaan (ing. BVR 7 juni 2013, art. 41, I: 20 september 2013)]
Art. 1.2.2ter.1.

§ 1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, gaat na of de aanvraag tot afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

§ 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, stuurt het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek met een aangetekende brief aan de aanvrager, binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat de dag nadat de aanvraag werd ingediend.

Als de aanvraag onontvankelijk wordt bevonden, worden de redenen van de onontvankelijkheid vermeld.

Als de aanvraag onvolledig wordt bevonden, worden de gegevens en inlichtingen die ontbreken of die nadere toelichting vereisen, vermeld.

§ 3. Bij gebrek aan schriftelijke kennisgeving van het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek aan de aanvrager binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, wordt de afwijkingsaanvraag geacht ontvankelijk en volledig te zijn.

De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat aan uiterlijk op de elfde dag na de dag waarop het aanvraagdossier, vermeld in de artikelen 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig wordt verklaard overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 2, of dit wordt geacht te zijn overeenkomstig artikel 1.2.2ter.1, § 3.

Art. 1.2.2ter.2.

§ 1. Voor afwijkingsaanvragen, vermeld in artikel 1.2.2.2 die inplantingsregels betreffen en voor afwijkingsaanvragen, vermeld in artikel 1.2.2bis.4, zendt de gewestelijke milieuvergunningscommissie, op de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag ontvankelijk en volledig is bevonden, één exemplaar van de afwijkingsaanvraag samen met de bijlagen aan de bevoegde burgemeester, met de opdracht om een openbaar onderzoek in te stellen.

§ 2. Het openbaar onderzoek over een afwijkingsaanvraag, vermeld in paragraaf 1, omvat :

1° het op bevel van de bevoegde burgemeester aanplakken van afwijkingsaanvraag gedurende een periode van dertig dagen volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 17 van titel I van het VLAREM. In afwijking van voormelde bepaling wordt het bericht van bekendmaking evenwel opgesteld naar het model dat als bijlage 8quater bij dit besluit is gevoegd.

De periode van dertig dagen vermeld in het eerste lid, vangt aan op de dag volgend op de dag dat tot het aanplakken van de beslissing werd overgegaan.

2° het op bevel van de bevoegde burgemeester ter inzage leggen van de afwijkingsaanvraag gedurende dezelfde periode van dertig dagen bij de diensten van het gemeentebestuur.

3° het door de bevoegde burgemeester schriftelijk ter kennis brengen van de afwijkingsaanvraag aan :
a) de eigenaars van de lijst, vermeld in artikel 5, § 4, van titel I van het VLAREM, en aan de gebruikers van de gebouwen gelegen in een straal van 100 m rond de perceelsgrenzen van de inrichting voor zover deze gelegen zijn in dezelfde gemeente als de inrichting; indien één of meer van de kadastrale percelen of gebouwen binnen deze straal gelegen zijn op het grondgebied van een naburige gemeente, wordt de afwijkingsaanvraag schriftelijk ter kennis gebracht aan het college van burgemeester en schepenen van deze gemeente dat op zijn beurt de voormelde gebruikers van de gebouwen en eigenaars binnen de vermelde straal in kennis stelt;
b) het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk, van elke onderneming gelegen in een straal van 100 m rond de inrichting;
c) de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid;
d) openbare besturen die belast zijn met het beheer van een verkeersweg, een waterloop of een instelling binnen een straal van 100 m;

4° de bekendmaking van het openbaar onderzoek in opdracht van de bevoegde burgemeester, in minimum twee dag- en/of weekbladen waarvan één met regionaal karakter of in minstens een dag- of weekblad met regionaal karakter en op een voor bekendmakingen geëigende en opvallende plaats op de website van de gemeente.

§ 3. De termijn van dertig kalenderdagen, vermeld in paragraaf 2, vat uiterlijk aan op de elfde dag na de verklaring tot ontvankelijkheid en volledigheid van het aanvraagdossier van de afwijking, vermeld in artikel 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4.

Art. 1.2.2ter.3.

Voor afwijkingsaanvragen waarvoor overeenkomstig artikel 1.2.2ter.2, § 1, een openbaar onderzoek vereist is, verzendt de burgemeester het dossier, vermeld in artikel 19 van titel I van het VLAREM, binnen een termijn van tien kalenderdagen na het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen van het openbaar onderzoek, aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM.

Art. 1.2.2ter.4.

Op de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is bevonden, zendt de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, drie afschriften van de afwijkingsaanvraag aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM, met het verzoek om advies over de aanvraag te verstrekken.

De voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie of de secretaris van de commissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM, verzoekt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, om advies te verstrekken.

De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen kan als ze dat noodzakelijk acht, het advies inwinnen van de overheidsorganen, vermeld in artikel 20 van titel I van het VLAREM. In het geval van een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2bis.4, wint ze het advies in van de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer. Die overheidsorganen verlenen hun advies binnen een termijn van dertig kalenderdagen. Als het gevraagde subadvies niet binnen de bovengenoemde termijn van dertig kalenderdagen is uitgebracht, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Art. 1.2.2ter.5.

De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, binnen een termijn van zes maanden na de dag van de verzending van de brief waarin wordt meegedeeld dat de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 en 1.2.2bis.4, ontvankelijk en volledig is bevonden.

De uitspraak van de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, omvat een beslissing waarbij rekening wordt gehouden met de bezwaren die tijdens het openbaar onderzoek werden geuit. Als de afwijking wordt toegestaan, maakt het besluit melding van de na te leven voorwaarden die gelijkwaardige waarborgen bieden voor de bescherming van de mens en het leefmilieu als de voorwaarden waarvoor de afwijking wordt toegestaan.

Art. 1.2.2ter.6.

§ 1. De beslissing over een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, of een afschrift ervan, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, binnen een termijn van 10 dagen na de datum van de beslissing met een aangetekende brief verzonden naar de bevoegde burgemeester met de opdracht tot bekendmaking ervan.

§ 2. De bevoegde burgemeester maakt de beslissing, vermeld in paragraaf 1, bekend gedurende een periode van dertig dagen die aanvangt op de dag volgend op de dag dat tot het aanplakken van de beslissing werd overgegaan.

De bekendmaking, vermeld in het eerste lid, omvat :
1° het op bevel van de bevoegde burgemeester aanplakken van de beslissing volgens de modaliteiten, vermeld in artikel 32, § 2, 1° en 2°, van titel I van het VLAREM. In afwijking van voormelde bepalingen wordt het bericht van bekendmaking evenwel opgesteld naar het model dat als bijlage 10quater bij dit besluit is gevoegd.
2° het op bevel van de bevoegde burgemeester ter inzage leggen van de beslissing, bij de diensten van het gemeentebestuur;

§ 3. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, wordt de beslissing over een afwijkingsaanvraag, waarvoor overeenkomstig artikel 1.2.2ter.2, § 1, een openbaar onderzoek vereist is door de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, via het internet ter beschikking gesteld van het publiek.

Art. 1.2.2ter.7.

Een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing over een afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.2.2.2 of 1.2.2bis.4, wordt door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, of de gemachtigde ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, op dezelfde dag dat tot de verzending van de beslissing aan de burgemeester, vermeld in artikel 1.2.2ter.6, § 1, wordt overgegaan, met een aangetekende brief of bij afgifte tegen ontvangstbewijs, aan :
1° de exploitant;
2° de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in artikel 26 van titel I van het VLAREM;
3° de overheidsorganen die overeenkomstig artikel 1.2.2ter.4 om advies zijn verzocht;
4° de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving;
5° de deputatie van de provincieraad van de provincie waartoe de percelen van de inrichting behoren;
6° de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg de Technische Inspectie van de Administratie voor Arbeidsveiligheid;
7° het comité voor preventie en bescherming op het werk, vermeld in het koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende de opdrachten en de werking van de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk;
8° indien het gaat om een inrichting waarvoor een veiligheidsrapport is vereist, de dienst van de Civiele Bescherming gelast met de opstelling van het rampenplan bedoeld in artikel 7, § 2, van de wet van 21 januari 1987 inzake de risico's van zware ongevallen bij bepaalde industriële activiteiten.

Afdeling 1.2.3. Verlenen van afwijkingen op algemene of per categorie van inrichtingen geldende voorwaarden
Art. 1.2.3.1.

§ 1. Een wijziging van de voorwaarden bepaald in de delen 4, 5 en 6 van dit besluit kan, voor een bepaalde sector of categorie van inrichtingen, worden aangevraagd door één of meer van de representatieve or-ganisaties, vertegenwoordigd in de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, door deze Raad zelf, door één of meer van de milieu- en natuurverenigingen vertegenwoordigd in de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, of door deze Raad zelf.

§ 2. De met redenen omklede aanvraag wordt ingediend bij de Vlaamse minister. Deze wint het advies in van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Behoudens wanneer de aanvraag uitgaat van de betrokken Raad zelf, wordt de aanvraag tot wijziging eveneens voor advies voorgelegd aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen en aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.

§ 3. Na de adviezen bedoeld in § 2 te hebben ingewonnen, legt de Vlaamse minister de aanvraag voor aan de Vlaamse Regering, die erover beslist bij met redenen omkleed besluit.

Afdeling 1.2.4. Vroeger toegestane afwijkingen
Art. 1.2.4.1.

De vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit toegestane afwijkingen van de bepalin-gen van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming of van andere reglementaire bepalingen, met inbegrip van het Besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement inzake milieuvoorwaarden voor Hinderlijke Inrichtingen, blijven tot het einde van de vergunningstermijn van toepassing overeenkomstig de voorwaarden in de afwijkingsbesluiten.

Deze besluiten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouders.

HOOFDSTUK 1.3. ERKENDE MILIEUDESKUNDIGEN

Afdeling 1.3.1. Algemene bepalingen
Art. 1.3.1.1.

§ 1. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses, als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder :
1° een milieudeskundige in de discipline grondwater : een laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van grondwater;
2° een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater :
a) een laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot dit besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van afvalwater;
b) een laboratorium in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van oppervlaktewater;
3° een milieudeskundige in de discipline lucht : een laboratorium in de discipline lucht, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
4° een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie : een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
5° een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen : een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu of gevaarlijke stoffen.

Niemand mag die monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses uitvoeren zonder daarvoor in het bezit te zijn van een erkenning, in voorkomend geval als vermeld in :
1° in bijlage 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline water;
2° in bijlage 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline lucht;
3° in bijlage 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.

§ 2. Voor het uitvoeren van akoestische onderzoeken en het opstellen en het begeleiden van saneringsplannen als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt met een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen bedoeld : een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

§ 3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder een milieudeskundige in de discipline afval of bodem : een laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen of in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het VLAREL.

§ 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° milieudeskundige in de discipline elektrische installaties : erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het AREI;
2° milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk : instanties als vermeld in het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen;
3° milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas : erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats.

Afdeling 1.3.2. Erkenningsvoorwaarden en -procedure
Art. 1.3.2.1.

...

Art. 1.3.2.2.

...

Art. 1.3.2.3.

...

Afdeling 1.3.3. Verplichtingen van de erkende milieudeskundige
Art. 1.3.3.1.

...

Art. 1.3.3.2.

...

[Afdeling 1.3.4. Overheidslaboratoria]
Art. 1.3.4.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht, Milieu en Communicatie, wordt erkend voor het uitbouwen en exploiteren van meetnetten voor het meten van de verontreiniging van de omgevingslucht en het bewaken van de luchtkwaliteit als vermeld in artikel 2.2.6 en 10.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Hierbij gaat het om het exploiteren en het meten van de verontreiniging van de omgevingslucht in het kader van de volgende meetnetten:
1° telemetrisch meetnet lucht, voor de voortgangsbewaking van de algemene luchtkwaliteit voor luchtverontreinigende stoffen, inzonderheid: SO2, NO, NO2, O3, CO, CO2, BTEX, VOS, bemonstering en gravimetrische bepaling van stofdeeltjes, de continue meting van stofdeeltjes met specifieke grootte-karakteristiek;
2° lokale meetnetten in gebieden met acute lokale problemen van luchtverontreiniging, inzonderheid: SO2, H2S, organi-sche zwavelverbindingen, NO, NO2, O3, CO, CO2, BTEX, VOS, bemonstering en analyse zwarte rook volgens de OESO-methode, bemonstering en gravimetrische bepaling van stofdeeltjes, de continue meting van stofdeeltjes met specifieke grootte-karakteristiek;
3° mobiele metingen van luchtverontreiniging voor luchtverontreinigende stoffen, inzonderheid: SO2, H2S, organische zwavelverbindingen, NO, NO2, O3, CO, CO2, BTEX, VOS, totaal koolwaterstoffen en totaal stofgehalte;
4° meetnet voor zware metalen in zwevend stof, inzonderheid: As, Cd, Cu, Ni, Pb, Sb en Zn;
5° meetnet voor zware metalen in neervallend stof, inzonderheid: As, Cd, Cu, Ni, Pb en Zn;
6° depositienet verzuring voor de bepaling van anorganische stoffen in de omgevingslucht, in droge, natte en totale depositie, inzonderheid: ammoniak, ammonium, calcium, chloriden, fluoriden, kalium, magnesium, natrium en sulfaten;
7° meetnetten voor de bepaling van organische stoffen in de omgevingslucht, in droge, natte en totale depositie, inzonderheid: PAK's, nitro-aromatische koolwaterstoffen, VOS, en ZVOS;

Art. 1.3.4.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM), afdeling Lucht, Milieu en Communicatie:
1° maakt jaarlijks een verslag op over de geleverde prestaties en de interne kwaliteitszorg, en stuurt dit aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen;
2° neemt deel, rechtstreeks of via de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL), aan de door het referentie-laboratorium van de EU georganiseerde externe kwaliteitscontroles inzake meetnetten voor de luchtkwaliteit; de resultaten van deze activiteiten worden opgenomen in het jaarverslag, bedoeld in 1°.

Art. 1.3.4.3.

Als referentiestandaard voor immissiemetingen als vermeld in artikel 1.3.4.1, gelden de ijkbank van de Vlaamse Milieumaatschappij en de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL).

DEEL 2 MILIEUKWALITEITSNORMEN EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE

HOOFDSTUK 2.1. ALGEMENE BEPALINGEN

Art. 2.1.1.

§ 1. De in dit deel vastgestelde milieukwaliteitsnormen bepalen, tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven, de kwaliteitseisen waaraan het betrokken onderdeel van het milieu in heel het Vlaamse Gewest moet voldoen.

§ 2. De in dit deel opgenomen beleidstaken hebben betrekking op een aantal van de taken die de overheid moet waarnemen om de gestelde kwaliteitsnormen te handhaven of te realiseren (zoals op het vlak van het vergunningen-beleid), op gegevensinventarisatie, op informatieverstrekking en op communicatie aan de EU-commissie of aan andere lid-staten.

§ 3. De beleidstaken met betrekking tot de gegevensinventarisatie, de informatieverstrekking en de communicatie aan de EU-commissie of aan andere lid-staten worden waargenomen door de minister, mits voorbereiding door de vermelde administraties.

Art. 2.1.2.

De in dit deel vastgestelde milieukwaliteitsnormen worden door de overheid gehanteerd bij het plannen en bij het realiseren van haar beleid.

Art. 2.1.3.

De duurzame ontwikkeling en de bescherming van een gezond leefmilieu, zijn algemene ba-sismilieukwaliteitsnormen.

HOOFDSTUK 2.2. MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR GELUID EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE

Art. 2.2.0.1.

De milieukwaliteitsnormen voor geluid worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 18 juli 1973 op de geluidshinder.

Afdeling 2.2.1. Milieukwaliteitsnormen en richtwaarden voor geluid in open lucht
Art. 2.2.1.1.

De in bijlage 2.2.1. aangegeven waarden in dB(A) gelden als milieukwaliteitsnormen voor het LA95,1h-niveau van het omgevingsgeluid in open lucht.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden deze waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid van een inrichting wordt getoetst.

Afdeling 2.2.2. Richtwaarden voor binnenshuis waargenomen geluid
Art. 2.2.2.1.

(verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 9) ] Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken gelden de in bijlage 2.2.2. aangegegeven waarden in dB(A) als richtwaarden voor binnenshuis waaraan het specifieke geluid van een inrichting wordt getoetst.

[Afdeling 2.2.3. Milieukwaliteitsnormen voor omgevingslawaai]
Art. 2.2.3.1.

§ 1 Overeenkomstig artikel 2.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, kan de Vlaamse Regering milieukwaliteitsnormen vaststellen voor omgevingslawaai.

§ 2. De Vlaamse Regering kan bijzondere milieukwaliteitsnormen vaststellen voor stiltegebieden en probleemzones, zoals vastgesteld in de strategische geluidsbelastingkaarten.

§ 3. Bijzondere milieukwaliteitsnormen kunnen uitgewerkt worden naargelang van de omgeving of de gevoeligheid van de bevolkingsgroep, naargelang het gaat om bestaande of nieuwe situaties en naargelang van het type omgevingslawaai. (ing. B.V.R. 22 juli 2005, art. 3, I: 10 september 2005) ]

[Afdeling 2.2.4. Beleidstaken betreffende de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai
[Subafdeling 2.2.4.1. Doelstelling]
Art. 2.2.4.1.1.

Deze afdeling heeft als doelstelling het omgevingslawaai en de hieruit voortkomende geluidshinder en schadelijke effecten te vermijden, te voorkomen of te verminderen en een goede geluidskwaliteit te bewaren.

Ter evaluatie en beheersing van het omgevingslawaai worden de volgende maatregelen getroffen:

1° het opstellen van geluidsbelastingkaarten en strategische geluidsbelastingkaarten;

2° het opmaken van een geluidsplanning en het opstellen van geluidsactieprogramma's op basis van de geluidsbelastingkaarten;

3° het voorlichten van het publiek. (ing. B.V.R. 22 juli 2005, art. 4, I: 10 september 2005) ]


[uitvoering: uitvoering ]

[Subafdeling 2.2.4.2. Uitvoering en verantwoordelijkheden]
Art. 2.2.4.2.1.

Met het oog op de uitvoering van de doelstelling, bedoeld in artikel 2.2.4.1.1, zorgt het bestuur voor:

1° het opstellen van lijsten met de agglomeraties, belangrijke wegen, belangrijke spoorwegen en belangrijke luchthavens;

2° het opstellen of laten opstellen van geluidsbelastingskaarten en strategische geluidsbelastingskaarten;

3° het opstellen van de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's;

4° het voorstellen van beperkingsmaatregelen aan de Vlaamse Regering in geval van overschrijding van de toepasselijke milieukwaliteitsnormen voor omgevingslawaai;

5° de samenwerking met de andere gewesten en de buurlanden voor de zones die grenzen aan hun grondgebied;

6° de raadpleging van het publiek over de voorgestelde geluidsplanning en geluidsactieprogramma's. (ing. B.V.R. 22 juli 2005, art. 4, I: 10 september 2005) ]

[Subafdeling 2.2.4.3. Strategische geluidsbelastingkaarten]
Art. 2.2.4.3.1.

§ 1. Uiterlijk op 30 juni 2007 keurt de Vlaamse Regering, op voorstel van het bestuur, voor agglomeraties met meer dan 250.000 inwoners, voor belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan zes miljoen voertuigen passeren, voor belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 60.000 treinen passeren en voor belangrijke luchthavens, de strategische geluidsbelastingkaarten goed over de situatie in het voorgaande kalenderjaar.

§ 2. Uiterlijk op 30 juni 2012, keurt de Vlaamse Regering, op voorstel van het bestuur, voor agglomeraties met meer dan 100.000 inwoners, voor belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan drie miljoen voertuigen passeren en voor belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren de strategische

geluidsbelastingkaarten goed over de situatie in het voorgaande kalenderjaar.

§ 3. De strategische geluidsbelastingkaarten worden opgesteld en herzien op basis van minstens de geluidsbelastingsindicatoren Lden en Lnight als omschreven in Bijlage 2.2.4.1 van dit besluit en moeten voldoen aan de minimumeisen vermeld in Bijlage 2.2.4.4.van dit besluit.

§ 4. Voor speciale gevallen als genoemd in bijlage 2.2.4.1.(punt 3.) kunnen aanvullende geluidsbelastingsindicatoren gebruikt worden. Voor luchtverkeer wordt ook rekening gehouden met geluidspieken. Zowel aantal en niveau als een combinatie van beide worden in aanmerking genomen.

§ 5. De waarden van de gebruikte geluidsbelastingindicatoren Lden en Lnight worden bepaald aan de hand van de in Bijlage 2.2.4.2. van dit besluit omschreven bepalingsmethoden.

§ 6. De schadelijke effecten worden minimaal bepaald aan de hand van de in Bijlage 2.2.4.3. van dit besluit bedoelde dosis/effectrelaties. Voor speciale gevallen als genoemd in bijlage 2.2.4.1 (punt 3.) kunnen aangepaste dosis/effectrelaties gebruikt worden.

§ 7. Onverminderd de regeling voor luchthavens worden de strategische geluidsbelastingkaarten en de daarmee samenhangende geluidsplanning minstens om de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van hun opstelling, geëvalueerd en zo nodig aangepast. (ing. B.V.R. 22 juli 2005, art. 4, I: 10 september 2005) ]

[Subafdeling 2.2.4.4. Geluidsactieprogramma's]
Art. 2.2.4.4.1.

§ 1. Uiterlijk tegen 18 juli 2008, legt de Vlaamse Minister, op voorstel van het bestuur, de geluidsplanning en de geluidsactieprogramma's die bestemd zijn voor de beheersing van het omgevingslawaai:
a) op plaatsen nabij belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan zes miljoen voertuigen passeren, nabij belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 60000 treinen passeren en nabij belangrijke luchthavens;
b) in agglomeraties met meer dan 250000 inwoners;
ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor.

§ 2. Uiterlijk tegen 18 juli 2013, legt de Vlaamse Minister, op voorstel van het bestuur, de geluidsplanning en de geluidsactieprogramma's die bestemd zijn voor de beheersing van het omgevingslawaai op plaatsen nabij belangrijke wegen waarop jaarlijks meer dan 3 miljoen voertuigen passeren en belangrijke spoorwegen waarop jaarlijks meer dan 30.000 treinen passeren en in alle agglomeraties met meer dan 100.000 inwoners, ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor.

§ 3. Voor de geluidsplanning en de geluidsactieprogramma's kunnen andere geluidsbelastingsindicatoren worden gehanteerd dan Lden en Lnight.

§ 4. De geluidsactieprogramma's hebben onder meer tot doel de stiltegebieden in agglomeraties en stiltegebieden op het platteland te beschermen tegen een toename van geluidshinder.

§ 5. De uitgewerkte maatregelen zijn gericht op het oplossen van prioritaire problemen voortvloeiend uit de overschrijding van toepasselijke milieukwaliteitsnormen en zijn in de eerste plaats van toepassing op de belangrijkste zones zoals vastgesteld in de strategische geluidsbelastingkaarten.

§ 6. De geluidsactieprogramma's moeten voldoen aan de minimumeisen vermeld in Bijlage 2.2.4.5 van dit besluit.

§ 7. De geluidsactieprogramma's worden in geval van een belangrijke ontwikkeling die van invloed is op de geluidssituatie en in ieder geval om de vijf jaar na de datum van goedkeuring geëvalueerd en zo nodig aangepast.

§ 8. De geluidsactieprogramma's en elke wijziging en herziening ervan worden als volgt opgesteld :
1° het ontwerp van geluidsplanning en geluidsactieprogramma's worden door de Vlaamse minister na kennisgeving aan de Vlaamse Regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van een maand ter inzage gelegd bij het bestuur. Gedurende deze termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van het bestuur;
2° tegelijkertijd met de bekendmaking ervan wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van een maand na ontvangst van het ontwerp. Deze adviezen zijn niet bindend;
3° de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's worden vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Wanneer de regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies niet volgt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dit in een verslag, gevoegd bij de in punt 4 bedoelde bekendmaking;
4° de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en liggen met het oog op een degelijke informering, ter inzage bij het bestuur.

§ 9. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai.

[Subafdeling 2.2.4.5. Grensoverschrijdende samenwerking]
Art. 2.2.4.5.1.

Om de strategische geluidsbelastingkaarten, de geluidsplanning en geluidsactieprogramma's op te stellen voor de zones aan de grenzen van het grondgebied van het Vlaamse Gewest werkt het bestuur samen met de buurlanden of met de andere gewesten. (ing. B.V.R. 22 juli 2005, art. 4, I: 10 september 2005) ]

[Subafdeling 2.2.4.6. Indiening van informatie en verslagen]
Art. 2.2.4.6.1.

De Afdeling, bevoegd voor de geluidshinder zorgt er voor dat via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie volgende gegevens, haar verstrekt door het bestuur, worden toegezonden:
1° de door de Vlaamse Regering aangewezen diensten die de Afdeling, bevoegd voor de geluidshinder bijstaan en samen met deze afdeling het bestuur uitmaken tegen uiterlijk 18 juli 2005;
2°. de in artikel 2.2.4.3.1,§ 1, bedoelde wegen, spoorwegen, luchthavens en agglomeraties tegen uiterlijk 30 juni 2005;
3°. de in artikel 2.2.4.3.1,§ 2, bedoelde agglomeraties, wegen en spoorwegen tegen uiterlijk 31 december 2008;
4° de geldende of geplande milieukwaliteitsnormen voor het omgevingslawaai, ook voor de onderscheiden geluidsbronnen, uitgedrukt in geluidsbelastingindicatoren voor het omgevingslawaai, beschreven in bijlage 2.2.4.1., met een toelichting over de implementatie ervan, tegen uiterlijk 18 juli 2005.
5° de gegevens zoals omschreven in Bijlage 2.2.4.6. van dit besluit.

HOOFDSTUK 2.3. MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR OPPERVLAKTEWATEREN EN BE-LEIDSTAKEN TER ZAKE

Art. 2.3.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

Afdeling 2.3.1. [Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren en beleidstaken terzake (verv. BVR 21 mei 2010, art. 6)]
Art. 2.3.1.1.

Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG.

Als basismilieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de goede ecologische en de goede chemische toestand van oppervlaktewateren gelden de richtwaarden, vermeld in bijlage 2.3.1. In de stroomgebiedbeheerplannen wordt de beoordeling van de ecologische toestand ingedeeld in vijf klassen, namelijk « zeer goed », « goed », « matig », « ontoereikend » en « slecht ».

De oppervlaktewaterlichamen worden, overeenkomstig artikel 60, eerste lid, 1°, a), 2), 3) en 4), van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, in de stroomgebiedbeheerplannen en bekkenbeheerplannen ingedeeld in de volgende typen : « kleine beek », « kleine beek Kempen », « grote beek », « grote beek Kempen », « kleine rivier », « grote rivier », « zeer grote rivier », « zoete polderwaterloop », « brakke polderwaterloop », « zoet, mesotidaal laaglandestuarium », « zwak brak (oligohalien), macrotidaal laaglandestuarium », « brak, macrotidaal laaglandestuarium », « zout, mesotidaal laaglandestuarium », « circumneutraal, sterk gebufferd meer », « matig ionenrijk, alkalisch meer », « groot, diep, eutroof, alkalisch meer », « groot, diep, oligotroof tot mesotroof, alkalisch meer », « ionenrijk, alkalisch meer », « alkalisch duinwater », « zeer licht brak meer », « circumneutraal, zwak gebufferd meer », « circumneutraal, ijzerrijk meer », « sterk zuur meer », « matig zuur meer » en « sterk brak meer ».

Art. 2.3.1.2.

De basismilieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 2.3.1.1, gelden ook voor de oppervlaktewateren vermeld in afdeling 2.3.2, 2.3.3, 2.3.4 en 2.3.5, als ze de voor die wateren geldende, bijzondere milieukwaliteitsnormen aanvullen of verstrengen.

Art. 2.3.1.3.

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheer- of bekkenbeheerplannen, overeenkomstig artikelen 53, 54 en 56 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

Voor de sterk veranderde en kunstmatige waterlichamen, vermeld in artikel 52 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gelden de basismilieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 2.3.1.1, voor de beoordeling van de toestand. In afwijking hierop kunnen voor de volgende parameters andere milieukwaliteitsnormen worden bepaald in de stroomgebiedbeheer- of bekkenbeheerplannen : opgeloste zuurstof, elektrische geleidbaarheid, chloride, sulfaat, pH en alle biologische parameters.

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheer- of bekkenbeheerplannen.

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, § 4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

[Afdeling 2.3.1bis Milieukwaliteitsnormen voor waterbodems (ing. BVR 21 mei 2010, art. 7)]
Art. 2.3.1bis/1.

Als basismilieukwaliteitsnormen voor waterbodems gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 2.2.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, opgenomen in bijlage 2.3.1bis.

De richtwaarden bepalen het milieukwaliteitsniveau dat zo veel mogelijk moet worden bereikt of gehandhaafd. Ze gelden niet als saneringscriterium, noch als saneringsdoel als vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Afdeling 2.3.2. Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, bestemd voor drinkwaterproduktie
Art. 2.3.2.1.

De fysische, chemische en microbiologische eigenschappen waaraan het oppervlaktewater, be-stemd voor de produktie van drinkwater op de winplaats dient te voldoen zijn opgenomen in de tabel onder art. 1 van bijlage 2.3.2.

Afdeling 2.3.3. Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, met de bestemming zwemwater
Art. 2.3.3.1.

De milieukwaliteitsnormen waaraan de zwemwateren moeten voldoen, zijn bepaald in artikel 1 van deel II van bijlage 2.3.3.

De bemonstering, controle, kwaliteitsbeoordeling en de indeling en kwaliteitsstatus worden uitgevoerd conform artikel 1 tot en met 3 van deel II van bijlage 2.3.3.

Afdeling 2.3.4. Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, met de bestemming viswater
Art. 2.3.4.1.

De milieukwaliteitsnormen waaraan het oppervlaktewater, aangeduid als viswaterzone dient te voldoen zijn opgenomen in bijlage 2.3.4., onder de tabellen die van toepassing zijn op water voor karperachtigen.

Art. 2.3.4.2.

De oppervlaktewateren in het Vlaamse Gewest, aangeduid als viswater, zijn bestemd voor kar-perachtigen (Cyprinidae) of soorten zoals snoek (Esox lucius), baars (Perca fluviatilis) en paling (Anguilla anguilla). Er worden geen oppervlaktewateren, bestemd voor zalmachtigen, aangeduid.

Afdeling 2.3.5. Milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewateren, bestemd voor schelpdieren
Art. 2.3.5.1.

De milieukwaliteitsnormen waaraan de schelpdierwaters in alle als dusdanig aangeduide wa-teren dienen te voldoen zijn opgenomen in bijlage 2.3.5.

Afdeling 2.3.6. Beleidstaken
Art. 2.3.6.1.

§ 1. Overeenkomstig de Richtlijn 76/464/EEG kan een vergunning tot lozing van bedrijfsafval-water dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat enkel worden verleend met in acht name van de volgende voorwaarden:
1° de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen als bedoeld in lijst I van bijlage 2C dient te worden beëindigd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
2° de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen als bedoeld in lijst II van bijlage 2C dient te worden verminderd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit;
3° de toepassing van dit besluit mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de wateren direct of indirect toeneemt.

§ 2. Ter vermindering van de verontreiniging van de wateren door de gevaarlijke stoffen als bedoeld in lijst II van bijlage 2C van titel I van het VLAREM worden door de Vlaamse minister, op voorstel van de Vlaamse Milieumaat-schappij, programma's goedgekeurd. De Vlaamse Milieumaatschappij treedt hiervoor vooraf in overleg met andere betrokken overheidsorganen.

Deze programma's bevatten:
1° de selectie van de relevante stoffen uit lijst II van bijlage 2C van titel I van het VLAREM;
2° desgevallend voorstellen voor milieukwaliteitsnormen voor de oppervlaktewateren;
3° desgevallend voorstellen voor algemene en/of sectorale voorwaarden;
4° desgevallend voorstellen voor herziening van de vergunningsvoorwaarden;
5° desgevallend voorstellen voor specifieke voorschriften die betrekking hebben op het gebruik van zowel stoffen of groepen van stoffen als van producten;
6° de termijnen voor de tenuitvoerlegging ervan.

In deze programma's wordt rekening gehouden met de jongste technische ontwikkelingen die economisch te verwezenlijken zijn, in het bijzonder de beste beschikbare technieken (BBT), bedoeld in artikel 4.1.2.1.

§ 3. Uiterlijk één jaar na goedkeuring van het milieubeleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, worden de reductieprogramma's door de Vlaamse minister, op voorstel van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevestigd of bijgestuurd.

§ 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 3.3.0.1 en 4.2.3.1, worden, ter uitvoering van de programma's, de in de milieuvergunning op te leggen bijzondere lozingsvoorwaarden (concentraties en/of vrachten), berekend aan de hand van de vastgestelde milieukwaliteitsnormen. Dit moet gebeuren overeenkomstig volgende uitgangsprincipes :
1° Beste Beschikbare Technieken (BBT) vormen steeds het minimale kader waarbinnen vergunningsvoorwaarden moeten worden vastgesteld.
2° Voor alle gevaarlijke stoffen is daarenboven sanering aan de bron, progressieve vermindering en het halen van de milieukwaliteitsnormen het uitgangspunt. Indien concrete debietsgegevens van het ontvangende oppervlaktewater ontbreken kan met het oog op het halen van de milieukwaliteitsnormen, standaard de tienvoudige verdunning worden toegepast. Indien nadere debietsgegevens beschikbaar zijn, kan deze tienvoudige verdunning bijgesteld worden. In geval van beperkte oppervlaktewaterdebieten zal een lagere verdunningsfactor aangewezen zijn. Voor niet-persistente gevaarlijke stoffen zou in geval van grote ontvangende debieten en mits behoud van een goede kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater, aldus ook een grotere verdunning overwogen kunnen worden.
3° Voor de meest gevaarlijke stoffen (stoffen aangeduid als « PGS » en « VS » in de laatste kolom van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem en andere stoffen die omwille van persistentie, bio-accumulatie en toxiciteit zorgwekkend zijn) is daarenboven het voorkomen en/of beëindigen van verontreiniging het uitgangspunt. Gelet op het persistente karakter en het risico van bio-accumulatie moet elke vorm van verdunning vermeden worden.

Teneinde de doelstellingen van de reductieprogramma's te realiseren kunnen in de milieuvergunning, naast lo-zingsvoorwaarden, ook beperkingen inzake het gebruik van gevaarlijke stoffen worden opgelegd, indien deze aanleiding zouden kunnen geven tot een rechtstreekse of onrechtstreekse lozing in het oppervlaktewater.

§ 5. De in § 2 bedoelde programma's alsmede de resultaten van de toepassing ervan worden overeenkomstig artikel 2.1.1, § 3 door de Vlaamse minister op voorstel van de Vlaamse Milieumaatschappij in beknopte vorm aan de EU-Commissie meegedeeld.

Op verzoek van de EU-Commissie worden eveneens alle nodige inlichtingen bezorgd met name:
1° bijzonderheden betreffende de verleende milieuvergunningen;
2° de resultaten van de in § 6 bedoelde inventarisatie;
3° aanvullende inlichtingen betreffende de in § 2 bedoelde programma's.

§ 6. De Vlaamse Milieumaatschappij maakt en actualiseert de inventaris van de lozingen van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen kan bevatten als bedoeld in bijlage 2C van titel I van het VLAREM.

De diensten van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die afhangen van het Vlaamse Gewest stellen, op eenvoudig verzoek van de Vlaamse Milieumaatschappij, alle informatie waarover zij beschikken en die nodig is voor het opstellen van deze inventaris ter beschikking van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Art. 2.3.6.2.

Overeenkomstig de bepalingen van de Richtlijn 91/271/EEG:
- worden de controlegegevens met betrekking tot de naleving van de door dit reglement aan stedelijke water-zuiveringsinstallaties gestelde eisen bewaard en binnen 6 maanden na ontvangst van een verzoek daartoe door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen ter beschikking gesteld van de EU-Commissie;
- wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen aan de EU-Commissie uiterlijk op 1 januari 1996 informatie verstrekt over het programma dat voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater dient opgesteld.
- dient de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar een rapport te publiceren over de situatie inzake de afvoer van stedelijk afvalwater en slib in het Vlaamse Gewest. De in art. 32 septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging bedoelde vennootschap moet hiertoe aan de Vlaamse Milieumaatschappij de nodige informatie betreffende de afvoer van slib verstrekken. Deze rapporten worden be-schikbaar gehouden voor overmaking aan de Commissie.
- stelt de Vlaamse Milieumaatschappij om de twee jaar het programma voor de behandeling van stedelijk afvalwater voor het Vlaamse Gewest op overeenkomstig de tabellen in Beschikking 93/481/EU. Deze informatie wordt conform artikel 17 van de richtlijn via de geigende kanalen aan de Commissie ter beschikking gesteld telkens uiterlijk op 30 juni en het volgende programma uiterlijk op 30 juni 1996.
- moet de Vlaamse Milieumaatschappij het net voor het meten van de waterkwaliteit van de oppervlaktewateren permanent afstemmen op de lozingen van de zuiveringsinstallaties en op de rechtstreekse lozingen van bedrijven wan-neer mag worden verwacht dat het ontvangende milieu significant zal worden benvloed, en dit indien het lozingen betreft van installaties die tenminste 4.000 i.e. vertegenwoordigen (onder rechtstreekse lozing wordt verstaan elke lo-zing die niet via openbare waterzuiveringssystemen in ontvangende wateren wordt geloosd).
- organiseert de Vlaamse Milieumaatschappij, indien het Vlaams Gewest in kennis wordt gesteld van een nadelige beïnvloeding van wateren die onder de jurisdictie van een Lidstaat van de EU of de bevoegdheid van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse Gewest vallen door lozingen van stedelijk afvalwater uit het Vlaamse Gewest, het nodige overleg om na te gaan om welke lozingen het gaat en welke maatregelen aan de bron moeten worden genomen om de getroffen wateren te beschermen.
- worden alle oppervlaktewateren van het Vlaamse Gewest overeenkomstig art. 5, lid 1 van Richtlijn 91/271/EEG aan-geduid als "kwetsbaar gebied". In het Vlaamse Gewest worden geen "minder kwetsbare gebieden" als bedoeld in art. 6, lid 1 van dezelfde Richtlijn, aangewezen.
- wordt op het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest een minimumpercentage van de vermindering van de totale vracht voor de totaliteit van de openbare waterzuiveringsinstallaties vastgelegd van tenminste 75 % voor de totale fosfor en tenminste 75 % voor de totale stikstof.
[- indien de in artikel 32septies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen ver-ontreiniging bedoelde vennootschap gebruik wenst te maken van de uitzonderingsbepaling opgenomen in voetnoot (5) bij bijlage 5.3.1.a. van titel II van het VLAREM, is deze vennootschap gelast op basis van een wetenschappelijke studie aan te tonen dat hiermee op jaarbasis hetzelfde beschermingsniveau wordt verkregen; in dit geval stelt de Vlaamse Mi-lieumaatschappij, via de geëigende kanalen, de Commissie hiervan in kennis. (ing. B.V.R. 6 oktober 1998, art. 1, I: 20 oktober 1998) ]

Art. 2.3.6.3.

§ 1. Een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater dient voorzien:
1° uiterlijk op 31 december 1998 voor agglomeraties met meer dan 10.000 inwonerequivalenten;
2° uiterlijk op 31 december 2005 voor agglomeraties met minder dan 10.000 inwonerequivalenten.

§ 2. Wanneer de aanleg van de in § 1 bedoelde opvangsystemen niet verantwoord is omdat het vanuit milieuoogpunt geen voordeel zou opleveren of omdat het buitensporig duur zou zijn, moet gebruik worden gemaakt van afzonderlijke of andere passende systemen waarmee dezelfde graad van milieubescherming wordt bereikt.

§ 3. De in § 1 bedoelde opvangsystemen moeten worden ontworpen, gebouwd, aangepast en onderhouden overeen-komstig de beste beschikbare technieken, met name ten aanzien van:
1° volume en eigenschappen van het stedelijk afvalwater;
2° voorkoming van lekkages;
3° beperking van verontreiniging van de ontvangende wateren door overstorting van hemelwater.

De Vlaamse minister kan op voorstel van de Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, vermeld in artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het Integraal Waterbeleid, een Code van goede praktijk vaststellen voor het ontwerp en de aanleg van de openbare riolering.

§ 4. De plaatsen voor lozing van stedelijk afvalwater moeten voor zover mogelijk zodanig worden gekozen dat het effect op de ontvangende oppervlaktewateren zo gering mogelijk is.

Art. 2.3.6.4.

De sanering van het collectief te optimaliseren buitengebied gebeurt door middel van een gescheiden stelsel en binnen de timing zoals die in het uitvoeringsplan is bepaald.

Bij aanleg en heraanleg van een openbare riolering, ongeacht het gebied, moet een gescheiden stelsel worden aangelegd, tenzij anders bepaald in het uitvoeringsplan.

Afdeling 2.3.7. Beoordeling en beheer van de zwemwaterkwaliteit
Onderafdeling 2.3.7.1. Doelstellingen en toepassingsgebied
Art. 2.3.7.1.1.

§ 1. Deze afdeling heeft, overeenkomstig Richtlijn 2006/7/EG van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG en overeenkomstig artikel 51bis van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, als algemene doelstelling het behoud, de bescherming en de verbetering van de milieukwaliteit en de bescherming van de gezondheid van de mens, en is aanvullend op de andere doelstellingen van dit hoofdstuk.

§ 2. Deze afdeling is van toepassing op alle zwemwateren, aangewezen conform de bepalingen van deze afdeling.

§ 3. Deze afdeling is niet van toepassing op :
1° zwembaden en gezondheidsbaden;
2° ingesloten wateren die behandeld worden of gebruikt worden voor therapeutische doeleinden;
3° kunstmatig gecreëerde, van het oppervlaktewater en het grondwater gescheiden ingesloten wateren.

Onderafdeling 2.3.7.2. Aanwijzing van zwemwateren
Art. 2.3.7.2.1.

De Vlaamse ministers bevoegd voor leefmilieu en waterbeleid, en de Vlaamse minster bevoegd voor gezondheidsbeleid wijzen gezamenlijk, uiterlijk op 31 maart van elk kalenderjaar, alle zwemwateren aan. Bij de aanwijzingen worden de aanvang en de duur van het badseizoen bepaald.

Art. 2.3.7.2.2.

§ 1. Ten minste drie maanden vóór het besluit over de aanwijzing van zwemwateren vermeld in artikel 2.3.7.2.1. wordt voor de opstelling, de herziening en de bijwerking van lijsten van zwemwateren een ontwerplijst van zwemwateren aangekondigd met het oog op inspraak van het publiek. Gedurende een periode van dertig dagen kan iedereen voorstellen, opmerkingen of klachten formuleren over de ontwerplijst.

§ 2. De aankondiging gebeurt door :
1° een bericht op de website van de Vlaamse overheid;
2° publicatie in ten minste drie dag- of weekbladen;
3° een aanplakking in elke gemeente waarin een zwemwater ligt dat is opgenomen in de ontwerplijst.

§ 3. De ontwerplijst van zwemwateren wordt aangekondigd door :
1° de situering van elk zwemwater op de ontwerplijst;
2° de voorgestelde aanvang en duur van het badseizoen;
3° de plaats van de instantie waar informatie over elk zwemwater kan worden verkregen;
4° de periode waarin voorstellen, opmerkingen of klachten kunnen worden ingediend;
5° de adressen en contactgegevens van de instanties waar voorstellen, opmerkingen of klachten kunnen ingediend worden.

§ 4. De Vlaamse Milieumaatschappij maakt een synthese van de ingediende voorstellen, opmerkingen of klachten over de ontwerplijst. Na overleg met het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid wordt, rekening houdend met de voormelde synthese, onverwijld een gemotiveerd definitief voorstel van een lijst van de zwemwateren en de aanvang en duur van het badseizoen geformuleerd voor het besluit vermeld in artikel 2.3.7.2.1.

Art. 2.3.7.2.3.

Het besluit vermeld in artikel 2.3.7.2.1 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De vaststelling als zwemwater in de zin van dit besluit wordt ook uiterlijk de dag voor de aanvang van het badseizoen ter plaatse kenbaar gemaakt overeenkomstig artikel 2.3.7.2.1. De Commissie wordt onverwijld in kennis gesteld van het besluit en, in voorkomend geval, van de redenen van een wijziging in de lijst van zwemwateren.

Onderafdeling 2.3.7.3. Indeling en kwaliteitsstatus van zwemwateren
Art. 2.3.7.3.1.

Op basis van de resultaten van de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling, uitgevoerd overeenkomstig artikel 3 van deel II van bijlage 2.3.3, deelt de Vlaamse Milieumaatschappij het zwemwater, overeenkomstig de criteria, vermeld in artikel 4 van deel II van de bijlage 2.3.3., als volgt in :
1° slecht;
2° aanvaardbaar;
3° goed, of
4° uitstekend.

Art. 2.3.7.3.2.

De eerste indeling overeenkomstig de voorschriften van deze onderafdeling wordt uiterlijk op het einde van het badseizoen van 2015 voltooid.

Art. 2.3.7.3.3.

De bevoegde instanties nemen realistische en evenredige maatregelen die naar hun oordeel passend zijn om het aantal als "uitstekend" of "goed" ingedeelde zwemwateren te doen toenemen. Op het einde van het badseizoen van 2015 moeten alle zwemwateren ten minste "aanvaardbaar" zijn. De Vlaamse Milieumaatschappij ziet erop toe dat die maatregelen tijdig worden genomen, neemt daartoe zo nodig zelf initiatieven of formuleert voorstellen aan de bevoegde instanties.

Art. 2.3.7.3.4.

Ondanks de algemene bepaling van artikel 2.3.7.3.3 kunnen zwemwateren echter tijdelijk als "slecht" worden ingedeeld, en nog steeds aan de voorwaarden van deze afdeling voldoen. In dergelijke gevallen zorgen de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, elk op hun domein, dat aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° voor elk als "slecht" ingedeeld zwemwater worden met ingang van het badseizoen volgend op dat van de indeling, de volgende maatregelen genomen :
a) het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid of de Vlaamse Milieumaatschappij neemt passende beheersmaatregelen, waaronder wat eerstvermelde betreft, een zwemverbod of een negatief zwemadvies, teneinde de blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen;
b) de Vlaamse Milieumaatschappij identificeert de oorzaken en redenen van het niet-bereiken van de "aanvaardbare" kwaliteitsstatus;
c) de Vlaamse Milieumaatschappij neemt passende maatregelen om de oorzaken van verontreiniging te voorkomen, te verkleinen of weg te nemen, en formuleert zo nodig voorstellen aan de bevoegde instanties tot het nemen van maatregelen;
d) de Vlaamse Milieumaatschappij zorgt voor de waarschuwing en voorlichting van het publiek, door middel van een duidelijk en eenvoudig teken, over de oorzaken van de verontreiniging en de op basis van het zwemwaterprofiel genomen maatregelen;
2° als een zwemwater vijf opeenvolgende jaren als "slecht" ingedeeld is, wordt door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een permanent zwemverbod ingesteld of een permanent negatief zwemadvies uitgebracht. Het Agentschap Zorg en Gezondheid kan evenwel voor het einde van de periode van vijf jaar een permanent zwemverbod instellen of een permanent negatief zwemadvies uitbrengen, als de Vlaamse Milieumaatschappij van oordeel is dat de verwezenlijking van de kwaliteit "aanvaardbaar" onhaalbaar of onevenredig duur is.

Onderafdeling 2.3.7.4. Opstellen van een zwemwaterprofiel
Art. 2.3.7.4.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat een zwemwaterprofiel wordt opgesteld. Elk zwemwaterprofiel mag betrekking hebben op één zwemwater of op meerdere aangrenzende zwemwateren.

§ 2. De inhoud en de wijze van beoordeling, vaststelling en actualisatie van het zwemwaterprofiel worden bepaald in artikel 5 en 6 van deel II van bijlage 2.3.3.

§ 3. Zwemwaterprofielen worden voor het eerst vastgesteld uiterlijk op 24 maart 2011.

Onderafdeling 2.3.7.5. Beheersmaatregelen voor uitzonderlijke omstandigheden
Art. 2.3.7.5.1.

De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, elk op hun domein, zien erop toe dat er tijdig passende beheersmaatregelen worden genomen als ze op de hoogte zijn van onverwachte situaties die een negatief effect hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de zwemwaterkwaliteit en op de gezondheid van de zwemmers. Deze maatregelen omvatten voorlichting van het publiek en, zo nodig, een tijdelijk zwemverbod, opgelegd door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid.

Art. 2.3.7.5.2.

§ 1. Als het zwemwaterprofiel, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deel II van bijlage 2.3.3, wijst op een mogelijke proliferatie van cyanobacteriën, wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een passende controle uitgevoerd om tijdig de gezondheidsrisico's te kunnen vaststellen.

§ 2. Als er zich een proliferatie van cyanobacteriën voordoet en er een gezondheidsrisico is vastgesteld of wordt vermoed, worden onmiddellijk passende beheersmaatregelen genomen ter voorkoming van blootstelling, waaronder voorlichting van het publiek.

Art. 2.3.7.5.3.

Als het zwemwaterprofiel, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van deel II van bijlage 2.3.3, een neiging tot proliferatie van macroalgen of marien fytoplankton vertoont, wordt er door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaamse Agentschap Zorg en Gezondheid onderzoek verricht om de aanvaardbaarheid en gezondheidsrisico's ervan vast te stellen en passende beheersmaatregelen te nemen, waaronder voorlichting van het publiek.

Art. 2.3.7.5.4.

Zwemwateren worden visueel door de Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid geïnspecteerd op verontreiniging door teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval.

Als die soort verontreiniging is vastgesteld, worden passende beheersmaatregelen genomen door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, waaronder, zo nodig, voorlichting van het publiek.

Onderafdeling 2.3.7.6. Samenwerking inzake grensoverschrijdende wateren
Art. 2.3.7.6.1.

Als de situatie in een stroomgebied grensoverschrijdende effecten heeft op de zwemwaterkwaliteit, werken de bevoegde instanties naar behoren samen, onder meer door passende informatie-uitwisseling en gezamenlijk optreden om die effecten te beheersen. De Vlaamse Milieumaatschappij] neemt daartoe in voorkomend geval de nodige initiatieven in relatie tot de samenwerkingsorganen die werden belast met taken inzake het waterkwaliteitsbeheer van de internationale stroomgebieden ingevolge internationale verdragen waarbij het Vlaamse Gewest partij is.

Onderafdeling 2.3.7.7. Voorlichting van het publiek
Art. 2.3.7.7.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid zorgen er gezamenlijk voor dat de volgende informatie actief verspreid wordt, en zo snel mogelijk tijdens het badseizoen op een gemakkelijk toegankelijke plaats in de onmiddellijke nabijheid van elk zwemwater beschikbaar wordt gesteld :
1° de actuele indeling van het zwemwater alsmede elk zwemverbod of negatief zwemadvies door middel van een duidelijk en eenvoudig teken of symbool;
2° een algemene beschrijving van het zwemwater, in niet-technische bewoordingen, op basis van het zwemwaterprofiel, vermeld in afdeling 4 van deel II van bijlage 2.3.3;
3° in geval van zwemwateren waarin zich een kortstondige verontreiniging kan voordoen :
a) een mededeling dat zich in het zwemwater een kortstondige verontreiniging kan voordoen;
b) een opgave van het aantal dagen waarop er tijdens het vorige badseizoen wegens dergelijke verontreiniging een zwemverbod of een negatief zwemadvies van kracht was;
c) een waarschuwing, telkens als een dergelijke verontreiniging voorspeld wordt of zich voordoet;
4° informatie over de aard en de verwachte duur van abnormale situaties tijdens zulke gebeurtenissen;
5° bij een zwemverbod of een negatief zwemadvies : een waarschuwingsbord voor het publiek met de redenen daarvoor;
6° bij invoering van een permanent zwemverbod of een permanent negatief advies : het feit dat het gebied in kwestie geen zwemwater meer is en de redenen daarvoor;
7° een verwijzing naar bronnen met meer informatie in overeenstemming met § 2.

§ 2. De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid gebruiken passende media en technologieën, waaronder het internet, om de informatie over de zwemwaterkwaliteit, vermeld in § 1, alsmede de hieronder vermelde informatie, actief en snel, waar nodig in verscheidene talen, te verspreiden :
1° de lijst van zwemwateren;
2° de indeling van elk zwemwater en het desbetreffende zwemwaterprofiel gedurende de laatste drie jaar, inclusief de resultaten van de controles die sinds de laatste indeling overeenkomstig deze afdeling zijn uitgevoerd;
3° in het geval van zwemwateren die als "slecht" worden ingedeeld, informatie over de oorzaken van de verontreiniging en over de maatregelen die zijn genomen om blootstelling van de zwemmers aan de verontreiniging te voorkomen en de oorzaken ervan aan te pakken, als vermeld in artikel 2.3.7.3.4;
4° in geval van zwemwateren waarin zich een kortstondige verontreiniging kan voordoen, algemene informatie over :
a) de omstandigheden waarvan aannemelijk is dat ze een kortstondige verontreiniging tot gevolg kunnen hebben;
b) het risico van een dergelijke verontreiniging en de waarschijnlijke duur ervan;
c) de oorzaken van de verontreiniging en de maatregelen die genomen zijn om blootstelling van de zwemmers aan de verontreiniging te voorkomen en de oorzaken ervan aan te pakken.

De lijst vermeld in 1° wordt elk jaar voor de aanvang van het badseizoen beschikbaar gesteld. De resultaten van de controles vermeld onder 2° worden na de voltooiing van de analyses beschikbaar gesteld op het internet.

§ 3. Met ingang van de aanvang van het vijfde badseizoen na 24 maart 2008 wordt de informatie vermeld in § 1 en § 2, verspreid zodra ze beschikbaar is.

§ 4. De Vlaamse Milieumaatschappij en het Vlaams Agenschap Zorg en Gezondheid verstrekken het publiek, waar mogelijk, informatie op basis van technologie met geografische referenties, en presenteren die op duidelijke en coherente wijze, in het bijzonder met gebruikmaking van tekens en symbolen.

Onderafdeling 2.3.7.8. Meldpunt voor het publiek
Art. 2.3.7.8.1.

Met behoud van de toepassing van de procedure vermeld in artikel 2.3.7.2.2, richt de Vlaamse Milieumaatschappij een permanent meldpunt op. Via dat meldpunt kan het publiek met alle mogelijke communicatiemiddelen voorstellen, opmerkingen of klachten formuleren over de toestand van de zwemwaterkwaliteit.

Onderafdeling 2.3.7.9. Rapportage aan de Europese Commissie
Art. 2.3.7.9.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt, via de geëigende kanalen, jaarlijks aan de Europese Commissie :
1° voor elk zwemwater de bij de controles verkregen resultaten;
2° de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling overeenkomstig artikel 3 van deel II van bijlage 2.3.3;
3° een beschrijving van de belangrijkste beheersmaatregelen die werden genomen.

Ze verschaft die informatie uiterlijk op 31 december van elk jaar met betrekking tot het voorafgaande badseizoen. Ze begint daarmee nadat de eerste zwemwaterkwaliteitsbeoordeling is uitgevoerd.

§ 2. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie jaarlijks, voor het begin van het badseizoen, in kennis van alle als zwemwater aangewezen wateren en van de redenen voor een mogelijke wijziging ten opzichte van het voorgaande jaar. Ze doet dit voor het eerst voor de aanvang van het eerste badseizoen na 24 maart 2008.

HOOFDSTUK 2.4. MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR BODEM EN GRONDWATER EN BE-LEIDSTAKEN TER ZAKE

Art. 2.4.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van het decreet van 24 ja-nuari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer.

Afdeling 2.4.1. Milieukwaliteitsnormen voor grondwater
Art. 2.4.1.1.

§ 1. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.

§ 2. Als milieukwaliteitsnormen voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater gelden de minst strenge van de volgende richtwaarden :
1° de grondwaterkwaliteitsnormen, vermeld in artikel 1 van bijlage 2.4.1.;
2° de achtergrondniveaus, eigen aan het grondwaterlichaam en niet beïnvloed door lozingen, vermeld in artikel 2 van bijlage 2.4.1.

De Vlaamse Regering zal op gezette tijden en minstens bij de herziening van de stroomgebiedbeheerplannen de milieukwaliteitsnormen evalueren en in voorkomend geval aanpassen, zoals bepaald in artikel 2.2.3, § 4, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

§ 3. Drempelwaarden worden per grondwaterlichaam zodanig vastgesteld dat, als de meetresultaten in een representatief meetpunt de drempelwaarden overschrijden, dat wijst op een risico dat er niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een goede chemische toestand van het grondwaterlichaam.

Als drempelwaarden gelden de richtwaarden, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.4.1.

§ 4. De ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, ter uitvoering van artikel 60 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.

§ 5. De achtergrondniveaus en drempelwaarden zullen worden gewijzigd als dat noodzakelijk is op basis van nieuwe informatie over verontreinigende stoffen, groepen van verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging, die voortvloeit uit de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 60 van hetzelfde decreet, of uit de meetprogramma's, vermeld in artikel 67 van voormelde decreet.

Voor de beschermde gebieden, vermeld in artikel 71 van hetzelfde decreet, kunnen strengere milieukwaliteitsnormen vastgesteld worden in de stroomgebiedbeheer- of bekkenbeheerplannen.

Er kan alleen van de milieukwaliteitsnormen worden afgeweken in de stroomgebiedbeheer- of bekkenbeheerplannen, overeenkomstig artikelen 53, 54 en 56 van hetzelfde decreet.

§ 6. De kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam wordt bepaald door de criteria, vermeld in artikel 4 van bijlage 2.4.1.

De Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu stelt nadere regels vast voor de beoordeling van die criteria, zodat bepaald kan worden wanneer een grondwaterlichaam zich in een goede kwantitatieve toestand bevindt.

Afdeling 2.4.2. Milieukwaliteitsnormen voor bodem
Art. 2.4.2.1.

Als milieukwaliteitsnormen voor bodem gelden als streefwaarden de normen, opgenomen in bijlage 2.4.2.

Afdeling 2.4.3. Beleidstaken
Behandeling van milieuvergunningsaanvragen voor handelingen die een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen in het grondwater tot gevolg hebben of kunnen hebben
Art. 2.4.3.1.

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3°, kunnen slechts ver-gund worden indien uit een voorafgaand onderzoek blijkt dat alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat deze stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.

Art. 2.4.3.2.

Een vergunning voor de indirecte lozing in grondwater van stoffen van lijst II van bijlage 2B kan enkel worden verleend mits alle vereiste voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de lozing:

a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;

b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;

c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Art. 2.4.3.3.

De toepassing van de krachtens dit besluit genomen maatregelen mag in geen geval leiden tot directe of indirecte verontreiniging van het grondwater.

Art. 2.4.3.4.

In de milieuvergunning voor een indirecte lozing van gevaarlijke stoffen opgenomen in de lijst II van bijlage 2B of voor een andere handeling die een indirecte lozing tot gevolg kan hebben als bedoeld in de ru-brieken 52 en 2 van de indelingslijst, wordt, onverminderd de bepalingen van dit besluit, ten minste bepaald:

1° de plaats van de gebeurlijke lozing;

2° de lozingsmethode en - zo van toepassing - de voor de verwijdering gebruikte methode;

3° de vereiste voorzorgsmaatregelen, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de aard en de concentratie van de in de te lozen/verwijderen materie aanwezige stoffen en met de kenmerken van het ontvangende milieu, alsmede met de nabijheid van waterwingebieden en beschermingszones, vooral voor drink-, thermaal- en mineraalwater;

4° de maximaal toelaatbare hoeveelheid van een bepaalde stof in de te lozen/verwijderen materie gedurende één of meer vastgestelde periodes en passende voorwaarden voor de concentratie van deze stof; hierbij wordt in het bijzonder re-kening gehouden met de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in de afdelingen 2.4.1. en 2.4.2.;

5° de technische voorzorgsmaatregelen die moeten getroffen worden om elke lozing van stoffen van lijst I te verhinderen of verontreiniging van het grondwater door lozing van stoffen van lijst II te voorkomen;

6° indien nodig, maatregelen waarmee het grondwater, en met name de kwaliteit ervan, kan worden gecontroleerd.

Art. 2.4.3.5.

Overeenkomstig de Richtlijn 80/68/EEG:
1° wordt een inventaris bijgehouden van de milieuvergunningen verleend overeenkomstig art. 2.4.3.2.;
2° worden, in geval overwogen wordt een handeling toe te laten die een lozing in grensoverschrijdend grondwater zou kunnen meebrengen, vóór de afgifte van de desbetreffende milieuvergunning via de geëigende kanalen de andere betrokken buurlanden en -gewesten hiervan op de hoogte gebracht; op verzoek van deze buurlanden vindt vóór de afgifte van de desbetreffende milieuvergunning via de geëigende kanalen overleg met deze betrokken buurlanden en -gewesten plaats; de EU-Commissie kan aan dit overleg deelnemen;
3° worden aan de EU-Commissie op haar verzoek via de geëigende kanalen alle nodige inlichtingen voor de toepassing van voormelde Richtlijn verstrekt, inzonderheid:
a) de resultaten van de in artikel 2.4.3.1. bedoelde voorafgaande onderzoeken;
b) de bijzonderheden inzake de verleende milieuvergunningen;
c) de resultaten van toezicht en controle;
d) de gegevens van de sub 1° van deze paragraaf bedoelde inventaris.
4° de verschillende taken, omschreven in dit artikel, worden waargenomen door het Departement.

HOOFDSTUK 2.5. MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR LUCHT EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE

Art. 2.5.0.1.

De milieukwaliteitsnormen voor de lucht worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging.

Afdeling 2.5.1. Milieukwaliteitsnormen voor de lucht
Art. 2.5.1.1.

§ 1. Als milieukwaliteitsnormen voor de lucht gelden de normen, opgenomen in bijlage 2.5.1, 2.5.3 en 2.5.8.

§ 2. Als milieukwaliteitsnormen voor stofneerslag gelden de normen, opgenomen in bijlage 2.5.2.

§ 3. ...

§ 4. De in bijlage 2.5.1. en 2.5.2. vermelde grens- en richtwaarden zijn van toepassing in alle gebieden, andere dan beschermingszones en speciale beschermingszones.

§ 5. ...

Art. 2.5.1.2.

§ 1. [In de speciale beschermingszones gelden als milieukwaliteitsnormen voor de lucht de nor-men die vermeld worden in de bijlagen 2.5.1 en 2.5.2.

In afwijking van het eerste lid gelden tot 1 januari 2005, voor wat zwevende deeltjes en zwaveldioxide (SO2) betreft, als grenswaarde 80 % van de grenswaarden, vermeld in de bijlage 2.5.1.

In afwijking van het eerste lid gelden tot 1 januari 2010, voor wat stikstofoxiden (NO2) betreft, als grenswaarde 80 % van de grenswaarden, vermeld in de bijlage 2.5.1. (verv. B.V.R. 14 maart 2003, art. 5, I: 24 april 2003) ]

§ 2. In de beschermingszones gelden [... (geschr. B.V.R. 14 maart 2003, art. 5, I: 24 april 2003) ] als grenswaarden de richtwaarden vermeld in de bijlagen 2.5.1. en 2.5.2. Voor de parameters waarvoor in deze bijlagen geen richtwaarden zijn vastgesteld gelden als grenswaarden 80 % van de grenswaarden vermeld in deze bijlagen.

Afdeling 2.5.2. [Beleidstaken (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
[Onderafdeling 2.5.2.1 Algemene bepalingen (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
Art. 2.5.2.1.1.

Deze afdeling voorziet in de omzetting van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa.

Art. 2.5.2.1.2.

Deze afdeling voorziet in maatregelen die erop gericht zijn :
1° doelstellingen voor de luchtkwaliteit te omschrijven en vast te stellen met als doel de schadelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu als geheel te vermijden, te voorkomen of te verminderen;
2° de luchtkwaliteit op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen;
3° gegevens over de luchtkwaliteit te verkrijgen, om luchtverontreiniging en hinder te helpen bestrijden en de langetermijntrends en -verbeteringen die het gevolg zijn van maatregelen, te bewaken;
4° ervoor te zorgen dat de gegevens over de luchtkwaliteit aan de bevolking ter beschikking worden gesteld;
5° de goede luchtkwaliteit in stand te houden, en die in andere gevallen te verbeteren;
6° een verhoogde samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie bij de vermindering van de luchtverontreiniging te bevorderen.

Art. 2.5.2.1.3.

§ 1. De volgende instanties en organen zijn bevoegd voor de uitvoering van de afdeling 2.5.2 :
1° de Vlaamse Milieumaatschappij is belast met :
a) de beoordeling van de luchtkwaliteit;
b) het verzekeren van de nauwkeurigheid van de metingen;
c) de analyse van de beoordelingsmethoden;
d) de samenwerking met de andere lidstaten en de Europese Commissie rond beoordeling van de luchtkwaliteit en kwaliteitsborging van meetmethoden;
2° de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu, vermeld in artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest van 18 mei 1994 inzake het toezicht op emissies in de lucht en op de structurering van de gegevens, is belast met :
a) de coördinatie van de rapporteringen aan de Europese Commissie;
b) de coördinatie van eventuele door de Europese Commissie georganiseerde communautaire kwaliteitsborgingsprogramma's;
3° de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging is belast met :
a) het voorstellen van maatregelen, luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit aan de Vlaamse minister;
b) de samenwerking met de andere lidstaten en de Europese Commissie;
4° de Vlaamse minister is belast met :
a) het voorleggen van maatregelen, luchtkwaliteitsplannen en kortetermijnactieplannen ter verbetering van de luchtkwaliteit aan de Vlaamse Regering;
b) de erkenning van de meetsystemen (methoden, apparaten, netwerken en laboratoria).

De bevoegde instanties en organen, vermeld in het eerste lid voldoen, indien van toepassing, aan de bepalingen van bijlage 2.5.3.1, deel C.

§ 2. De Vlaamse Milieumaatschappij stuurt een kopie van de informatie, vermeld in paragraaf 1, 1°, naar de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

Art. 2.5.2.1.4.

De Vlaamse Milieumaatschappij deelt het hele grondgebied in in zones en agglomeraties. In alle zones en agglomeraties vinden luchtkwaliteitsbeoordeling en luchtkwaliteitsbeheer plaats.

[Onderafdeling 2.5.2.2. Beoordeling van de luchtkwaliteit (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
Art. 2.5.2.2.1.

§ 1. Voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide gelden de bovenste en onderste beoordelingsdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel A.

Elke zone en agglomeratie wordt op basis van die beoordelingsdrempels ingedeeld.

§ 2. De indeling, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste om de vijf jaar opnieuw bekeken volgens de procedure, vermeld in bijlage 2.5.3.2, deel B.

De indeling wordt frequenter opnieuw bekeken als er aanzienlijke veranderingen optreden in de activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van zwaveldioxide, stikstofdioxide of, indien van toepassing, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen of koolmonoxide.

Art. 2.5.2.2.2.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij beoordeelt in al de zones en agglomeraties de luchtkwaliteit voor de verontreinigende stoffen, vermeld in artikel 2.5.2.2.1, overeenkomstig de criteria, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, en overeenkomstig de criteria opgenomen in bijlage 2.5.3.3.

§ 2. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel overschrijdt, worden vaste metingen gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit. Die vaste metingen kunnen worden aangevuld met modelleringstechnieken of indicatieve metingen om adequate informatie over de ruimtelijke spreiding van de luchtkwaliteit te verkrijgen.

§ 3. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde bovenste beoordelingsdrempel, mag een combinatie van vaste metingen en modelleringstechnieken of indicatieve metingen worden gebruikt ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

§ 4. In alle zones en agglomeraties waar het niveau van de verontreinigende stoffen, vermeld in paragraaf 1, lager is dan de voor die verontreinigende stoffen vastgestelde onderste beoordelingsdrempel, volstaan modelleringstechnieken of objectieve ramingstechnieken, of allebei ter beoordeling van de luchtkwaliteit.

§ 5. Naast de beoordelingen, vermeld in paragraaf 2, 3 en 4, worden metingen uitgevoerd op achtergrondlocaties op het platteland, die zich op een zekere afstand van belangrijke bronnen van luchtverontreiniging bevinden. Die metingen leveren ten minste gegevens op over de totale massaconcentratie en de concentraties van de chemische samenstellingen van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) in termen van het jaargemiddelde, en ze worden uitgevoerd overeenkomstig de volgende criteria :
1° er wordt per 100.000 km2 een bemonsteringspunt opgericht;
2° er is ten minste één meetstation of er mogen, bij onderlinge afspraak met aangrenzende landen, één of meer gemeenschappelijke meetstations opgericht worden die de relevante naburige zones bestrijken, om de vereiste ruimtelijke resolutie te garanderen;
3° indien van toepassing, wordt de bewaking gecoördineerd met de bewakingsstrategie en het meetprogramma van het Samenwerkingsprogramma voor de bewaking en evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (EMEP);
4° deel A en C van bijlage 2.5.3.1 zijn van toepassing op de gegevenskwaliteitsdoelstellingen voor metingen van massaconcentraties van zwevende deeltjes, en bijlage 2.5.3.4 is in haar geheel van toepassing.

De Vlaamse Milieumaatschappij informeert via de geëigende kanalen de Europese Commissie over de meetmethoden die worden gebruikt om de chemische samenstelling van fijne zwevende deeltjes (PM2,5) te meten.

Art. 2.5.2.2.3.

§ 1. De plaats van de bemonsteringspunten voor de meting van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.3.

§ 2. In elke zone of agglomeratie waar vaste metingen de enige gegevensbron zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor elke verontreinigende stof in kwestie niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A.

§ 3. In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het totale aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel A, met ten hoogste 50 % worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op ter beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van grenswaarden of alarmdrempels, alsook adequate gegevens voor de bevolking;
2° het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de concentratie van de verontreinigende stof in kwestie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B.

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten opzichte van de grenswaarden.

Art. 2.5.2.2.4.

De referentiemeetmethoden en -criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.6, delen A en C, worden toegepast.

Onder de voorwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.

Art. 2.5.2.2.5.

Als, in een zone of agglomeratie de ozonconcentraties tijdens één van de laatste vijf jaar van meting de langetermijndoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.7, deel C, hebben overschreden, worden vaste metingen uitgevoerd.

Als er geen gegevens beschikbaar zijn over de laatste vijf jaar, of als daarover slechts gedeeltelijk gegevens beschikbaar zijn, kan de VMM ter beantwoording van de vraag of de langetermijndoelstellingen, vermeld in lid 1, gedurende die vijf jaar zijn overschreden, de resultaten van meetcampagnes van korte duur die zijn uitgevoerd op tijden en plaatsen waar de niveaus naar alle waarschijnlijkheid het hoogst waren, combineren met de gegevens uit emissie-inventarissen en modellering.

Art. 2.5.2.2.6.

§ 1. De plaats van de bemonsteringspunten voor ozonmetingen wordt bepaald overeenkomstig de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.8.

§ 2. In zones of agglomeraties waar metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen van ozon niet kleiner zijn dan het minimumaantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A.

§ 3. In zones en agglomeraties waar de gegevens van bemonsteringspunten voor vaste metingen worden aangevuld met door modellering of indicatieve metingen verkregen gegevens, mag het aantal bemonsteringspunten, vermeld in bijlage 2.5.3.9, deel A, evenwel worden verminderd, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
1° de aanvullende methoden leveren voldoende gegevens op voor het beoordelen van de luchtkwaliteit ten aanzien van streefwaarden, langetermijndoelstellingen en informatie- en alarmdrempels;
2° het aantal op te richten bemonsteringspunten en de ruimtelijke resolutie van de andere technieken volstaan om de ozonconcentratie vast te stellen overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A, en maken beoordelingsresultaten mogelijk die voldoen aan de criteria, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel B;
3° in elke zone of agglomeratie is er ten minste één bemonsteringspunt per twee miljoen inwoners, of ten minste één bemonsteringspunt per 50.000 km2 als dat criterium een groter aantal bemonsteringspunten oplevert. In elke zone of agglomeratie bevindt zich ten minste één bemonsteringspunt;
4° stikstofdioxide wordt gemeten op alle resterende bemonsteringspunten, uitgezonderd de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A.

De resultaten van modellering of indicatieve metingen worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de luchtkwaliteit ten aanzien van de streefwaarden.

§ 4. Stikstofdioxide wordt gemeten op ten minste 50% van de overeenkomstig bijlage 2.5.3.9, deel A, vereiste bemonsteringspunten voor ozon. De meting van stikstofdioxide wordt continu verricht, behalve in de meetstations voor de bepaling van de plattelandsachtergrondwaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.8, deel A, waar andere meetmethoden kunnen worden gebruikt.

§ 5. In zones en agglomeraties waar de concentraties in elk van de laatste vijf jaar van meting beneden de langetermijndoelstellingen lagen, wordt het aantal bemonsteringspunten voor vaste metingen bepaald overeenkomstig de bepalingen van bijlage 2.5.3.9, deel B.

§ 6. Er wordt ten minste één bemonsteringspunt opgericht en gebruikt om gegevens te verkrijgen over de concentraties van de ozonprecursoren, vermeld in bijlage 2.5.3.10. Het aantal en de plaats van de stations waar de ozonprecursoren worden gemeten, worden bepaald rekening houdend met de doelstellingen en methoden, vermeld in bijlage 2.5.3.10.

Art. 2.5.2.2.7.

De referentiemethode voor de meting van ozon, vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel A, punt 8, wordt toegepast. Onder de voorwaarden vermeld in bijlage 2.5.3.6, deel B, mogen andere meetmethoden worden gebruikt.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt, via de geëigende kanalen, de Europese Commissie in kennis van de methoden die worden gehanteerd voor de bemonstering en de meting van vluchtige organische stoffen, vermeld de in bijlage 2.5.3.10.

[Onderafdeling 2.5.2.3. Beheer van de luchtkwaliteit (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
Art. 2.5.2.3.1.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat in zones en agglomeraties waar de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, PM2,5, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht lager zijn dan de respectieve grenswaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.11 en 2.5.3.14, de niveaus van die stoffen beneden de grenswaarden worden gehouden, en dat ernaar wordt gestreefd de beste met duurzame ontwikkeling verenigbare luchtkwaliteit te beschermen.

Art. 2.5.2.3.2.

§ 1. De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de niveaus van zwaveldioxide, stikstofdioxide, PM10, lood, benzeen en koolmonoxide in de lucht in de gehele zones en agglomeraties de grenswaarden, vermeld in bijlage 2.5.3.11, niet overschrijden.

De naleving van die voorschriften wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3.

De vastgestelde overschrijdingsmarges, vermeld in bijlage 2.5.3.11, worden toegepast overeenkomstig artikel 2.5.2.3.11, lid 3, en artikel 2.5.2.4.1, § 1.

§ 2. Voor de concentraties van zwaveldioxide en stikstofdioxide in de lucht gelden de alarmdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.12, deel A.

Art. 2.5.2.3.3.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie, vermeld in bijlage 2.5.3.13 en beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3, deel A, worden nageleefd.

Als vaste metingen de enige bron van gegevens zijn ter beoordeling van de luchtkwaliteit, mag het aantal bemonsteringspunten niet kleiner zijn dan het minimumaantal, vermeld in bijlage 2.5.3.5, deel C. Als die gegevens worden aangevuld met door indicatieve metingen of modellering verkregen gegevens, mag het minimumaantal bemonsteringspunten met ten hoogste 50% worden verminderd, mits de beoordeelde concentraties van de verontreinigende stof in kwestie kunnen worden vastgesteld overeenkomstig de gegevenskwaliteitsdoelstellingen, vermeld in bijlage 2.5.3.1, deel A.

Art. 2.5.2.3.4.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten met zich meebrengen om de blootstelling aan PM2,5 te verminderen, met als doel de gewestelijke streefwaarde inzake vermindering van de blootstelling, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel B, voor het daar genoemde jaar te bereiken.

De nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor het jaar 2015, vastgesteld overeenkomstig bijlage 2.5.3.14, deel A, de in deel C van die bijlage vastgelegde gewestelijke blootstellingsconcentratieverplichting niet overschrijdt.

De gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor PM2,5 wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.14, deel A.

Overeenkomstig bijlage 2.5.3.3 zijn het aantal van de bemonsteringspunten waarop de gewestelijke gemiddelde blootstellingsindex voor PM2,5 wordt gebaseerd, en de spreiding ervan zodanig dat een juist beeld wordt verkregen van de blootstelling van de bevolking in het algemeen. Het aantal bemonsteringspunten is niet kleiner dan het aantal dat wordt verkregen door de toepassing van bijlage 2.5.3.5, deel B.

Art. 2.5.2.3.5.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de streefwaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel D, vanaf de daar genoemde datum niet overschrijden.

Alle nodige maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de concentraties van PM2,5 in de lucht de grenswaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel E, vanaf de daar genoemde datum in de gehele zones en agglomeraties niet overschrijden. De naleving van dat voorschrift wordt beoordeeld overeenkomstig bijlage 2.5.3.3.

De overschrijdingsmarges, vermeld in bijlage 2.5.3.14, deel E, worden overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1, § 1, toegepast.

Art. 2.5.2.3.6.

Alle nodige maatregelen worden genomen die geen buitensporige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat de streefwaarden en langetermijndoelstellingen worden bereikt.

Voor zones en agglomeraties waar een streefwaarde wordt overschreden, worden het krachtens artikel 2.10.3.1 opgestelde programma en, indien van toepassing, een luchtkwaliteitsplan uitgevoerd om ervoor te zorgen dat met ingang van de datum, vermeld in bijlage 2.5.3.7, deel B, de streefwaarden worden bereikt, behalve als dat niet realiseerbaar is met maatregelen die geen buitensporige kosten meebrengen.

Voor zones en agglomeraties waar de ozonniveaus in de lucht hoger zijn dan de langetermijndoelstellingen, maar lager zijn dan of gelijk zijn aan de streefwaarden, wordt overgegaan tot de voorbereiding en uitvoering van kosteneffectieve maatregelen met als doel de langetermijndoelstellingen te bereiken. Die maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het luchtkwaliteitsplan en met het programma vermeld in lid 2.

Art. 2.5.2.3.7.

In zones en agglomeraties waar de ozonniveaus aan de langetermijndoelstellingen beantwoorden, worden de nodige maatregelen genomen om die niveaus beneden de langetermijndoelstellingen te houden, voor zover factoren zoals de grensoverschrijdende aard van ozonverontreiniging en de meteorologische omstandigheden dat toelaten, en wordt door het nemen van evenredige maatregelen de best mogelijke luchtkwaliteit in stand gehouden die verenigbaar is met duurzame ontwikkeling, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu.

Art. 2.5.2.3.8.

Als de informatiedrempel, vermeld in bijlage 2.5.3.12, of een van de alarmdrempels, vermeld in bijlage 2.5.3.12, overschreden worden, neemt de Vlaamse Milieumaatschappij de nodige stappen om de bevolking via de radio, televisie, kranten of het internet daarover in te lichten.

Aan de Europese Commissie worden door de Vlaamse Milieumaatschappij, via de geëigende kanalen, op voorlopige basis gegevens meegedeeld over de geregistreerde niveaus en de duur van de periodes waarin de alarmdrempel of de informatiedrempel is overschreden.

Art. 2.5.2.3.9.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt, via de geëigende kanalen, aan de Europese Commissie voor een bepaald jaar een lijst van zones en agglomeraties waar overschrijdingen van grenswaarden voor een bepaalde verontreinigende stof toe te schrijven zijn aan natuurlijke bronnen. Daarbij worden gegevens verstrekt over de concentraties en bronnen en het bewijsmateriaal dat aantoont dat de overschrijdingen aan natuurlijke bronnen zijn toe te schrijven.

Als de Europese Commissie overeenkomstig lid 1 in kennis is gesteld van een aan natuurlijke bronnen toe te schrijven overschrijding, wordt die overschrijding niet beschouwd als een overschrijding in de zin van deze afdeling.

Art. 2.5.2.3.10.

De Vlaamse Milieumaatschappij mag zones of agglomeraties aanwijzen waar de grenswaarden worden overschreden door concentraties van PM10 in de lucht die toe te schrijven zijn aan de opwerveling van deeltjes ten gevolge van het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt de Europese Commissie, via de geëigende kanalen, een lijst van al die zones of agglomeraties, alsook gegevens over de daar aanwezige PM10-concentraties en -bronnen.

Als de Vlaamse Milieumaatschappij de Europese Commissie daarvan overeenkomstig artikel 2.5.2.5.2 via de geëigende kanalen in kennis stelt, levert ze de nodige bewijzen dat die overschrijdingen veroorzaakt zijn door dergelijke opgewervelde deeltjes, en dat in redelijke mate is getracht de concentraties te verlagen.

Onverminderd artikel 2.5.2.3.9 wordt voor de zones en agglomeraties, vermeld in lid 1, het luchtkwaliteitsplan, vermeld in artikel 2.5.2.4.1 slechts vastgesteld als de overschrijdingen zijn toe te schrijven aan andere PM10-bronnen dan het strooien van zand en zout op de wegen in de winter.

Art. 2.5.2.3.11.

Als in een bepaalde zone of agglomeratie geen overeenstemming met de grenswaarden voor stikstofdioxide of benzeen kan worden bereikt op de uiterste tijdstippen, vermeld in bijlage 2.5.3.11, kan de Vlaamse minister een uitstel van maximaal vijf jaar verlenen voor die specifieke zone of agglomeratie, mits voldaan is aan de voorwaarde dat voor de zone of agglomeratie waarvoor het uitstel zou gelden, een luchtkwaliteitsplan wordt opgesteld overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1. Dat luchtkwaliteitsplan wordt aangevuld met de gegevens, vermeld in bijlage 2.5.3.15, deel B, die verband houden met de verontreinigende stoffen in kwestie en toont aan hoe overeenstemming kan worden bereikt met de grenswaarden vóór het nieuwe uiterste tijdstip, vermeld in bijlage 2.5.3.11.

Als wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaatomstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen in een bepaalde zone of agglomeratie geen overeenstemming kan worden bereikt met de grenswaarden voor PM10, vermeld in bijlage 2.5.3.11, kan de Vlaamse minister tot 11 juni 2011 vrijstelling verlenen van de verplichting om die grenswaarden toe te passen, mits aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan en aangetoond wordt dat op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau alle passende maatregelen genomen zijn om de uiterste tijdstippen na te leven.

Bij de toepassing van lid 1 of 2 wordt de overschrijding van de grenswaarde voor elke verontreinigende stof binnen de maximale overschrijdingsmarge, vermeld in bijlage 2.5.3.11, gehouden.

Van lid 1 en 2 kan gebruik worden gemaakt als aan volgende voorwaarden cumulatief is voldaan :
1° de Vlaamse minister stelt de Europese Commissie in kennis van het voornemen om lid 1 of 2 toe te passen;
2° het luchtkwaliteitsplan, vermeld in lid 1, met inbegrip van alle relevante gegevens die de Commissie nodig heeft om te beoordelen of aan de desbetreffende voorwaarden voldaan is, wordt door de Vlaamse minister aan de Europese Commissie bezorgd, na goedkeuring ervan door de Vlaamse Regering;
3° de Europese Commissie maakt geen bezwaren binnen negen maanden na de ontvangst van de kennisgeving zodat aan de desbetreffende voorwaarden voor toepassing van lid 1 of 2 geacht wordt voldaan te zijn.

Als de Europese Commissie binnen negen maanden na ontvangst van de kennisgeving, vermeld in lid 4, bezwaren maakt en indien zij verlangt dat de luchtkwaliteitsplannen worden aangepast of worden vervangen door nieuwe, dan bezorgt de Vlaamse minister de Europese Commissie het aangepaste of nieuwe luchtkwaliteitsplan, goedgekeurd door de Vlaamse Regering.

[Onderafdeling 2.5.2.4. Plannen (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
Art. 2.5.2.4.1.

§ 1. Als het niveau van verontreinigende stoffen in de lucht in bepaalde zones of agglomeraties een grenswaarde of streefwaarde, in beide gevallen verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, overschrijdt, worden voor die zones en agglomeraties luchtkwaliteitsplannen vastgesteld om de desbetreffende grenswaarde of streefwaarde, vermeld in bijlage 2.5.3.11 en 2.5.3.14, te bereiken.

In geval van overschrijding van grenswaarden waarvoor het uiterste tijdstip voor naleving al is verstreken, worden in de luchtkwaliteitsplannen passende maatregelen opgenomen, zodat de periode van overschrijding zo kort mogelijk kan worden gehouden. De luchtkwaliteitsplannen kunnen bovendien maatregelen omvatten die gericht zijn op de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen.

De luchtkwaliteitsplannen omvatten ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 2.5.3.15, deel A, en kunnen maatregelen omvatten overeenkomstig artikel 2.5.2.4.2. De plannen worden, nadat ze door de Vlaamse Regering zijn vastgesteld, onverwijld, maar uiterlijk twee jaar na het einde van het jaar waarin de eerste overschrijding is vastgesteld, door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie meegedeeld.

Als voor verschillende verontreinigende stoffen een plan moet worden opgesteld of uitgevoerd, worden, waar passend, geïntegreerde luchtkwaliteitsplannen opgesteld en uitgevoerd voor alle verontreinigende stoffen in kwestie.

§ 2. Er wordt gezorgd voor, voor zover dat uitvoerbaar is, samenhang met andere plannen of programma's die vereist zijn krachtens artikel 2.10.3 en artikel 2.2.4.4, om de relevante milieudoelstellingen te bereiken.

Art. 2.5.2.4.2.

§ 1. Als in een bepaalde zone of agglomeratie het risico bestaat dat de niveaus van verontreinigende stoffen een of meer alarmdrempels, vermeld in de bijlage 2.5.3.12, zullen overschrijden, worden actieplannen opgesteld die op korte termijn te nemen maatregelen bevatten om het risico van overschrijding of de duur ervan te beperken. Als dat risico geldt voor een of meer van de grenswaarden of streefwaarden, vermeld in de bijlage 2.5.3.7, 2.5.3.11 en 2.5.3.14, kunnen, als dat passend is, ook kortetermijnactieplannen worden opgesteld.

Als evenwel een risico bestaat dat de alarmdrempel voor ozon, vermeld in bijlage 2.5.3.12, deel B, zal worden overschreden, worden kortetermijnactieplannen alleen opgesteld als er, rekening houdend met de nationale geografische, meteorologische en economische omstandigheden, substantiële mogelijkheden bestaan om het risico, de duur of de ernst van een dergelijke overschrijding te verminderen. Als een kortetermijnactieplan wordt opsteld, wordt rekening gehouden met Beschikking 2004/279/EG van de Commissie van 19 maart 2004 betreffende een leidraad voor de uitvoering van Richtlijn 2002/3/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende ozon in de lucht.

§ 2. De kortetermijnactieplannen, vermeld in paragraaf 1, kunnen, naargelang van het geval, voorzien in effectieve maatregelen om activiteiten die bijdragen tot het risico op overschrijding van de respectieve grenswaarden, streefwaarden of alarmdrempels, te beheersen en indien nodig op te schorten. De actieplannen kunnen maatregelen voor het verkeer van motorvoertuigen, bouwwerkzaamheden, voor anker liggende schepen en het gebruik van industriële installaties of producten, en de verwarming van woningen behelzen. In het kader van die plannen kunnen ook specifieke acties voor de bescherming van kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals kinderen, in overweging worden genomen.

§ 3. Als een kortetermijnactieplan is opgesteld, worden de resultaten van onderzoeken naar de haalbaarheid en de inhoud van de specifieke kortetermijnactieplannen, alsook gegevens over de uitvoering van die plannen beschikbaar gesteld voor de bevolking en voor belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die bij de gezondheidszorg betrokken zijn, en de belanghebbende vakverenigingen.

Art. 2.5.2.4.3.

Onverminderd artikel 2.5.2.4.2, § 3 worden de plannen en programma's, vermeld in deze onderafdeling, en elke wijziging of herziening ervan, als volgt opgesteld :
1° de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging stelt het ontwerpplan en -programma op, wijzigt of herziet de bestaande plannen en programma's en kan daarbij de meest belanghebbende overheidsorganen, instellingen, privaatrechtelijke organisaties en sociale en maatschappelijke groeperingen betrekken. Het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt vervolgens bekendgemaakt aan het publiek, zoals bepaald in 2° en 3°;
2° het ontwerp van plan of programma of het ontwerp van wijziging of herziening wordt, na goedkeuring door de Vlaamse Regering, door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging zorgt ook voor de actieve consultatie van het publiek via de voor haar gebruikelijke kanalen, zoals elektronische middelen en media, waaronder de publicatie in twee kranten, en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Bij de bekendmaking wordt er gewezen op het recht op inspraak van het publiek in de besluitvorming over de plannen en programma's, en wordt er vermeld aan welke instantie vragen en opmerkingen als vermeld in dit artikel gericht moeten worden. Gedurende een termijn van een maand, die ingaat op de dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, kan het publiek bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging;
3° tegelijkertijd met de bekendmaking ervan wordt het ontwerp bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen en aan de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengen binnen een vervaltermijn van een maand nadat ze het ontwerp hebben ontvangen. Die adviezen zijn niet bindend;
4° het plan of programma of de wijziging of herziening ervan wordt vastgesteld door de Vlaamse Regering, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering het door de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen of door de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen uitgebrachte advies, of de door het publiek ter kennis gebrachte bezwaren en opmerkingen geheel of gedeeltelijk niet volgt, verantwoordt ze dat in een verslag, gevoegd bij bekendmaking vermeld in punt 5°;
5° het plan of programma of de wijziging of herziening ervan wordt samen met het verslag, vermeld in punt 4°, bekendgemaakt aan het publiek via de publicatie in twee kranten en via de website van de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. Het plan of programma wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Art. 2.5.2.4.4.

Als een alarmdrempel, grenswaarde of streefwaarde, verhoogd met de toepasselijke overschrijdingsmarge, of een langetermijndoelstelling wordt overschreden ten gevolge van aanzienlijk grensoverschrijdend transport van verontreinigende stoffen of de precursoren daarvan, wordt met de landen in kwestie samengewerkt en worden, indien mogelijk, gezamenlijke activiteiten ontplooid, zoals het opstellen van gezamenlijke of gecoördineerde luchtkwaliteitsplannen overeenkomstig artikel 2.5.2.4.1, om de overschrijdingen op te heffen door passende maar evenredige maatregelen uit te voeren.

De Europese Commissie wordt uitgenodigd om bij samenwerkingsactiviteiten vermeld in lid 1 aanwezig te zijn en daaraan haar medewerking te verlenen.

Als dat opportuun is overeenkomstig artikel 2.5.2.4.2 wordt overgegaan tot het opstellen en uitvoeren van gezamenlijke kortetermijnactieplannen die naburige zones in andere landen bestrijken. De Vlaamse minister zorgt ervoor dat als naburige zones in andere landen kortetermijnactieplannen hebben ontwikkeld, ze alle relevante gegevens ontvangen.

Als de informatiedrempel of de alarmdrempels worden overschreden in zones of agglomeraties in de nabijheid van nationale grenzen, worden zo snel mogelijk door de Intergewestelijke Cel voor het Leefmilieu gegevens verstrekt aan de bevoegde instanties van het naburige land in kwestie. Die gegevens worden ook aan de bevolking ter beschikking gesteld.

Bij het opstellen van plannen overeenkomstig lid 1 en 3 en bij het verstrekken van informatie aan de bevolking overeenkomstig lid 4 wordt, als dat opportuun is, gestreefd naar samenwerking met derde landen en met name met kandidaat-lidstaten van de Europese Unie.

[Onderafdeling 2.5.2.5. Informatie en verslaglegging (ing. BVR 14 januari 2011, art. 5, I: 24 februari 2011)]
Art. 2.5.2.5.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat aan de bevolking, alsook aan belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die betrokken zijn bij de gezondheidszorg en de belanghebbende vakverenigingen, adequaat en tijdig de luchtkwaliteit, overeenkomstig bijlage 2.5.3.16 wordt meegedeeld.

De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, zorgt ervoor dat de bevolking, alsook belanghebbende organisaties, zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen, andere organen die betrokken zijn bij de gezondheidszorg en de belanghebbende vakverenigingen, adequaat en tijdig het volgende wordt meegedeeld :
1° de besluiten tot uitstel, vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 1;
2° de vrijstellingen, vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 2;
3° de luchtkwaliteitsplannen vermeld in artikel 2.5.2.3.11, lid 1, artikel 2.5.2.4.1 en artikel 2.5.2.4.2 en de programma's vermeld in artikel 2.5.2.3.6, lid 2.

De gegevens worden kosteloos ter beschikking gesteld via algemeen toegankelijke media, waaronder het internet of andere geschikte vormen van telecommunicatie. Daarbij wordt rekening gehouden met de bepalingen van het decreet van 20 februari 2009 betreffende de Geografische Data-Infrastructuur Vlaanderen en de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 2. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt aan de bevolking jaarverslagen ter beschikking over alle verontreinigende stoffen die onder deze afdeling vallen.

De verslagen bevatten een samenvatting van de concentraties die de grenswaarden, streefwaarden, langetermijndoelstellingen, informatiedrempels en alarmdrempels gedurende de vastgestelde middelingstijden hebben overschreden. Bij die gegevens wordt een beknopte beoordeling gevoegd van de gevolgen van de overschrijdingen. De verslagen kunnen in voorkomend geval nadere gegevens over en beoordelingen van de bosbescherming omvatten, alsook gegevens over andere verontreinigende stoffen waarvoor bepalingen inzake bewaking zijn opgenomen, zoals diverse, niet-gereguleerde ozonprecursoren als vermeld in bijlage 2.5.3.10, deel B.

Art. 2.5.2.5.2.

Dit artikel is nog niet in werking. Hieronder vindt u de "toekomstige versie".

Dit artikel is van toepassing op informatie die is verzameld vanaf het begin van het tweede kalenderjaar na de inwerkingtreding van dit artikel.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de gegevens over de luchtkwaliteit via de geëigende kanalen ter beschikking van de Europese Commissie.

Met het oog op de toetsing aan de grenswaarden, de kritieke niveaus en de streefwaarden worden de volgende gegevens uiterlijk negen maanden na het einde van elk jaar ter beschikking van de Europese Commissie gesteld :
1° de wijzigingen die dat jaar zijn aangebracht in de lijst, vermeld in artikel 2.5.2.1.3. en in de afbakening van zones en agglomeraties;
2° de lijst van zones en agglomeraties waarin de niveaus van een of meer verontreinigende stoffen hoger zijn dan de grenswaarden, in voorkomend geval verhoogd met de overschrijdingsmarge, of hoger dan de streefwaarden of kritieke niveaus, met voor die zones en agglomeraties :
a) de beoordeelde niveaus en, in voorkomend geval, de data en perioden waarin die niveaus zijn geconstateerd;
b) indien van toepassing, een beoordeling betreffende de bijdragen van natuurlijke bronnen en opgewervelde deeltjes na het strooien van zand en zout op de wegen in de winter aan de beoordeelde niveaus, zoals die opgegeven is aan de Europese Commissie als vermeld in artikel 2.5.2.3.9 en 2.5.2.3.10.

[Afdeling 2.5.3. Beoordeling en beheer van de luchtkwaliteit]
[Onderafdeling 2.5.3.1. Doelstellingen]
Art. 2.5.3.1.

...

[Onderafdeling 2.5.3.2. Uitvoering en verantwoordelijkheden]
Art. 2.5.3.2.

...

[Onderafdeling 2.5.3.3. Vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels voor de lucht]
Art. 2.5.3.3.

...

[Onderafdeling 2.5.3.4. Voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit]
Art. 2.5.3.4.

...

[Onderafdeling 2.5.3.5. Beoordeling van de luchtkwaliteit]
Art. 2.5.3.5.

...

[Onderafdeling 2.5.3.6. Algemene eisen inzake verbetering van de luchtkwaliteit]
Art. 2.5.3.6.

...

[Onderafdeling 2.5.3.7. Maatregelen die van toepassing zijn in zones waar de niveaus hoger liggen dan de grenswaarde]
Art. 2.5.3.7.

...

[Onderafdeling 2.5.3.8. Eisen die van toepassing zijn in zones waar de niveaus onder de grenswaarde liggen]
Art. 2.5.3.8.

...

[Onderafdeling 2.5.3.9. Maatregelen voor gevallen waarin de niveaus boven de alarmdrempels liggen]
Art. 2.5.3.9.

...

[Onderafdeling 2.5.3.10. Indiening van informatie en verslagen]
Art. 2.5.3.10.

...

[Afdeling 2.5.4. Beoordeling en beheer van zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood]
[Onderafdeling 2.5.4.1. Zwaveldioxide]
Art. 2.5.4.1.

...

[Onderafdeling 2.5.4.2. Stikstofdioxide en stikstofoxiden]
Art. 2.5.4.2.

...

[Onderafdeling 2.5.4.3. Zwevende deeltjes]
Art. 2.5.4.3.

...

[Onderafdeling 2.5.4.4. Lood]
Art. 2.5.4.4.

...

[Onderafdeling 2.5.4.5. Beoordeling van de concentraties]
Art. 2.5.4.5.

...

[Onderafdeling 2.5.4.6. Informatie van het publiek]
Art. 2.5.4.6.

...

[Afdeling 2.5.5. Beoordeling en beheer van benzeen en koolmonoxide]
[Onderafdeling 2.5.5.1. Benzeen]
Art. 2.5.5.1.

...

[Onderafdeling 2.5.5.2. Koolmonoxide]
Art. 2.5.5.2.

...

[Onderafdeling 2.5.5.3. Beoordeling van de concentraties]
Art. 2.5.5.3.

...

[Onderafdeling 2.5.5.4. Informatie voor de bevolking]
Art. 2.5.5.4.

...

[Afdeling 2.5.6. Beoordeling en beheer van ozon]
[Subafdeling 2.5.6.1. Richtwaarden en langetermijndoelstellingen]
Art. 2.5.6.1.

...

[Subafdeling 2.5.6.2. Beoordeling van de ozon- en precursorenconcentraties]
Art. 2.5.6.2.

...

[Subafdeling 2.5.6.3. Eisen in zones en agglomeraties om de richtwaarden en langetermijndoelstellingen te bewerkstelligen]
Art. 2.5.6.3.

...

[Subafdeling 2.5.6.4. Informatie voor de bevolking]
Art. 2.5.6.4.

...

[Subafdeling 2.5.6.5. Veiligheidsmaatregelen]
Art. 2.5.6.5.

...

[Subafdeling 2.5.6.6. Grensoverschrijdende luchtverontreiniging]
Art. 2.5.6.6.

...

[Subafdeling 2.5.6.7. Indiening van informatie en verslagen aan de Europese Commissie]
Art. 2.5.6.7.

...

[Afdeling 2.5.7. Beoordeling en beheer van arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen, en beoordeling van kwik (ing. BVR 22 december 2006, art. 3)]
[Onderafdeling 2.5.7.1. Milieukwaliteitsnormen voor arseen, cadmium, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (ing. BVR 22 december 2006, art. 3)]
Art. 2.5.7.1.

De bevoegde diensten van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie stellen alle nodige maatregelen voor die geen onevenredige kosten meebrengen, om ervoor te zorgen dat vanaf 31 december 2012 de concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen, gebruikt als merker voor het carcinogene risico van polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, beoordeeld overeenkomstig artikel 2.5.7.2, de streefwaarden van bijlage 2.5.8.1 niet overschrijden. Die maatregelen worden aan de minister voorgelegd ter bekrachtiging. De bevoegde diensten zorgen voor de uitvoering van de maatregelen.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt een lijst op van de zones en agglomeraties waar de niveaus van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen onder de respectieve streefwaarden liggen. In die zones en agglomeraties worden de niveaus van die verontreinigende stoffen beneden de respectieve streefwaarden gehouden en wordt er naar gestreefd om de met duurzame ontwikkeling verenigbare optimale luchtkwaliteit te handhaven.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt een lijst op van de zones en agglomeraties waar de streefwaarden, vermeld in bijlage 2.5.8.1 worden overschreden. Voor die zones en agglomeraties specificeert de Vlaamse Milieumaatschappij de overschrijdingsgebieden en, in samenspraak met de bevoegde diensten van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, de bronnen die aan de overschrijdingen bijdragen. De bevoegde diensten van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie moeten aantonen dat in de gebieden in kwestie alle noodzakelijke maatregelen die geen onevenredige kosten meebrengen, met name gericht op de grootste emissiebronnen, worden toegepast om de streefwaarden te bereiken. In het geval van GPBV-installaties is dit de toepassing van de beste beschikbare techniek zoals gedefinieerd in artikel 1, 29°, van titel I van het VLAREM.

[Onderafdeling 2.5.7.2. Beoordeling van concentraties in de buitenlucht en van deposities (ing. BVR 22 december 2006, art. 3)]
Art. 2.5.7.2.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij beoordeelt de luchtkwaliteit van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen op het gehele grondgebied.

§ 2. Meting overeenkomstig de criteria vermeld in § 7, is verplicht in de volgende zones :
1° zones en agglomeraties waar de niveaus tussen de bovenste en de onderste beoordelingsdrempel liggen, en
2° andere zones en agglomeraties waar de niveaus de bovenste beoordelingsdrempel overschrijden.

De metingen kunnen worden aangevuld met modellen die een adequaat niveau van informatie over de luchtkwaliteit bieden.

§ 3. Er kan een combinatie van metingen, inclusief indicatieve metingen overeenkomstig bijlage 2.5.8.4, deel I, en modellen worden gebruikt om de luchtkwaliteit te beoordelen in zones en agglomeraties waar de niveaus gedurende een representatieve periode tussen de bovenste en onderste beoordelingsdrempel liggen. Dit wordt vastgesteld volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II.

§ 4. In zones en agglomeraties waar de niveaus onder de onderste beoordelingsdrempel liggen, vast te stellen volgens de bepalingen vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II, mag voor het beoordelen van de niveaus uitsluitend gebruik worden gemaakt van modellen of technieken op basis van objectieve ramingen.

§ 5. Als verontreinigende stoffen moeten worden gemeten, worden de metingen op vaste meetpunten verricht, hetzij continu, hetzij door middel van aselecte bemonstering. Het aantal metingen is groot genoeg om de niveaus te kunnen vaststellen.

§ 6. Voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht gelden de bovenste en onderste beoordelingsdrempels vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel I. De indeling van elke zone of agglomeratie voor de toepassing van dit artikel wordt ten minste om de vijf jaar volgens de procedure vermeld in bijlage 2.5.8.2, deel II geëvalueerd. De indeling wordt eerder geëvalueerd als significante wijzigingen optreden in activiteiten die relevant zijn voor de concentraties van arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht.

§ 7. De criteria voor de bepaling van de plaats van de monsternemingspunten waar de concentraties arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen in de lucht worden gemeten om te beoordelen of de streefwaarden worden nageleefd, zijn vermeld in bijlage 2.5.8.3, deel I en II. Het minimumaantal monsternemingspunten voor vaste metingen van de concentraties van elke verontreinigende stof is vastgesteld in bijlage 2.5.8.3, deel IV. De monsternemingspunten worden geïnstalleerd in elke zone of agglomeratie waar metingen moeten worden uitgevoerd als vaste metingen de enige bron van gegevens zijn over de concentraties binnen die zone of agglomeratie.

§ 8. Om de bijdrage van benzo(a)pyreen in de lucht te beoordelen, wordt gezorgd voor de monitoring van andere relevante polycyclische aromatische koolwaterstoffen op een beperkt aantal meetpunten. Die verbindingen omvatten ten minste benzo(a)antraceen, benzo(b)fluorantheen, benzo(j)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, indeno(1,2,3-cd)pyreen en dibenzo(a,h)antraceen. Meetpunten voor die polycyclische aromatische koolwaterstoffen worden op dezelfde locatie geplaatst als de monsternemingspunten voor benzo(a)pyreen en moeten zo worden geselecteerd dat geografische variatie en lange termijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage 2.5.8.3, delen I, II en III zijn van toepassing.

§ 9. Ongeacht de concentratieniveaus moet voor achtergrondwaarden een monsternemingspunt worden geïnstalleerd voor de indicatieve meting in de lucht van arseen, cadmium, totaal gasvormig kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstofverbindingen, vermeld in § 8 en van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel, benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen vermeld in § 8. Er wordt ten minste één meetstation geplaatst. Er mogen met onderlinge instemming en overeenkomstig richtsnoeren van de Europese Commissie, een of meer gemeenschappelijke meetstations geplaatst worden die naburige zones in aangrenzende landen bestrijken om de nodige ruimtelijke resolutie (1 station per 100.000 km2) te verkrijgen. De meting van tweewaardig kwik in deeltjes en als gas wordt aanbevolen. Waar dat nuttig is, moet de monitoring worden gecoördineerd met de monitoringstrategie en het meetprogramma van het Programma voor samenwerking inzake de bewaking en de evaluatie van het transport van luchtverontreinigende stoffen over lange afstand in Europa (European Monitoring and Evaluation of Pollutants, EMEP). De monsternemingspunten voor die verontreinigende stoffen moeten zo worden geselecteerd dat geografische variatie en lange termijntendensen kunnen worden vastgesteld. Bijlage 2.5.8.3, delen I, II en III zijn van toepassing.

§ 10. Waar regionale patronen van de invloed op ecosystemen worden beoordeeld, kan het gebruik van bio-indicatoren worden overwogen.

§ 11. In zones en agglomeraties waarin de informatie uit vaste meetstations wordt aangevuld met informatie uit andere bronnen, zoals emissie-inventarissen, indicatieve meetmethoden of luchtkwaliteitsmodellen, moet het aantal geïnstalleerde vaste meetstations en de ruimtelijke resolutie van andere technieken toereikend zijn om de concentraties van verontreinigende stoffen in de lucht overeenkomstig bijlage 2.5.8.3, deel I, en bijlage 2.5.8.4, deel I, te kunnen bepalen.

§ 12. De kwaliteitsdoelstellingen voor de gegevens zijn vastgelegd in bijlage 2.5.8.4, deel I. Als voor de beoordeling gebruik wordt gemaakt van luchtkwaliteitsmodellen, is bijlage 2.5.8.4, deel II van toepassing.

§ 13. De referentiemethoden voor de bemonstering en analyse van arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht staan vermeld in bijlage 2.5.8.5, deel I, II en III. De referentietechnieken voor het meten van de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen staan vermeld in bijlage 2.5.8.5, deel IV, en de referentietechnieken voor modellen voor de luchtkwaliteit worden in bijlage 2.5.8.5, deel V vastgesteld als die technieken beschikbaar zijn.

§ 14. De Vlaamse Milieumaatschappij brengt via de geëigende kanalen de Europese Commissie uiterlijk op 15 februari 2007 op de hoogte van de methoden voor de voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit volgens artikel 2.5.3.10, 5°, van titel II van het VLAREM.

[Onderafdeling 2.5.7.3. Indiening van informatie en verslagen aan de Europese Commissie (ing. BVR 22 december 2006, art. 3)]
Art. 2.5.7.3.

§ 1. Met betrekking tot de zones en agglomeraties waar een van de streefwaarden van bijlage 2.5.8.1 wordt overschreden, verstrekken de Vlaamse Milieumaatschappij, in overleg met de bevoegde diensten van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie voor de bepaling van de redenen voor de overschrijding en in het bijzonder de bronnen die ertoe bijdragen, via de geëigende kanalen de volgende informatie aan de Europese Commissie :
1° de lijsten van de desbetreffende zones en agglomeraties;
2° de overschrijdingsgebieden;
3° de vastgestelde concentratiewaarden;
4° de redenen voor de overschrijding en in het bijzonder de bronnen die ertoe bijdragen;
5° de bevolking die wordt blootgesteld aan de overschrijding.

De Vlaamse Milieumaatschappij verstrekt verder alle gegevens die beoordeeld zijn overeenkomstig artikel 2.5.7.2, tenzij dit al is gebeurd ter uitvoering van Beschikking 97/101/EG van de Raad van 27 januari 1997 tot invoering van een regeling voor de onderlinge uitwisseling van informatie over en gegevens van meetnetten en meetstations voor luchtverontreiniging in de lidstaten inzake de onderlinge uitwisseling van informatie.

De informatie wordt voor elk kalenderjaar uiterlijk op 30 september van het volgende jaar aan de Europese Commissie bezorgd en de eerste keer voor het kalenderjaar, volgend op 15 februari 2007.

§ 2. Naast de eisen, vermeld in § 1, rapporteert de Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid via de geëigende kanalen alle maatregelen die genomen zijn krachtens artikel 2.5.7.1.

[Onderafdeling 2.5.7.4. Informatie voor de bevolking (ing. BVR 22 december 2006, art. 3)]
Art. 2.5.7.4.

De Vlaamse Milieumaatschappij zorgt ervoor dat voor het publiek en voor de organisaties die in aanmerking komen zoals milieuorganisaties, consumentenorganisaties, organisaties die de belangen van kwetsbare bevolkingsgroepen behartigen en andere relevante instanties voor de gezondheidszorg, duidelijke en begrijpelijke informatie toegankelijk is en regelmatig ter beschikking wordt gesteld over de concentratie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen, en voor de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen in de lucht, vermeld in artikel 2.5.7.2, § 8 evenals over de totale depositie van arseen, cadmium, kwik, nikkel en benzo(a)pyreen en de overige polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 2.5.7.2, § 8.

In die informatie worden ook de jaarlijkse overschrijdingen vermeld van de streefwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen overeenkomstig bijlage 2.5.8.1. De informatie vermeldt tevens de redenen voor de overschrijding en het gebied waarop die van toepassing is. Voorts omvat ze een korte beoordeling van de streefwaarde en passende gegevens over de gevolgen voor de gezondheid en over de milieueffecten.

De Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid stelt gegevens over eventuele maatregelen die genomen zijn krachtens artikel 2.5.7.1 beschikbaar aan de organisaties, vermeld in lid 1.

De informatie vermeld in lid 1, lid 2 en lid 3, wordt beschikbaar gesteld via bijvoorbeeld internet, de pers en andere gemakkelijk toegankelijke media.

HOOFDSTUK 2.6. BELEIDSTAKEN TERZAKE ASBESTBEHEERSING

Art. 2.6.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging.

Art. 2.6.0.2.

De EU-Commissie wordt overeenkomstig de Richtlijn 87/217/EEG door de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij via de geigende kanalen:
- driejaarlijks ingelicht over de tenuitvoerlegging van deze Richtlijn.
- in kennis gesteld van de voor de bepaling van de asbestconcentraties gebruikte monsternemings- en analyseprocedures en -methoden alsmede van informatie die van belang is om de doelmatigheid hiervan te beoordelen.

HOOFDSTUK 2.7. [BELEIDSTAKEN INZAKE AFVALSTOFFEN]

Art. 2.7.0.1.

(ing. B.V.R. 24 maart 1998, art. 5) ] [... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

Art. 2.7.0.2.

(ing. B.V.R. 24 maart 1998, art. 5) ] [... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

Art. 2.7.0.3.

(ing. B.V.R. 24 maart 1998, art. 5) ] [... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

[Afdeling 2.7.1. Verslaggeving aan de Europese Commissie]
Art. 2.7.1.1.

§ 1. Overeenkomstig artikel 15 van de EG-richtlijn 1999/31/EG van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van deze EG-richtlijn, waarin speciaal aandacht wordt geschonken aan de Vlaamse strategieën die krachtens artikel 5 van dezelfde richtlijn aangaande afvalstoffen en vormen van behandeling die niet op een stortplaats mogen worden aanvaard, moeten worden ontwikkeld. Dat verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of schema opgesteld door de Europese Commissie volgens de procedure van artikel 6 van EG-richtlijn 91/692/EEG.

§ 2. Het verslag wordt aan de Europese Commissie toegezonden, telkens binnen negen maanden na afloop van de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft.

Art. 2.7.1.2.

Overeenkomstig de Beschikking van de Raad 2003/33/EG van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen, en meer bepaald punt 2 van de bijlage ervan, stelt de OVAM jaarlijks een verslag op over het aantal vergunningen die krachtens de bepalingen van artikel 5.2.4.1.6, § 2, zijn afgegeven.

Die verslagen worden om de drie jaar door de OVAM via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie toegezonden als onderdeel van de rapportage bedoeld in artikel 2.7.1.1.

Art. 2.7.1.3.

Overeenkomstig artikel 72 van de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) zendt de OVAM om de drie jaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie een verslag over de uitvoering van hoofdstuk IV van die EG-richtlijn.

Het verslag wordt elektronisch aan de Europese Commissie toegezonden.

Het verslag wordt door de OVAM gepubliceerd.

[Afdeling 2.7.2. Verslaggeving ter inzage (ing. BVR 7 juni 2013, art. 47, I: 20 september 2013)]
Art. 2.7.2.1.

De OVAM publiceert een lijst van afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties met een capaciteit van minder dan 2 ton/uur zoals vermeld in artikel 33bis van titel I van het VLAREM.

[HOOFDSTUK 2.8. BELEIDSTAKEN TER ZAKE GEINTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING]

[Afdeling 2.8.0. Beleidstaken ter uitvoering van de EU-Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (ing. BVR 7 juni 2013, art. 48, I: 20 september 2013)]
Art. 2.8.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld in uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. (ing. B.V.R. 24 maart 1998, art. 6, I: 30 april 1998) ]

Art. 2.8.0.2.

Overeenkomstig de EU-richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging draagt  de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, er zorg voor dat de onder zijn bevoegdheid ressorterende adviesverlenende overheidsorganen waarvan sprake in artikel 20 van titel I van het VLAREM, ieder voor wat hun ad-viesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden.

Art. 2.8.0.3.

§ 1. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, wordt aangewezen als autoriteit voor de uitwisseling van de informatie bedoeld in het artikel 17 van de EU-richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging. De minister stelt via de geëigende kanalen de EU-Commissie van de aanwijzing in kennis.

§ 2. De Europese Commissie wordt overeenkomstig de EU-richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid via de geëigende kanalen in kennis gesteld van de representatieve gegevens over de beschikbare grenswaarden die zijn vast-gesteld voor de GPBV-installaties en in voorkomend geval van de beste beschikbare technieken waarop die waarden zijn gebaseerd, met name in overeenstemming met de bepalingen van titel I van het VLAREM. A B

Deze kennisgeving gebeurt driejaarlijks en voor het eerst uiterlijk op 30 april 2001.

Art. 2.8.0.4.

...

[Afdeling 2.8.1. Beleidstaken ter uitvoering van hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (ing. BVR 7 juni2013, art. 52, I: 20 september 2013)]
Art. 2.8.1.1.

Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) draagt de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, er zorg voor dat de adviesverlenende overheidsorganen, vermeld in artikel 20 van titel I van het VLAREM, die onder zijn bevoegdheid ressorteren, ieder voor wat hun adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van de BBT en de bekendmaking van nieuwe of bijgewerkte BBT-conclusies volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden en informeert de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, het publiek daarover.

[HOOFDSTUK 2.8bis BELEIDSTAKEN MET BETREKKING TOT HET EUROPEES REGISTER VOOR VERONTREINIGENDE STOFFEN]

Art. 2.8bis.0.1

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en de Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en de overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad.

Art. 2.8bis.0.2.

Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie houdt vanaf het verslagjaar 2007 een elektronisch register bij met de informatie die nodig is voor de rapportering aan de Europese Commissie in het kader van het Europees register inzake de uitstoot en de overbrenging van verontreinigende stoffen.

Daartoe houdt het departement onder meer een lijst bij van de inrichtingen die onder het toepassingsgebied van de Verordening vallen.

De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en de Vlaamse Milieumaatschappij selecteren elk wat hun bevoegdheid betreft, de vereiste gegevens voor het Europees register uit de gegevens die werden bezorgd door de exploitanten op grond van artikel 4.1.8.1 en volgende van dit besluit.

Art. 2.8bis.0.3.

§ 1. Het departement rapporteert jaarlijks via elektronische gegevensoverdracht en via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie conform artikel 7 van de Verordening.

§ 2. De afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid rapporteert elk derde verslagjaar via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie over de aanvullende informatie, vermeld in artikel 16 van de Verordening.

[HOOFDSTUK 2.9. BELEIDSTAKEN INZAKE DE BEPERKING VAN DE EMISSIE VAN VLUCHTIGE ORGANISCHE STOFFEN TEN GEVOLGE VAN HET GEBRUIK VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN BIJ BEPAALDE WERKZAAMHEDEN EN INSTALLATIES]

Art. 2.9.0.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld ter uitvoering van de wet van 28 december 1964 op de bestrijding van de luchtverontreiniging en het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuver-gunning. (ing. B.V.R. 20 april 2001, art. 7, I: 10 juli 2001) ]

Art. 2.9.0.2.

Overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG van 11 maart 1999 inzake de beper­king van de emissie van vluch­tige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmid­de­len bij bepaalde werkzaam­heden en in­stallaties draagt de minister er zorg voor dat de onder zijn bevoegd­heid ressorterende over­heidsorganen waar­van sprake is in artikel 20 van titel I van het VLAREM, ieder wat zijn ad­viesbevoegdheid betreft, de ontwikke­lin­gen op het gebied van emissie­beperking van vluch­tige organische stoffen (beste beschikbare technieken, ver­van­ging door milieuvriendelijkere alternatieven, ...) volgen of daarvan op de hoogte worden gehouden en eveneens toepassen bij de advies­verlening. Daarbij wordt ondermeer uitge­gaan van de informatie die de Europese Commissie publiceert ter uit­voering van artikel 7, eerste lid, van richtlijn 1999/13/EG. (ing. B.V.R. 20 april 2001, art. 7, I: 10 juli 2001)]

Art. 2.9.0.3.

§ 1. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging wordt aangewezen als au-toriteit voor de uitwisseling van de informatie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de richtlijn 1999/13/EG en in artikel 64 van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging). De minister stelt via de geëigende kanalen de Europese Commissie van deze aanwijzing in kennis.

§ 2. De afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging brengt overeenkomstig de EG-richtlijn 1999/13/EG de Europese Commissie elke drie jaar via de geëigende kanalen verslag uit over de uitvoering van deze richtlijn. Het verslag wordt aan de Commissie voorgelegd binnen negen maanden na de periode van drie jaar waarop het betrekking heeft. Behoudens de in artikel 5.59.2, tweede en derde lid, van richtlijn 90/313/EEG, vastgestelde beperkingen publiceert de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging de verslagen op het tijdstip waarop ze bij de Commissie worden ingediend. Het eerste verslag bestrijkt de eerste drie jaar na 1 april 2001.

§ 3. Het in § 2 genoemde verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst of een schema, uitgewerkt door de Commissie volgens de procedure van artikel 6 van richtlijn 1991/692/EEG.

Het verslag omvat voldoende representatieve gegevens om aan te tonen dat voldaan is aan de voorschriften van artikel 5 van richtlijn 1999/13/EG. In dit verslag wordt ook een overzicht gegeven van de afwijkingen die zijn verleend ter uitvoering van artikel 5.59.2.1, § 2, van dit besluit.

[HOOFDSTUK 2.10. BELEIDSTAKEN INZAKE EMISSIEPLAFONDS VOOR SO2, NOx, VOS EN NH3]

[Afdeling 2.10.1. Emissieplafonds]
Art. 2.10.1.1.

§ 1. Dit hoofdstuk heeft tot doel de emissies van verzurende en eutrofiërende verontrei-nigende stoffen en van precursoren van ozon te beperken om aldus de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid tegen de risico's van schadelijke gevolgen van verzuring, bodemeutrofiëring en ozon op leefniveau te verbeteren, en dichter bij het einddoel te komen, namelijk dat de kritische niveaus en de kritische belasting niet worden overschreden en dat eenieder effectief wordt beschermd tegen de bekende gezondheidsrisico's van luchtverontreiniging door het opstellen van emissieplafonds en de eventuele herziening ervan, waarbij de jaren 2010 en 2020 als richtdata worden genomen.

§ 2. Tegen 2010 is de jaarlijkse emissie van de verontreinigende stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische stoffen (VOS) en ammoniak (NH3) van alle bronnen in Vlaanderen exclusief de transportsector, beperkt tot hoeveelheden die niet groter zijn dan de emissieplafonds van bijlage 2.10.A. Het Departement werkt hiertoe in overleg met alle betrokken diensten de nodige maatregelen uit die door de minister ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de Vlaamse regering. Alle betrokken diensten zorgen voor de uitvoering van de goedgekeurde maatregelen.

Het Departement werkt tevens in overleg met alle betrokken diensten de nodige maatregelen uit voor de Vlaamse bijdrage tot het bereiken van het in bijlage 2.10.A opgenomen Belgische emissieplafond voor de transportsector. Deze maatregelen worden door de minister ter bekrachtiging voorgelegd aan de Vlaamse regering. Hierbij wordt rekening gehouden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit de verslagen van de Europese Commissie. Alle betrokken diensten zorgen voor de uitvoering van de goedgekeurde maatregelen.

§ 3. De in bijlage 2.10.A aangegeven emissieplafonds voor Vlaanderen mogen vanaf het jaar 2010 niet worden overschreden.

[Afdeling 2.10.2. Tussentijdse beleidsdoelstellingen]
Art. 2.10.2.1.

§ 1. Het Vlaams reductiebeleid inzake grensoverschrijdende luchtverontreiniging, zal bijdragen tot de verwezenlijking van het reductiebeleid van de Europese Unie waarvoor de volgende tussentijdse milieudoelstellingen gelden voor 2010:
1° verzuring: vergeleken met de situatie in 1990 moet het areaal, waar de kritische belasting inzake verzuring wordt overschreden, in ieder roostervak binnen de Europese Unie met ten minste 50 % zijn teruggebracht;
2° gezondheidsgerelateerde blootstelling aan ozon op leefniveau. In alle roostervakken binnen de Europese Unie waar de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting hoger is dan het gezondheidsgerelateerde criterium (AOT60=0), moet deze belasting ten opzichte van de situatie in 1990 met twee derden worden teruggebracht. Bovendien mag de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting in geen enkel roostervak binnen de Europese Unie de absolute grens van 2,9 ppm.uur overschrijden;
3° vegetatiegerelateerde blootstelling aan ozon op leefniveau. In alle roostervakken binnen de Europese Unie waar de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting hoger is dan het kritische niveau voor landbouwgewassen en halfnatuurlijke vegetatie (AOT40=3 ppm.uur) moet deze ten opzichte van de situatie in 1990 met een derde worden te-ruggebracht. Bovendien mag de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting in geen enkel roostervak binnen de Eu-ropese Unie de absolute grens van 10 ppm.uur, uitgedrukt als een overschot boven het kritische niveau van 3 ppm.uur, overschrijden.

§ 2. De emissieplafonds van bijlage 2.10.A zijn een eerste stap in de Vlaamse bijdrage tot het bereiken van de in § 1 vermelde Europese tussentijdse doelstellingen. (ing. B.V.R. 14 maart 2003, art. 10, I: 24 april 2003) ]

[Afdeling 2.10.3. Programma's]
Art. 2.10.3.1.

§ 1. Het Departement stelt programma's op met alle betrokken diensten die door de minister ter bekrachtiging worden voorgelegd aan de Vlaamse regering voor een geleidelijke reductie van de emissies van de in ar-tikel 2.10.1.1 vermelde verontreinigende stoffen, om uiterlijk in 2010 aan de emissieplafonds van bijlage 2.10.A te voldoen.

§ 2. De in § 1 bedoelde programma's bevatten informatie over vastgestelde en geplande beleidsopties en maatregelen alsmede kwantitatieve schattingen van de gevolgen van die beleidsopties en maatregelen voor de uitstoot van de verontreinigende stoffen in 2010. Verwachte aanzienlijke veranderingen in de geografische spreiding van de emissies worden aangegeven.

§ 3. De in § 1 bedoelde programma's worden zo nodig voor 1 oktober 2006 bijgesteld en herzien.

§ 4. De overeenkomstig § 1, § 2 en § 3 opgestelde programma's zijn openbaar voor het publiek en de relevante organisaties, zoals milieuorganisaties. De opgenomen informatie moet helder, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn.

[Afdeling 2.10.4. Emissie-inventarissen en -prognoses]
Art. 2.10.4.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor de in artikel 2.10.1.1 vermelde verontreinigende stoffen emissie-inventarissen en -prognoses voor 2010 op, en werkt die jaarlijks bij.

§ 2. De emissie-inventarissen en -prognoses worden opgesteld volgens de methoden van bijlage 2.10.B.

§ 3. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de informatie, bedoeld in § 1, via de geëigende kanalen ter beschikking van de Europese Commissie. (ing. B.V.R. 14 maart 2003, art. 10, I: 24 april 2003) ]

[Afdeling 2.10.5. Verslaggeving aan de Europese Commissie]
Art. 2.10.5.1.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij brengt via de geëigende kanalen aan de Europese Commissie en aan het Europees Milieuagentschap uiterlijk op 31 december en overeenkomstig artikel 2.10.4.1 verslag uit over de emissie-inventarissen en de emissieprognoses voor 2010. Ze doet verslag van de definitieve emissie-inventarissen over het op een na laatste jaar, en van de voorlopige emissie-inventarissen over het voorafgaande jaar. De emissieprognoses bevatten kwantitatieve informatie over de belangrijkste socio-economische veronderstellingen die voor de prognoses zijn gebruikt.

§ 2. De minister stelt de Europese Commissie van de overeenkomstig artikel 2.10.3, § 1 en § 2, opgestelde programma's op de hoogte.

Uiterlijk op 31 december 2006 stelt de minister de Europese Commissie van de overeenkomstig artikel 2.10.3, § 3, opgestelde bijgewerkte programma's op de hoogte. (ing. B.V.R. 14 maart 2003, art. 10, I: 24 april 2003) ]

HOOFDSTUK 2.11. [BELEIDSTAKEN INZAKE BEPERKING VAN EMISSIES VAN NOx, SO2 EN STOF TEN GEVOLGE VAN DE UITSTOOT VAN GROTE STOOKINSTALLATIES (verv. BVR 7 juni 2013, art. 54, I: 20 september 2013)]

[Afdeling 2.11.1. Emissie-inventaris en verslaggeving aan de Europese Commissie]
Art. 2.11.1.1.

...

Art. 2.11.1.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij stelt voor elk kalenderjaar een inventaris op van de emissies van NOX, SO2 en stof en van de energie-input met betrekking tot alle stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, met uitzondering van de installaties, vermeld in artikel 5.43.1.2.

Rekening houdend met de samentelling regels, vermeld in artikel 5.43.3.1, wordt de jaarlijkse emissie-inventaris per installatie opgesteld en bestaat die ten minste uit de volgende gegevens :
1° het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (MW) van de stookinstallatie;
2° het soort stookinstallatie : stoomketel, gasturbine, gas- of dieselmotor, andere (met vermelding van de soort);
3° de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld;
4° de totale jaarlijkse emissies, uitgedrukt in ton per jaar, van SO2, NOX en stof (als totaal zwevende deeltjes);
5° het aantal bedrijfsuren van de stookinstallatie;
6° de totale hoeveelheid energie die per jaar is gebruikt, uitgedrukt in de calorische onderwaarde (TJ per jaar) en gespecificeerd voor de volgende categorieën brandstof : kolen, bruinkool, biomassa, turf, andere vaste brandstoffen (met vermelding van de soort), vloeibare brandstoffen, aardgas of andere gassen (met vermelding van de soort).

Op verzoek van de Europese Commissie stelt de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen de informatie, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, ter beschikking van de Europese Commissie.

Art. 2.11.1.3.

§ 1. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt om de drie jaar een samenvatting op van de re-sultaten van de inventaris, vermeld in artikel 2.11.1.2, waarin de emissies van elke raffinaderij apart zijn aangegeven.

§ 2. De Vlaamse Milieumaatschappij brengt uiterlijk binnen twaalf maanden na het einde van de periode van drie jaar via de geëigende kanalen verslag uit aan de Europese Commissie, overeenkomstig paragraaf 1.

[Afdeling 2.11.2. Verslaggeving aan de Europese Commissie]
Art. 2.11.2.1.

 De Europese Commissie wordt overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) door de afdeling, bevoegd voor het internationaal milieubeleid, via de geëigende kanalen onmiddellijk op de hoogte gebracht van de beslissingen, genomen overeenkomstig artikel 5.43.3.22 en 5.43.3.23.

Art. 2.11.2.2.

De Vlaamse Milieumaatschappij verzamelt jaarlijks de gegevens over de stookinstallaties die op basis van artikel 5.43.3.15 voor een afwijking van de emissiegrenswaarden in aanmerking worden genomen en stelt vanaf 1 januari 2016 jaarlijks een overzicht op van de gebruikte en ongebruikte tijd voor de resterende bedrijfsduur van dergelijke installaties.

Met ingang van 1 januari 2016 brengt de Vlaamse Milieumaatschappij jaarlijks via de geëigende kanalen verslag uit aan de Europese Commissie.

[HOOFDSTUK 2.12. BELEIDSTAKEN INZAKE HET BEHEER VAN AFVAL VAN WINNINGSINDUSTRIEËN]

Art. 2.12.0.1.

§ 1. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, wordt aangewezen als bevoegde instantie om informatie te verwerken die opgenomen is in de vergunningen met betrekking tot afval van winningsindustrieën voor statistische doeleinden.

§ 2. De Databank Ondergrond Vlaanderen zorgt voor de terbeschikkingstelling van de informatie, vermeld in § 1, en dit via geschikte toepassingen.

§ 3 De informatie die is opgenomen in een op basis van titel I, subrubriek 2.3.11, van het VLAREM verleende vergunning, met uitzondering van wat betrekking heeft op het inert afval, afval uit de winning, de behandeling en de opslag van turf en het niet-gevaarlijk niet-inert afval, tenzij deze worden gestort in een afvalvoorziening van categorie A, en met uitzondering van de afvalvoorzieningen vermeld in artikel 5.2.6.10.1, § 3, van titel II van het VLAREM, wordt beschikbaar gesteld aan de bevoegde nationale en communautaire statistische autoriteiten als dat voor statistische doeleinden wordt verlangd. Gevoelige informatie van louter commerciële aard, zoals informatie over zakelijke relaties en kostencomponenten en de omvang van economische mineralenreserves, wordt niet openbaar gemaakt.

Art. 2.12.0.2.

§ 1. De afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, wordt aangewezen als bevoegde instantie om de inventaris van de gesloten afvalvoorzieningen bij te houden.

§ 2. De Databank Ondergrond Vlaanderen zorgt voor de openbaarmaking van de inventaris, vermeld in § 1, en dit via geschikte toepassingen.

§ 3. Een inventaris van de gesloten afvalvoorzieningen die een ernstige negatieve impact hebben op het milieu, of die op middellange of korte termijn een ernstige bedreiging kunnen vormen voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, wordt opgemaakt en periodiek geactualiseerd. Die inventaris moet openbaar worden gemaakt en wordt uiterlijk op 1 mei 2012 opgemaakt, rekening houdend met de methodologieën, vermeld in artikel 21 van Richtlijn 2006/21/EG van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën, als die voorhanden zijn.

Art. 2.12.0.3.

§ 1. Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie stuurt de informatie die in het kader van artikel 5.2.6.3.2 van dit besluit aan haar werd verstrekt, onmiddellijk door naar een ander gewest of een andere lidstaat die van de exploitatie van een afvalvoorziening van categorie A, en een ongeval hierbij, aanmerkelijke nadelige milieueffecten kan ondervinden. Dit om de gevolgen van het ongeval voor de gezondheid van de mens tot een minimum te beperken en om de omvang van de feitelijke en potentiële milieuschade te beoordelen en tot een minimum te beperken.

§ 2. Het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie bezorgt de informatie over veiligheidsmaatregelen en over de maatregelen die moeten worden genomen bij ongevallen, die ten minste de in punt 2 van bijlage 5.2.6.2 van dit besluit genoemde elementen omvat, aan de door de federale overheid aangewezen instantie bevoegd voor civiele veiligheid met het oog op de kosteloze en automatische verstrekking van deze informatie aan het betrokken publiek (publiek dat gevolgen ondervindt of waarschijnlijk ondervindt van de besluitvorming over de afgifte van een vergunning of de wijziging of aanvulling van vergunningsvoorwaarden of er belanghebbende bij is. Voor de toepassing van die definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich voor milieubescherming inzetten en aan de eisen van het nationale recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn.) De informatie wordt om de drie jaar beoordeeld en, waar nodig, bijgesteld.

[HOOFDSTUK 2.13. (ing. BVR 16 januari 2009, art. 1)] [... (opgeh. BVR 7 juni 2013, art. 61, I: 20 september 2013)]

Art. 2.13.1.1.

...

[HOOFDSTUK 2.14. MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR ELEKTROMAGNETISCHE GOLVEN EN BELEIDSTAKEN TER ZAKE (ing. BVR 19 november 2010, art.2, I: 23 januari 2011)]

[Afdeling 2.14.1 Algemene bepalingen (ing. BVR 19 november 2010, art. 2, I: 23 januari 2011)]
Art. 2.14.1.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz, afkomstig van vast en tijdelijk opgestelde zendantennes.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op elektromagnetische golven die afkomstig zijn van :
1° mobiele zendantennes;
2° medische apparatuur en industriële toepassingen voor de ruimte waarin de bron van de elektromagnetische golven zich bevindt.

Voor vast opgestelde zendantennes die gebruikt worden om de veiligheid van de luchtvaart te garanderen kan een uitzondering gevraagd worden aan de minister als een beperking van het vermogen van de vast opgestelde zendantennes in strijd is met de internationale normen en regelgeving inzake de veiligheid van de luchtvaart (ICAO).

[Afdeling 2.14.2. Milieukwaliteitsnormen voor elektromagnetische golven met een frequentie tussen 10 MHz en 10 GHz (ing. BVR 19 november 2010, art. 2, I: 23 januari 2011)]
Art. 2.14.2.1.

De in de onderstaande tabel vermelde waarden voor elektrische veldsterkte in V/m gelden als grenswaarden voor het Egem, 6 min-niveau van elektromagnetische golven, waarbij f de frequentie in MHz is, en Eiref het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte.

frequentie :
f in MHz

elektrische veldsterkte :
E in V/m (Eiref)

10 tot 400

13,7

400 tot 2000

0,686 Mrf

2000 tot 10.000

30,7

 



Voor samengestelde velden moet de elektrische veldsterkte beperkt worden zodat :

10HHz10MHz (Ei / Eiref)2 ≤ 1, waarbij:

 



1° Ei : de elektrische veldsterkte bij de frequentie i;
2° Eiref : het referentieniveau voor de elektrische veldsterkte is, vermeld in lid 1.

De bepalingen gelden niet binnen de veiligheidszone van een vast of een tijdelijk opgestelde zendantenne.

[Afdeling 2.14.3. Beleidstaken (ing. BVR 19 november 2010, art. 2, I: 23 januari 2011)]
Art. 2.14.3.1.

De minister stelt de meetprocedure en de meetstrategie voor elektromagnetische golven vast.

Art. 2.14.3.2.

De afdeling, bevoegd voor milieuhinder van elektromagnetische golven, stelt een kadaster van vast opgestelde zendantennes op. Dat kadaster omvat ten minste het technische dossier van vast opgestelde zendantennes, vermeld in artikel 6.10.2.1, eerste lid, als ze gebruikt worden voor telecommunicatie, met uitzondering van tijdelijk opgestelde zendantennes. Het kadaster omvat ten minste : de precieze locatie van de zendantenne, het type, de afmetingen ervan, de richting en het zendvermogen. Voor de controlepunten waar simulaties voor werden verricht, worden de te verwachten blootstellingen vermeld.

Art. 2.14.3.3.

De minister wijst de instelling, vermeld in artikel 6.10.2.3, vierde lid en artikel 6.10.2.4, aan.

[HOOFDSTUK 2.15. BELEIDSTAKEN INZAKE INDUSTRIËLE EMISSIES (ing. BVR 7 juni 2013, art. 62, I: 20 september 2013)]

Art. 2.15.0.1.

Overeenkomstig Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) wordt de Europese Commissie door de bevoegde overheidsorganen, ieder voor wat hun bevoegdheid betreft, via de geëigende kanalen op de hoogte gebracht over de gevraagde informatie conform artikel 72 van deze richtlijn, met behoud van de toepassing van hoofdstuk 2.11.

DEEL 3 TOEPASSINGSGEBIED VAN EN OVERGANGSBEPALINGEN VOOR DE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE IN-RICHTINGEN; HET OPLEGGEN VAN BIJZONDERE VER-GUNNINGSVOORWAARDEN

HOOFDSTUK 3.1. TOEPASSINGSGEBIED

Art. 3.1.1.

§ 1. De bepalingen van de delen 3, 4 en 5 van dit besluit zijn getroffen in uitvoering van het de­creet betreffende de milieu­ver­gunning en van Titel 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende alge­mene bepalingen inzake milieu­beleid. Ze zijn van toepas­sing op alle ingedeel­de inrichtingen, zoal be­doeld in art. 2.1° van het decreet betreffende de mi­lieuver­gunning.

§ 2. Voor nieuwe inrichtingen gelden ze onmid­del­lijk. Ze gel­den eveneens onmiddellijk voor:
- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de ex­ploi­tatie niet meer vergund is en waarvoor voor het ver­strijken van de ver­gun­ningstermijn geen aanvraag tot hervergunning is ingediend of mel­ding is gebeurd,
- inrichtingen of onderdelen ervan waarvan de ex­ploi­tatie na uit­putting van de beroepsmid­delen defini­tief geweigerd werd.

§ 3. Voor bestaande inrichtingen en verande­ringen aan bestaan­de inrichtingen gelden ze overeenkomstig de over­gangsbepalin­gen in Hoofdstuk 3.2. van dit deel, of overeenkomstig de daar­van afwij­kende be­palingen in de delen 4 en 5 van dit besluit.

§ 4. Voor nieuwe inrichtingen die op datum van in­wer­kingtreden van dit besluit regelmatig vergund dan wel gemeld zijn, gelden ze even­eens overeen­komstig de in § 3 bedoelde over­gangsbepa­lingen, maar enkel voor wat die voor­waarden betreft die stren­ger zijn dan de voor­waarden die op datum van inwerkingtre­den van dit besluit reeds van toepassing waren op hun uitbating.

§ 5. Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een nieuwe inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.

De inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, gelden evenmin voor elke nieuwe verandering van de vergunde of gemelde nieuwe inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.

HOOFDSTUK 3.2. OVERGANGSBEPALINGEN

Afdeling 3.2.1. Overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen
Art. 3.2.1.1.

Tenzij anders vermeld in de milieuvoorwaarden, zijn de inplantingsregels niet van toepassing op een bestaande inrichting of op de toegelaten verandering eraan als die het recht tot exploitatie, verkregen uit een verleende vergunning of melding, verhinderen, en bij hernieuwing van die vergunning.

Art. 3.2.1.2.

§ 1. Behoudens afwijking in de desbe­tref­fende bepa­lingen van dit besluit moeten bestaande in­richtingen voldoen aan alle voorwaarden, opgelegd in de voor die inrichting lopende mi­lieuvergun­ning(en).

§ 2. De voorwaarden uit lopende vergunningen die strenger zijn dan de voorschrif­ten van dit besluit blij­ven onverminderd van kracht voor de duur van de lopende vergunning. De be­voegde vergunningverle­nen­de overheid kan deze bestaande voor­waarden evenwel wijzigen, ondermeer door ze op verzoek van de exploi­tant aan te passen aan de voorwaarden van dit besluit.

§ 3. Zijn (bepaalde) voorwaarden uit lopende vergun­ningen minder streng dan de voorschrif­ten van dit be­sluit, dan dienen de strengere voorschriften van dit besluit, en de eventuele bijkomende voor­schrif­ten er­van, nageleefd met ingang van 1 januari 1996 be­hal­ve voor de hierna bepaalde voorschriften, die van toepas­sing zijn vanaf:
a) 1 januari 2003 voor de ­door dit besluit voor nieu­we inrich­tingen voorge­schreven emissie- of con­struc­tienor­men, vermeld in de artikelen 4.1.7.1., 4.1.7.2. § 1 en 2 , 5.7.1.3. § 3, 5.7.1.4. § 2, 5.7.3.2., 5.7.4.1., 5.7.5.1., 5.7.6.1., 5.7.7.1., 5.7.8.1., 5.7.9.1., 5.7.11.1., 5.7.12.1., 5.7.13.1., 5.7.14.1., 5.16.2.2. § 2, 5.16.4.3.2. § 3, 5.16.4.4.2. § 4, 5.16.5.2., 5.16.5.4., 5.16.5.5., 5.16.6.2., 5.16.6.3., 5.16.6.4., 5.17.1.6., [... (geschr. B.V.R. 19 januari 1999, art. 16, I: 1 mei 1999)] [5.11.0.5, § 2, 5.17.1.13, 5.17.3.6, (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 16, I: 1 mei 1999)] [5.17.3.7 (verv. B.V.R. 15 juni 1999, art. 7, I: 1 mei 1999)] [5.17.3.8, 5.20.4.2.1, § 1 en § 2, eerste en tweede lid, 5.23.1.1 en 5.33.1.2; (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 16, I: 1 mei 1999)] b) 1 januari 1999 voor de door dit besluit voor nieuwe inrich­tingen voorgeschreven emissie­- of con­structienor­men, andere dan onder a vermel­de, wan­neer geen spe­cifieke regelingen­ voor be­staan­de in­rich­tin­gen zijn vast­ge­steld;
c) 1 januari 1997 voor de door dit besluit voor be­staan­de inrichtingen voorgeschreven speci­fieke emis­siegrenswaarden; deze voor bestaan­de in­rich­tingen gelden­de nor­men blijven van toe­passing, tot de desbetref­fen­de in­richting door een nieuwe wordt vervangen, onge­acht even­tuele tussentijdse hernieuwing van de ver­gun­ning maar onverminderd de bevoegdheid van de vergun­ningverlenende overheid om de vergun­nings­voorwaar­den te wijzigen.
(In afwijking van artikel 3.2.1.2, § 3, en tenzij anders vermeld in de desbetreffende bepalingen moeten bestaande inrichtingen aan de stren­gere en bijkomende voorschriften die door het B.V.R. 19 januari 1999 aan dit besluit worden toegevoegd, voldoen:
1° vanaf 1 januari 2003 voor de strengere of bijkomende voor­schrif­ten die emissie- of constructienormen betreffen;
2° vanaf 1 januari 2000 voor de strengere of bijkomende voor­schrif­ten die geen emissie- of constructienormen betreffen;
zie: B.V.R. 19 januari 1999, art. 301, B.S., 31 maart 1999)

§ 4. In afwijking op de voorgaande paragrafen wor­den alle bepalingen in de lopende vergun­ningen met betrek­king tot emis­siejaarversla­gen, meetstrategieen en meet­frequen­ties on­middel­lijk vervangen door de bepalingen van dit besluit.

§ 5. De bepalingen van de paragrafen 1 tot en met 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de meldings­plichtige inrichtin­gen.

Afdeling 3.2.2. Veranderingen aan bestaande inrichtingen
Art. 3.2.2.1.

Met behoud van de afwijkende regeling inzake toepassing van de inplantingsregels, vermeld in artikel 3.2.1.1 en 3.2.2.2, gelden de overgangsbepalingen voor bestaande inrichtingen, vermeld in afdeling 3.2.1, niet voor onderdelen van een inrichting die na 1 januari 1993 bij een bestaande inrichting werden of worden gevoegd, ongeacht de grootte ervan.

Art. 3.2.2.2.

De inplantingsregels zijn niet van toepassing op de verandering van een bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op 1 januari 1993 was toegelaten.

In afwijking van het eerste lid gelden de inplantingsregels waarvan de toepassing louter het gevolg is van een wijziging van de lijst van bijlage 1 van titel I van het VLAREM of van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen, evenmin voor de verandering van de bestaande inrichting die beperkt is tot maximaal 100 % van de exploitatie die op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigende bepalingen was toegelaten.

HOOFDSTUK 3.3. BIJZONDERE VERGUNNINGSVOORWAARDEN

Art. 3.3.0.1.

§ 1. Onverminderd de milieuvoorwaarden vastgesteld door dit besluit, kan de vergunning-verlenende overheid bij het verlenen van een milieuvergunning, mits motivering, bijzondere vergunningsvoorwaarden opleggen met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu, en inzonderheid met het oog op de handhaving of het bereiken van de in deel 2 van dit besluit opgenomen milieukwaliteitsnormen. Desgevallend moet daarbij ondermeer rekening worden gehouden met de toxiciteit, de persistentie en de bio-accumulatie van de betrokken stoffen in het milieu waarin ze worden geemitteerd.

§ 2. De bijzondere vergunningsvoorwaarden vullen de in dit besluit vastgestelde voorwaarden aan, of stellen bijkomende eisen. Ze kunnen slechts in minder strenge zin van dit besluit afwijken wanneer dit uitdrukkelijk in dit reglement is bepaald en in geval van de in de afdelingen 1.2.2. en 1.2.3. bedoelde toelating.

[§ 3. Inzoverre een inrichting langsheen of in de nabijheid van een waterweg is gelegen, kan in de milieuvergunning worden bepaald dat een minimumpercentage van de aan- en afvoer van grondstoffen en/of producten naar en van de inrichting moet gebeuren via de waterweg. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 17, I: 1 mei 1999) ]

Art. 3.3.0.2.

Onverminderd de milieuvoorwaarden vastgesteld door dit besluit, kan de overheid, bevoegd voor de akteneming van de melding van een in de derde klasse ingedeelde inrichting, mits motivering, bijzondere milieuvoorwaarden aan een in de derde klasse ingedeelde inrichting opleggen, met het oog op de bescherming van de mens en het leefmilieu in de directe omgeving, in zoverre deze geen emissiegrenswaarden betreffen en niet afwijken van de beste beschikbare technieken zoals beschreven in dit besluit.

De bijzondere voorwaarden vullen de in dit besluit vastgestelde voorwaarden aan, of stellen bijkomende eisen. Ze kunnen slechts in minder strenge zin van dit besluit afwijken wanneer deze bevoegdheid uitdrukkelijk in dit reglement aan de vergunningverlenende overheid is toegekend en voor zover deze afwijking geen aanleiding geeft tot bijkomende milieuhinder.

DEEL 4 ALGEMENE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN

HOOFDSTUK 4.1. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

Art. 4.1.0.1.

De bepalingen van dit deel gelden voor de volledige milieutechnische eenheid.

Afdeling 4.1.1. Algemeen inplantingsvoorschrift voor inrichtingen van derde klasse.
Art. 4.1.1.1.

Behoudens afwijkende bepaling in de desbetreffende hoofdstukken is de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar is met de algemene en aanvullende stedebouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in [het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 18, I: 1 mei 1999) ] of in een ander plan van aanleg.

Deze bepaling is niet van toepassing op de inrichtingen van derde klasse die deel uitmaken van een inrichting van eerste of tweede klasse.

Afdeling 4.1.2. Beste Beschikbare Technieken (BBT)
Art. 4.1.2.1.

§ 1. De exploitant moet als normaal zorgvuldig persoon steeds de beste beschikbare technieken toepassen ter bescherming van mens en milieu, en dit zowel bij de keuze van behandelingsmethodes op het niveau van de emissies, als bij de keuze van bronbeperkende maatregelen (aangepaste produktietechnieken en -methoden, grondstoffenbeheersing, energie en dergelijke meer). Bij de bepaling van de BBT moeten de criteria van bijlage 18 van titel I van het VLAREM in aanmerking worden genomen. Deze verplichting geldt eveneens voor wijzigingen aan ingedeelde inrichtingen, alsook voor activiteiten die op zichzelf niet vergunnings- of meldingsplichtig zijn.

§ 2. De naleving van de voorwaarden in dit besluit en/of de milieuvergunning wordt geacht overeen te stemmen met de verplichting uit § 1.

Afdeling 4.1.3. [Hygiëne en hinderbeheersing (verv. BVR7 juni 2013, art. 65, I: 20 september 2013)]
Art. 4.1.3.1.

De inrichting moet zindelijk worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. Telkens als de omstandigheden daartoe aanleiding geven moeten doeltreffende maatregelen worden genomen tegen ongedierte.

Art. 4.1.3.2.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.2.1. treft de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer.

Art. 4.1.3.3.

Bij hinder moet de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen treffen om die toestand te verhelpen.

Art. 4.1.3.4.

...

Afdeling 4.1.4. [Meet- en registratieverplichtingen]
Art. 4.1.4.1.

§ 1. De exploitant brengt, zo nodig in overleg met de toezichthouder, alle door dit reglement of de milieuvergunning opgelegde meet-, monstername- en registratievoorzieningen aan.

§ 2. Deze voorzieningen en hun toegangswegen zijn steeds gemakkelijk en veilig toegankelijk en maken het mogelijk de metingen en monsternames op veilige wijze te verrichten.

Art. 4.1.4.2.

De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de milieuver-gunning opgelegde meet- en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.

Afdeling 4.1.5. [Algemene informatieplicht (verv. BVR 7 juni 2013, art. 68, I: 20 september 2013)]
Art. 4.1.5.1.

§ 1. De exploitant verschaft de toezichthouders op eenvoudig verzoek de hem bekende relevante gegevens over de in de inrichting gebruikte en voortgebrachte grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies.

§ 2. Indien de ambtenaar ernstige redenen heeft om te twijfelen aan de volledigheid of juistheid van deze gegevens kan hij door een erkend milieudeskundige en op kosten van de exploitant, monsternames, metingen en analyses laten uitvoeren van de bedoelde grondstoffen, produkten, afvalstromen of emissies. De exploitant wordt op voorhand schriftelijk in kennis gesteld van de gemotiveerde beslissing van de ambtenaar.

Art. 4.1.5.2.

Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming.

Art. 4.1.5.3.

Als de zuiveringstechnische voorzieningen van een inrichting wegens storing of enige andere oorzaak uitvallen, of als om enige andere reden de emissie- of immissienormen worden overschreden, brengt de exploitant de toezichthouder daarvan onverwijld op de hoogte.

Afdeling 4.1.6. Beheer van afvalstoffen en van buiten bedrijf gestelde installaties
Art. 4.1.6.1.

[Onverminderd de bepalingen die gelden voor de opslag van gevaarlijke stoffen, gebeurt de tij-delijke opslag van afvalstoffen, in aangepaste verpakkingen en/of afvalcontainers. Deze bepaling is niet van toepassing op inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt. (verv. B.V.R. 28 november 2003, art. 4, I: 1 april 2004) ] Behoudens afwijkende bepaling in dit besluit of in de milieuvergunning, moeten deze afvalstoffen regelmatig uit de inrichting worden afgevoerd voor verwerking overeenkomstig art. 4.1.6.2.. Het afvoeren van de afvalstoffen moet zodanig geschieden dat zich geen afval buiten de inrichting kan verspreiden.

Art. 4.1.6.2.

[§ 1.Onverminderd andere wette­lijke bepa­lin­gen, milieu­voorwaarden uit dit reglement of mi­lieuvergunnings­voorwaar­den, moet voor de ver­werking van afvalstoffen buiten het ophalen, sorteren en ver­voeren, de voorkeur gegeven worden aan de verwer­kingswijzen zoals hierna in afnemende graad van prio­riteit vermeld:
1° hergebruik van producten;
2° recyclage van materialen;
3° winning van energie;
4° verbranding zonder energiewinning.

Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voormelde verwerkingswijzen toelaten, mogen de afvalstoffen overeenkomstig de wettelijke bepalin­gen gestort worden in een daartoe vergunde inrich­ting.

§ 2. Om te kunnen voldoen aan de verwerkingshi­­rar­chie zoals beschreven in § 1 moeten afvalstromen die een verschillende verwerking dienen te ondergaan of kunnen ondergaan, gescheiden worden opgevangen of na ophaling mechanisch worden gescheiden. (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 19, I: 1 mei 1999)]

Art. 4.1.6.3.

Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of mi-lieuvergunningsvoorwaarden, moeten de definitief door de exploitant buiten bedrijf gestelde installaties of onderdelen ervan, binnen de 36 maanden na de buitengebruikstelling zo zijn aangepast dat schade aan het milieu of hinder uitgesloten zijn.

Art. 4.1.6.4.

...

Afdeling 4.1.7. Opslag van gevaarlijke stoffen
Art. 4.1.7.1.

Vaste stoffen in bulk

Tenzij anders bepaald in de toepasselijke reglementering of in de milieuvergunning, moeten vaste stoffen in bulk, die uitloogbare stoffen van bijlage 2B en van bijlage 7 van titel I van het VLAREM bevatten, worden opgeslagen op een vloeistofdichte ondergrond, voorzien van een opvangsysteem. Deze bepaling is niet van toepassing op afvalstortplaatsen.

Art. 4.1.7.2.

Gevaarlijke vloeistoffen
§ 1. Tenzij anders bepaald in de toepasse­lijke re­gle­men­tering of in de milieuvergun­ning, moeten boven­grondse tanks en/of vaten, die vloeistoffen van bijla­ge 2B en van bijlage 7 van titel I van het VLA­REM be­vat­ten, in een in­kuiping worden ge­plaatst, die vol­doet aan de hier­na vermelde voor­waarden:
1° de vloeren en wanden moeten bestand zijn tegen de inwerking van de opgeslagen vloei­stof­fen en moe­ten kunnen weer­staan aan de vloeistofmassa die bij lekkage uit de grootste in de in­kuiping geplaatste tank en/of vat kan ontsnap­pen.
2° buizen of leidingen mogen slechts door­heen de wan­den worden geleid mits toepas­sing van afdoende dich­tingen.
3° de wanden moeten ten­minste alle 50 meter van red­dings­lad­ders of trap­pen wor­den voor­zien.

Voor tanks en vaten met een waterinhoud van meer dan 220 liter moet bovendien:
1° tussen deze en de binnenste onderkant van de wan­den een minimumafstand, gelijk aan de helft van de hoogte van de tanks en/of vaten, worden gelaten;
2° een do­or­ga­n­g van tenminste 1 meter breed­te tus­sen de tanks, de vatenop­slag en de wan­den volle­dig wor­den vrijgelaten.

§ 2. De in § 1 bedoelde inkuiping moet een inhouds­vermogen hebben dat gelijk is aan of groter dan:
1° de helft van het totaal inhoudsvermogen van de erin ge­plaats­te tanks en/of vaten;
2° het inhoudsvermogen van de grootste tank of vat, vermeer­derd met 25 % van het totale inhoudsver­mo­gen der andere in de inkuiping aangebrachte tanks en/of vaten;
3° voor de opslag van vaten en bussen met een wa­ter­inhoud van minder dan 220 liter mag het in­houds­ver­mogen van de inkuiping worden beperkt tot 10 % van het totale inhoudsver­mogen van de erin opgesla­gen vaten en/of bus­sen.

§ 3. In geval van herstelling van een der tanks die deel ui­t­ma­akt van een groep tanks en/of vaten opge­steld in é­énz­elf­de inkuiping, moet deze tank geduren­de de hele herstel­lings­pe­riode door een vloeistofdich­te wand wor­den omringd, waarvan de hoogte ge­lijk is aan deze van de opstaande rand en/of muren die de hele groep om­ringt.

§ 4. In éénzelfde inkuiping mogen enkel vloei­stoffen worden opgeslagen die bij ver­menging hetzij geen, het­zij uitslui­tend een chemische reactie kunnen doen ont­staan waarbij de vor­ming van andersoortige ge­vaarlijke stoffen dan deze die binnen de bak zijn op­geslagen, is uitgeslo­ten.

Art. 4.1.7.3.

Verwijderen van gemorste verontreini­gende stoffen

Met behoud van de toepassing van afdeling 4.1.12 moe­ten gemorste, al dan niet ver­dunde, ver­ont­reinigen­de stoffen verwijderd overeen­kom­stig de van toepas­sing zijnde re­glemen­tering.

Art. 4.1.7.4.

...

Afdeling 4.1.8. [Het milieujaarverslag]
Art. 4.1.8.1.

§ 1. De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen ter uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995.

De bepalingen van deze afdelingen zijn van toepassing op :
1° de inrichtingen die in de lijst van bijlage I bij titel I van het VLAREM in de eerste of in de tweede klasse zijn ingedeeld en die in de laatste kolom van dezelfde lijst met het symbool "J" zijn aangeduid. Als de totale emissie voor geen enkele relevante verontreinigende stof in het beschouwde jaar groter is dan de drempelwaarden dient de exploitant dit uitdrukkelijk te verklaren en dient de milieucoördinator dit te bevestigen in het deelformulier « Identificatiegegevens » van het integrale milieujaarverslag. In dat geval hoeven de deelformulieren « Luchtemissies » en « Wateremissies » niet te worden ingevuld;
2° alle inrichtingen, die vergunningsplichtig zijn als klasse 1 of 2, en die deel uitmaken van een milieutechnische eenheid, waarvan de totale emissie, afkomstig van de inrichtingen onder 1° of 2° voor ten minste één relevante verontreinigende stof in het beschouwde jaar groter is dan de drempelwaarden, vermeld in de overzichtstabel van verontreinigende stoffen in de deelformulieren «Luchtemissies » en « Wateremissies » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag. Voor de lozing van afvalwater geldt de verplichting pas vanaf een vergund of werkelijk geloosd debiet van meer dan 1 m3 per uur, 10 m3 per dag en/of 250 m3 per maand. Ingeval het werkelijk geloosde debiet maar niet het vergunde debiet onder dit minimumdrempel ligt, moet het werkelijk geloosde debiet gestaafd worden aan de hand van debietmetingen. Als de totale emissie alleen met een bepaalde onzekerheidsmarge bekend is, moet het maximum binnen de onzekerheidsmarge vergeleken worden met die drempelwaarden om uit te maken of de bepalingen van deze afdeling van toepassing zijn op de inrichting;
3° alle inrichtingen met een totaal primair energiegebruik van tenminste 0,1 petajoule per jaar;
4° de inrichtingen waarvan een of meer activiteiten aangeduid zijn met een « R » in de zevende kolom van de indelingslijst en waarvoor de exploitant op grond van de Verordening nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 jaarlijks moet rapporteren op basis van metingen, berekeningen of ramingen voor de stoffen, vermeld in de verordening, overeenkomstig de in de verordening vermelde drempelwaarden;
5° inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50.000 m2 grondoppervlakte, inrichtingen met een gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen over de drie voorgaande kalenderjaren van meer dan 700 000 ton per jaar en inrichtingen met een verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700 000 ton per jaar.

§ 2. Indien, overeenkomstig § 1, 2° de drem­pelwaar­de voor ten minste één parame­ter over­schreden is, dan blijven de bepalin­gen van deze afdeling geduren­de de drie daaropvolgen­de jaren van toepassing op de inrich­ting en op de betrokken milieutech­nische een­heid tenzij de verlaging van de emissies beneden de drem­pelwaar­den wordt bewerk­stelligd door een per­manente sane­ringsmaatregel. De exploitant moet daarvan het bewijs kunnen leveren aan de toezicht­houdende overheid die de termijn maximaal kan ver­korten tot 2 jaar.

§ 3. Op verzoek van de toezichthoudende over­heid kunnen ex­ploitanten worden ver­zocht aan te tonen dat bepaalde inrich­tingen al of niet onder de toepassing van deze afdeling val­len.

§ 3bis. Inrichtingen die overeenkomstig paragraaf 1, 5°, een integraal milieujaarverslag indienen, maken een onderbouwde kwantitatieve inschatting van hun niet-geleide stofemissies en nemen deze inschatting op in hun integraal milieujaarverslag.

§ 4. Bij de opmaak van het deelformulier «Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies» van het milieujaarver­slag moet er optimaal gebruik worden ge­maakt van de resultaten van emis­siemetingen die aan de ex­ploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de milieuver­gunning en/of in het kader van de afvalwaterheffingen.

§ 5. Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd:
1° inrichtingen als 'vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 5° : het deelformulier « Identificatiegegevens », het deelformulier «Luchtemissies », het relevante gedeelte van het deelformulier « Energiegegevens » , deelformulier « Wateremissies », deelformulier « Afvalstoffenmelding voor producenten » en deelformulier « Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval »;
2° inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3° : het deelformulier « Identificatiegegevens » en het relevante gedeelte van het deelformulier « Energiegegevens ».
3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie : het deelformulier « Identificatiegegevens » en het deelformulier « Wateremissies »;

§ 6. ...

Art. 4.1.8.2.

[§ 1. De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaar-verslag te sturen naar de administratie (verv. B.V.R. 2 april 2004, art. 6, I: 14 juni 2004) ] [overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering (verv. B.V.R. 7 januari 2005, art. 2, I: 1 januari 2005) ] [van 2 april 2004 (ing. B.V.R. 27 januari 2006, art. 2, I: 1 januari 2006) ] [tot invoering van het integrale milieujaarverslag. (verv. B.V.R. 7 januari 2005, art. 2, I: 1 januari 2005) ] [en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd. (verv. B.V.R. 2 april 2004, art. 6, I: 14 juni 2004) ]

§ 2. [... (opgeh. B.V.R. 2 april 2004, art. 6, I: 14 juni 2004) ]

§ 3. [Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid. (verv. B.V.R. 2 april 2004, art. 6, I: 14 juni 2004) ]

Art. 4.1.8.3.

§ 1. Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit:
1° het deelformulier « Identificatiegegevens »;
2° het deelformulier « Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies »: deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier « Luchtemissies » en het deelformulier « Wateremissies » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag;
3° het deelformulier « Energiegegevens »: dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier « Energiegegevens » van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

§ 2. Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling ,bevoegd voor milieuvergunningen en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.

§ 3. ...

§ 4. Het milieujaarverslag en de bijlagen wor­den door de ex­ploitant gedurende ten minste 5 jaar be­waard en ter beschik­king gehouden van de toezicht­houdende ambte­naren.

Art. 4.1.8.4.

[... (opgeh. B.V.R. 2 april 2004, art. 8, I: 14 juni 2004) ]

[Afdeling 4.1.9. Bedrijfsinterne milieuzorg]
Art. 4.1.9.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn getroffen in uitvoering van titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995.

Zij zijn van toepassing op de inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM zijn ingedeeld in de eerste of tweede klasse. (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996) ]

[Subafdeling 4.1.9.1. De milieucoördinator]
Art. 4.1.9.1.1.

§ 1. De exploitant van een in­rich­ting die in de inde­lingslijst als bijlage I bij titel I van het VLA­REM is ingedeeld in de eerste klasse dient met in­gang van 4 juli 1996 een milieucoördinator aan te stel­len.

§ 2. De exploitanten van de volgende cate­go­rieën van inrich­tingen zijn vrijgesteld van de verplichting om een milieuco­rdinator aan te stellen:
de inrichtingen die in de indelingslijst als bij­lage I bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "N" zijn aan­ge­duid.

§ 3. De vergunningverlenende overheid kan exploi­tan­ten van niet in § 1 of § 2 bedoel­de inrichtingen de verplich­ting opleggen een mi­lieucoördinator aan te stel­len indien de aard van de inrichting, de aard van de mi­lieu-effec­ten die ervan uitgaan of de plaats waar ze ge­legen is of uitgeoefend wordt, dit verant­woordt. Zij bepaalt daarbij tevens het vereiste niveau van de in artikel 4.1.9.1.2., § 3 bedoelde aanvullende vor­ming.

Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen.

§ 4. Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.

Die instemming is echter niet vereist als :
1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. ».;

§ 5. De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld.

De exploitant kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, vragen om gehoord te worden.

§ 6. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.

§ 7. Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, § 2.

§ 8. Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de instemming schorsen of opheffen.

§ 9. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.

§ 10. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.

§ 11. Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.

Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht.

Art. 4.1.9.1.2.

§ 1. Als milieucoördina­tor kan en­kel een persoon worden aangesteld die over de ver­eiste kwalifica­ties en eigen­schappen beschikt om de in artikel 4.1.9.1.3. bedoelde taken naar behoren te vervullen.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1 moet de milieucoördi­nator met ingang van 4 juli 1997 voldoen aan de volgende na­dere eisen:
1° eisen inzake opleiding en beroepserva­ring:
a) een voldoende kannis bezitten van de mi­lieuwet­geving en -reglementering van toepas­sing op de in­richting(en) waarvoor hij als mi­lieucoördinator is aangesteld, alsmede van de nodige technische ken­nis om de pro­blemen te be­studeren die zullen rij­zen in­zake milieu;
b) voor de inrichtingen die in de lijst van bij­lage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "A" zijn aange­duid, alsook voor de milieutechni­sche een­heid of een groep van inrich­tin­gen die een dergelijke inrichting omvat:
- ofwel, de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, zoals vermeld in het decreet van 4 april 2003 betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan vijf jaar heb­ben op het vlak van bedrijfsin­terne mi­lieuzorg;
c) voor de inrichtingen die in de lijst van bij­lage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" zijn aange­duid, alsook voor de milieutechni­sche een­heid of een groep van inrich­tin­gen die een dergelijke inrichting en geen als bedoeld sub 1° omvat, van:
- ofwel, houder zijn van een getuig­schrift van hoger se­cundair onderwijs of hogere secundaire leergangen;
- ofwel, een nuttige ervaring van meer dan drie jaar heb­ben op het vlak van bedrijfsin­terne mi­lieuzorg;
d) zich permanent bijscholen inzake mi­lieu­we­ten­schappen, inclusief milieutech­nolo­gie en -recht even­als inzake de taken vastgelegd in het de­creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door het volgen van cursus­sen, semina­ries, studiedagen, e.d.;
de bijscholing van de milieucoördi­nator be­draagt ten minste 30 uur per kalender­jaar; de aan bij­scho­ling bestede tijd wordt voor de milieu­co­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­rdi­nator-werknemer van de ex­ploi­tant be­schouwd als nor­male werktijd en de daarbij horende kosten wor­den ver­goed door de ex­ploitant;
seminaries, studiedagen e.d. komen slechts in aan­merking voor de permanente bijscholing mits de inhoud van deze se­mina­ries, studie­da­gen e.d. betrek­king heeft op de leefmilieupro­blematiek in het alge­meen;
de milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de jaarlijkse bijscholing in een kalenderjaar en dit te belopen van het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt zoals bedoeld in § 3 van dit artikel.
2° overige voorwaarden:
a) in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator;
b) wanneer hij geen werknemer is van de ex­ploi­tant: met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van ambtenaar, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen; deze voor­waarde geldt niet voor werknemers van een ver­eniging van ge­meen­ten met betrekking tot inrich­tin­gen geëxploi­teerd door de bij deze ver­eniging aange­sloten ge­meenten of door een onder deze ge­meenten ressor­terende instelling of be­stuur;
c) als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan;
d) personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend.

Om als milieucoördinator te kunnen worden erkend dient een persoon bij zijn aanvraag tot erkenning aan te tonen dat hij voldoet aan de vereisten vermeld in § 1, § 2, 1°, a), b), of c) naargelang het beoogde niveau, 2° a) en § 3 1° of 2° van dit artikel naargelang het beoogde niveau. De technische kennis vermeld in § 2, 1°, a), van dit artikel wordt voor het bekomen van deze erkenning slechts voldoende bewezen geacht indien de aanvrager aantoont een praktische ervaring te hebben van minimum één jaar in de aanpak en de voorkoming van de milieuhinder op bedrijfsniveau.

Indien de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie van milieucoördinator te worden toegelaten of de door dit reglement aan hem/ haar opgelegde taken niet naar behoren uitvoert, kan de Vlaamse Minister - nadat de milieucoördinator door de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen werd gehoord - op gemotiveerd voorstel van deze afdeling, de verleende erkenning intrekken.

§ 3. Onverminderd de bepalingen van § 1 en § 2 en in zoverre de betrokkene niet is of niet wordt erkend als milieucoördinator door de Vlaamse minister op ba­sis van een aanvraag die daartoe wordt ingediend voor 1 januari 2000, geldt voor milieucoördinatoren die van­af die datum worden aangesteld als bijkomen­de vereiste dat zij:
1° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter « A » zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat : met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu; »;
2° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter « B » zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat : ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

In afwijking van deze bijkomende vereiste, vermeld in de eerste alinea, kan een persoon die werknemer is van de exploitant éénmalig en voor een periode van maximum drie jaar als milieucoördinator worden aangesteld op de voorwaarde dat hij/ zij is ingeschreven voor het volgen van de cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren.

§ 4. De milieucoördinator kan een werk­nemer zijn van de ex­ploitant of een persoon die geen werknemer is van de exploi­tant.

§ 5. In afwijking van de bepalingen van de §§ 2 en 3 mag, bij wijze van overgangsre­geling, degene die de taken van milieu­co­rdinator in de hoedanigheid van werknemer van de ex­ploitant al uitoefende vóór 4 juli 1996, en die niet voldoet aan de vereisten vastgesteld door de § 2, sub 1°, a), b) en c) en § 3 als milieuco­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­­rdinator worden aange­steld en blijven aan­gesteld voor de inrichting en/of milieutechni­sche eenheid waarin hij is tewerkgesteld als­ook voor soortgelijke in­richtingen en/of milieu­technische eenheden.

§ 6. Voor een inrichting die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 5de kolom met de letter "B" is aangeduid, en die door verandering van de inrichting of door wijziging van de indelings­lijst met de letter "A" wordt aangeduid, mag de per­soon die op de datum van bedoelde verandering of bedoelde wijziging van de inde­lingslijst als milieu­coördinator was aange­steld, in de inrichting verder aangesteld blijven in zijn functie van milieu­coördina­tor.

Art. 4.1.9.1.3.

§ 1. De milieucoördinator heeft on­der meer tot taak:
1° bij te dragen tot de ontwikkeling, de in­voering, de toe­passing en de evaluatie van milieuvrien­delijke pro­duk­tiemethodes en produkten;
2° te waken over de naleving van de mi­lieuwetgeving door meer bepaald op re­gel­mati­ge tijdstippen controle uit te oefe­nen op de werkplaatsen, de zuiverings­tech­ni­sche wer­ken en de afvalstromen; hij rapporteert de vastge­stelde tekortkomin­gen aan de be­drijfsleiding en doet voor­stellen om deze te verhelpen;
Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, voert de milieucoördinator ten minste eenmaal per trimester van een kalenderjaar zelf de controle, vermeld in het eerste lid, uit. Als de hierna vermelde inrichtingen beschikken over een milieuzorgsysteem en een onlinecontrolesysteem dat dezelfde garanties biedt als de voormelde trimestriële controles, wordt de frequentie herleid tot ten minste één controle per kalenderjaar voor :
1° onbemande installaties voor waterwinning;
2° gasontspanningsstations;
3° windturbines;
4° zuiveringsinstallaties voor stedelijk afvalwater van agglomeraties met minder dan 2.000 inwonersequivalenten.
3° te waken over of in te staan voor de uit­voering van de voorgeschreven emissie- en immissie­metingen en de regis­tratie van de resultaten ervan;
4° te waken over het bijhouden van het af­valstof­fen­register en de naleving van de meldingsplicht bedoeld in de arti­kelen 17 tot en met 21 en 23 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
5° voorstellen te doen over en bij te dragen tot de in­terne en externe communicatie in ver­band met de ge­volgen voor mens en mi­lieu van de inrich­ting, van haar produk­ten, haar afvalstoffen en de voorzienin­gen en maatregelen om deze gevolgen te be­perken.

§ 2. De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorge­nomen investering die van­uit mi­lieu-oogpunt relevant kan zijn.

Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslis­sing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

§ 3. De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfs­leiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de onderne­mingsraad en het co­mité voor pre­ven­tie en be­scher­ming op het werk, of bij ont­sten­tenis van deze or­ga­nen, van de vak­bonds­af­vaar­di­ging jaarlijks een ver­slag op over de wij­ze waarop hij zijn op­dracht heeft ver­vuld. Dit ver­slag be­vat on­der meer een over­zicht van de door hem uit­ge­brachte ad­viezen en het gevolg dat er­aan werd ge­ge­ven.

Hij bezorgt het verslag vóór 1 april van het jaar vol­gend op het kalenderjaar waarop dit betrekking heeft, aan de bedrijfs­leiding, de ondernemingsraad en het comité voor veilig­heid, gezondheid en verfraaiing der werk­plaat­sen, of bij ontstente­nis van deze orga­nen, van de vakbondsafvaardiging. Het eerste jaar­ver­slag voor de op 4 juli 1996 bestaande inrich­tingen wordt bezorgd vóór 1 april 1997 en betreft het kalen­derjaar 1996. Voor inrichtin­gen die in bedrijf worden ge­nomen na 4 juli 1996 dient het eerste verslag te wor­den be­zorgd vóór 1 april van het jaar volgend op het eerste volledi­ge kalender­jaar van bedrijvigheid.

Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalen­der­jaren volgend op het kalenderjaar waarop de ge­gevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen alsook van de toe­zicht­houdende overheid.

Art. 4.1.9.1.4.

§ 1. De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

§ 2. De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.

§ 3. De kennisgeving, vermeld in § 2, kan voor een milieucoördinator-werknemer plaatsvinden door middel van een aanstellingsdossier dat op de exploitatiezetel ter beschikking wordt gehouden van de ambtenaren van de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen en de afdeling bevoegd voor milieuhandhaving. Het aanstellingsdossier bevat de gedagtekende overeenkomst tussen exploitant en werknemer met betrekking tot de uitoefening door deze laatste van de functie van milieucoördinator en alle documenten waaruit blijkt dat de aanstelling van de milieucoördinator gebeurd is conform de bepalingen van de onderhavige toepasselijke afdeling 4.1.9.

Art. 4.1.9.1.5.

De exploitant is gehouden het nodige te doen opdat de milieucoördinator zijn taak naar behoren kan vervullen. Hij stelt hem hulppersoneel, lokalen, materiaal en middelen ter beschikking voor zover vereist.

De milieucoördinator die een werknemer is van de exploitant, mag geen nadeel ondervinden van de taak die hij als milieucoördinator vervult. (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996) ]

Art. 4.1.9.1.6.

...

[Subafdeling 4.1.9.2. De milieuaudit]
[De vrijwillige milieuaudit "EMAS"]
Art. 4.1.9.2.1.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, en rekening houdend met het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van de Verordening 1836/93/EEG van 29 juni 1993, inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem, wordt voor het Vlaamse Gewest :
1° BELAC, opgericht bij het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC-accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling, belast met de erkenning en het toezicht op milieuverificateurs;
2° het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie aangewezen als bevoegde instantie die belast is met de registratie van de organisaties, de weigering en de vernieuwing van de registraties, de inschrijving, schorsing of schrapping van de organisaties uit het register, alsook met de toepassing van de voorschriften betreffende het registratieproces, vermeld in artikel 12 van verordening (EG) nr. 1221/2009, en de uitvoering van alle overige opdrachten die ingevolge de verordening van de bevoegde instantie worden verwacht.

Art. 4.1.9.2.2.

Ter bevordering van de vrijwillige deelneming van organisaties aan het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem, zoals geregeld door verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie, wordt geen bijdrage in de registratiekosten van een organisatie vastgesteld.

Art. 4.1.9.2.3.

Voor de toepassing in het Vlaamse Gewest van de bepalingen van verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van de Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie wordt gebruikgemaakt van het samenwerkingsakkoord van 30 maart 1995 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitvoering van verordening (EG) nr. 1836/93 van 29 juni 1993 inzake de vrijwillige deelneming van bedrijven uit de industriële sector aan een communautair milieubeheer- en Milieu-auditsysteem.

[De decretale milieuaudit]
Art. 4.1.9.2.4.

§ 1. Ter uitvoering van artikel 3.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zoals aangevuld door het decreet van 19 april 1995 worden de volgende categorieën van inrichtingen onderworpen aan een periodieke milieuaudit :
1° de in de eerste klasse ingedeelde inrichtingen die tevens zijn opgenomen in de bijlage I van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage;
2° de VR-plichtige inrichtingen, vermeld in rubriek 17.2.2 van de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM;
3° de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "P" zijn aangeduid, evenwel enkel in zoverre deze verplichting door de vergunningverlenende overheid is opgelegd rekening houdend met de aard van de inrichting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een periodieke milieuaudit op te stellen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden :
1° het bedrijf moet tussen de twee voorziene opeenvolgende audits onafgebroken over een gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken;
2° de openbaarheid van de gegevens die anders via de decretale milieuaudit gerealiseerd wordt, moet gegarandeerd blijven;
3° het voldoen aan deze voorwaarden moet worden gecontroleerd door een milieuverificateur of certificatie-instelling.

§ 2. Ter uitvoering van artikel 3.3.2. van het decreet van 5 april 1995 houdende al­gemene bepalingen in­zake milieubeleid zoals aange­vuld door het decreet van 19 april 1995 worden de volgende categorieën van inrich­tingen on­derworpen aan een éénmalige mi­lieuaudit:

de inrichtingen die in de indelingslijst in bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de 6de kolom met de letter "E" zijn aange­duid, evenwel enkel in zoverre deze ver­plichting door de vergunningver­lenende over­heid is opge­legd rekening houdende met de aard van de inrich­ting, de aard van de milieueffecten die ervan uitgaan en/of de plaats waar ze gelegen is.

Inrichtingen die over een EMAS-geregistreerd of ISO 14001-gecertificeerd milieuzorgsysteem beschikken, zijn vrijgesteld van de verplichting om een éénmalige milieuaudit op te stellen.

§ 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde milieu­audit vindt plaats op kosten van de exploi­tant. (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)]

Art. 4.1.9.2.5.

§ 1. De in artikel 4.1.9.2.4. be­doel­de mi­lieuaudit betreft een systematische, gedo­cumen­teerde en objec­tieve evaluatie van het beheer, de or­ganisatie en de uitrus­ting van de betrokken inrichting of activiteit op het gebied van de bescher­ming van het milieu.

§ 2. De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde mi­lieuau­dit heeft be­trekking op:
1° de emissies en immissies, evenals de ge­volgen ervan voor de milieukwaliteit;
2° het energiebeheer;
3° het beheer van grondstoffen;
4° de productiemethodes en het productbe­heer;
5° de preventie en het beheer van afvalstof­fen;
6° de externe veiligheid;
7° de voorlichting, opleiding en participatie van het per­soneel in de bedrijfsinterne mi­lieuzorg;
8° de externe voorlichting;
9° de voorstellen en adviezen van de milieu­co­rdina­tor, zo­als bedoeld in § 3 van ar­tikel 4.1.9.1.3., en de opvol­ging die hier­aan gegeven is.

§ 3. De in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieu­audit moet wor­den gevalideerd door een mi­lieuverificateur erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

Art. 4.1.9.2.6.

§ 1. De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld:
1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen:
de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van  artikel 4.1.9.2.5, § 2;
2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij:
de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van  artikel 4.1.9.2.5, § 2.

§ 2. De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

Art. 4.1.9.2.7.

§ 1. De in artikel 4.1.9.2.4. § 1 bedoelde periodieke milieuaudit dient regelmatig herhaald te worden. Tussen twee opeenvolgende audits mag hoogstens een periode van 3 jaar liggen.

§ 2. De op 4 juli 1996 bestaande inrichtingen dienen hun eerste milieuaudit uit te voeren uiterlijk op 31 december 1998; inrichtingen die in bedrijf worden genomen na 4 juli 1996 dienen een eerste milieuaudit uit te voeren uiterlijk twee jaar na de inbedrijfstelling van de inrichting. (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996) ]

[Subafdeling 4.1.9.3. De rol van het comité voor preventie en bescherming op het werk]
Art. 4.1.9.3.1.

. § 1. De exploitant moet inzon­der­heid:
1° aan de leden van het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor preventie en bescherming op het werk (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)] [be­zor­gen:
a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalen­der­jaar waarop het betrekking heeft, af­schrift van het milieu­jaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit regle­ment;
b) in voorkomend geval, een afschrift van de ge­va­lideerde milieuverklaring als be­doeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit regle­ment;
c) in voorkomend geval, een afschrift van de ge­vali­deerde milieuaudit als bedoeld in ar­tikel 4.1.9.2.5. van dit reglement;
2° ter beschikking stellen van het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor preventie en be­scher­ming op het werk: (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)]
[a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalen­derjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijla­gen bij het mi­lieu­jaarver­slag bedoeld in artikel 4.1.8.2. van dit regle­ment;
b) alle al dan niet door de milieuregle­men­te­ring op­geleg­de inlichtingen, versla­gen, advie­zen en docu­menten die verband houden met het milieu en/of de externe veilig­heid;
inzonderheid geldt dit voor de inlichtin­gen, ver­sla­gen, adviezen en documenten die de eigen onder­ne­ming met toe­passing van de milieuregle­mentering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te hou­den;
3° het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [comité voor preventie en bescherming op het werk: (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)]
[a) informeren over het hulppersoneel, de lo­kalen, het materiaal en de middelen die hij overeenkom­stig artikel 4.1.9.1.5. van dit re­glement ter be­schikking stelt van de mi­lieu­coördinator;
b) informeren over de inlichtingen, versla­gen, ad­vie­zen en documenten die derde on­derne­mingen ter gelegenheid van hun aan­vraag voor een mi­lieuver­gunning open­baar dienen te ma­ken indien en voor zover de eigen bedrijfslei­ding ten opzichte van die documenten een inzagerecht kan doen gel­den;
c) alle nodige informatie verstrekken om met vol­le­dige kennis van zaken adviezen te kunnen uit­brengen;
d) inlichten over de wijzigingen aange­bracht aan de fa­bricatieprocédés, de toe­gepaste tech­nieken of de instal­laties als ze de be­staande risico's voor het milieu en/of de externe vei­ligheid zouden ver­er­geren of er nieuwe zou­den vormen, als­ook bij het aan­wen­den of fa­bri­ceren van nieuwe pro­duc­ten;
e) in voorkomend geval, de informatie ver­strekken omtrent vrijwillige deelne­ming aan het milieube­heer- en milieu­auditsysteem als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3. van dit regle­ment;
4° de toelichting bezorgen waarnaar een lid van het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor preven­tie en bescherming op het werk (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)] [met be­trek­king tot het mi­lieu of de ex­ter­ne vei­lig­heid zou heb­ben ge­vraagd;
5° jaarlijks een omstandige toelichting op een verga­de­ring van het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor preventie en bescherming op het werk (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)] [ver­zor­gen met be­trek­king tot het door de on­der­ne­ming ge­voerde mi­lieu­be­leid;
6° overeenkomstig artikel 4.1.9.1.4. van dit re­gle­ment het voorafgaand akkoord ver­krij­gen van het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor pre­ventie en bescherming op het werk (verv. B.V.R. 19 janu­ari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)] [om­trent de voor­ge­no­men:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaats­ver­vanger
van een milieucoördinator-werknemer.

§ 2. De milieucoördinator bezorgt aan het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [co­mité voor preventie en bescher­ming op het werk: (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)]
[1° vóór 1 april van het jaar volgend op het kalen­der­jaar waarop het betrekking heeft, het jaar­verslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit over­een­komstig artikel 4.1.9.1.3., § 3 van dit re­glement;
2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van arti­kel 4.1.9.1.3. van dit regle­ment.

§ 3. Het (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)] [comité voor preventie en bescherming op het werk: (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 31, I: 1 mei 1999)]
[1° heeft hoofdzakelijk tot taak alle middelen na te spo­ren en voor te stellen alsook ac­tief bij te dragen tot alles wat wordt on­dernomen in het kader van de be­drijfsin­terne milieu­zorg; om deze taak te vol­bren­gen moet het inzonder­heid adviezen uitbrengen en voor­stellen formuleren om­trent:
a) het door de onderneming gevoerde beleid inza­ke be­drijfsinterne milieuzorg;
b) het milieujaarverslag en de andere do­cu­menten alsook de toelichting en inlich­tin­gen die de exploi­tant respec­tievelijk de mi­lieuco­rdinator overeen­komstig dit regle­ment ge­houden zijn aan het co­mité te ver­strekken;
2° is er mede belast ter uitvoering van arti­kel 4.1.9.1.4. van dit reglement zich uit te spreken over het al of niet akkoord gaan met de door de exploitant voorgenomen:
a) aanwijzing;
b) vervanging;
c) verwijdering uit zijn functie;
d) de aanstelling van een tijdelijke plaats­ver­van­ger;
van een milieucoördinator-werknemer. (ing. B.V.R. 26 juni 1996, art. 9, I: 3 juli 1996)]

[Afdeling 4.1.10 Bijzondere onderzoekscommissies]
Art. 4.1.10.1.

§ 1. Er wordt een bijzondere onder­zoekscommissie opgericht die op verzoek van de be­voegde overheid een milieutechnisch advies verstrekt inzake de verontreiniging van de omgevingslucht door polychloordi­benzodioxines en polychloordiben­zofura­nen en andere gevaarlijke stoffen veroorzaakt door in­dustrïële installaties in het algemeen en afval­verwijde­ringsinstallaties in het bijzonder.

§ 2. De onderzoekscommissie, bedoeld in § 1, is sa­mengesteld als volgt:
1° een deskundige, die de commissie voorzit, en ten minste twee andere deskundigen, allemaal aangewe­zen door de Vlaamse minister bevoegd voor het leef­milieu;
2° een deskundige, aangewezen door de Vlaamse minis­ter bevoegd voor het gezondheidsbeleid;
3° het afdelingshoofd of de door hem aangewezen ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, die het secretari­aat verzekert;
4° het afdelingshoofd of de door hem aangewezen ambtenaar van de afdeling, bevoegd voor het toezicht volksgezondheid;
5° de administrateur-generaal of de door hem aange­wezen ambtenaar van de OVAM.

Afdeling 4.1.11. [Gebruik van gevaarlijke stoffen (verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie) (verv. BVR 20 november 2009, art. 6)]
Art. 4.1.11.1.

Overeenkomstig artikel 67 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een stof als zodanig of in een preparaat of voorwerp waarvoor in bijlage XVII van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 een beperking is opgenomen, niet worden vervaardigd of worden gebruikt tenzij aan de voorwaarden van die beperking wordt voldaan. Dit geldt niet voor de vervaardiging en het gebruik van een stof bij wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling. In bijlage XVII wordt bepaald wanneer de beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés en wordt de vrijgestelde maximum hoeveelheid gespecificeerd.

Art. 4.1.11.2.

Overeenkomstig artikel 56 van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 mag een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker een in bijlage XIV van de Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik gebruiken, tenzij voldaan is aan de bepalingen gesteld in artikel 56 van deze Verordening.

Art. 4.1.11.3.

...

Art. 4.1.11.4.

...

Art. 4.1.11.5.

...

Art. 4.1.11.6.

...

Art. 4.1.11.7.

...

Art. 4.1.11.8.

...

[Afdeling 4.1.12. Risicobeheersing (ing. BVR 7 juni 2013, art. 74, I: 20 september 2013)]
Art. 4.1.12.1.

§ 1. De exploitant voorziet in de nodige maatregelen om voorvallen en de gevolgen daarvan voor de mens en het leefmilieu te voorkomen of tot een minimum te beperken.

Dat houdt onder meer in dat de exploitant het volgende doet :
1° hij voorziet in de nodige maatregelen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd;
2° hij voorziet in de nodige brandpreventiemaatregelen;
3° hij voorziet in de nodige detectie-, nood- en interventiemaatregelen.

De exploitant bepaalt de organisatie van de brandbestrijding, de brandbestrijdingsmiddelen en de capaciteit voor de opvang van verontreinigd bluswater volgens een code van goede praktijk en raadpleegt daarbij de bevoegde brandweer.

De brandbestrijdingsmiddelen moeten in een goede staat verkeren, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld worden en ze moeten onmiddellijk kunnen functioneren.

§ 2. De exploitant kan te allen tijde aan de toezichthouders aantonen dat hij de nodige maatregelen heeft voorzien.

Art. 4.1.12.2.

§ 1. Bij een voorval of bij onmiddellijke dreiging daarvan neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen, om zo de gevolgen voor de mens en het milieu tot een minimum te beperken, en om verdere mogelijke voorvallen te voorkomen.

§ 2. De exploitant doet onmiddellijk telefonisch melding van het voorval en van de genomen en geplande maatregelen bij de burgemeester en de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

§ 3. In geval van een voorval, waarschuwt de exploitant onverwijld derden die gevolgen kunnen ondervinden van de emissie, met opgave van de maatregelen die ze kunnen treffen om het gevaar af te wenden of te beperken.

Het eerste lid is niet van toepassing als de voorschriften, vastgesteld door de federale overheid in het kader van de civiele bescherming, van toepassing zijn.

Als door het voorval de werking van een afvalwaterzuiveringsinstallatie nadelig kan worden beïnvloed, waarschuwt de exploitant bovendien onmiddellijk de beheerder van de installatie in kwestie.

Art. 4.1.12.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.12.2, § 2, verstrekt de exploitant bij een voorval zo spoedig mogelijk de volgende informatie aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving :
1° algemene gegevens over de exploitant;
2° tijdstip, aard, omstandigheden en oorzaken van het voorval;
3° betrokken producten;
4° beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het voorval voor mens en milieu kunnen worden beoordeeld;
5° de getroffen maatregelen om het voorval te bedwingen en te beheersen.

De exploitant gebruikt daarvoor het formulier, vermeld in bijlage 4.1.12, of een andere informatiedrager die dezelfde informatie bevat.

Als uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die de verstrekte informatie of de daaruit getrokken conclusies wijzigen, werkt de exploitant die informatie bij en bezorgt hij ze aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

Art. 4.1.12.4.

Na een voorval treft de exploitant, afhankelijk van de gevolgen die hetzij onmiddellijk hetzij na verloop van tijd kunnen optreden en overeenkomstig de toepasselijke reglementering, de nodige maatregelen voor de schoonmaak en voor het herstel van het leefmilieu.

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.

Art. 4.1.12.5.

Na een voorval treft de exploitant de nodige maatregelen om herhaling van het voorval te voorkomen.

De exploitant informeert de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving over de geplande maatregelen en brengt de afdeling op de hoogte van de uitvoering daarvan.

[Afdeling 4.1.13. GPBV-installaties (ing. BVR 7 juni 2013, art. 74, I: 1 september 2013)]
Art. 4.1.13.1.

Met behoud van toepassing van de andere afdelingen van dit hoofdstuk is deze afdeling van toepassing op GPBV-installaties.

Artikel 4.1.13.2 en 4.1.13.3 worden vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (Bodemdecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO).

Art. 4.1.13.2.

Voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid, geldt de periodieke bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.

Art. 4.1.13.3.

Als de activiteiten definitief worden stopgezet, gelden :
1° voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 32 en 122 van het Bodemdecreet;
2° voor installaties die niet vallen onder punt 1°, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 9 tot en met 11 en artikel 19 tot en met 22 van het Bodemdecreet.

Art. 4.1.13.4.

Als artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM wordt toegepast, bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks en uiterlijk voor 15 maart van elk kalenderjaar een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden zoals bepaald is voor de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN.

Art. 4.1.13.5.

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.4.2 brengt de exploitant de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van de emissies, die door dit reglement of de milieuvergunning werd opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen.

HOOFDSTUK 4.2. BEHEERSING VAN OPPERVLAKTEWATERVERONTREINIGING

Afdeling 4.2.1. Toepassingsgebied en algemene bepalingen
Art. 4.2.1.1.

De bepalingen van dit hoofd­stuk zijn van toe­passing op de lozing van:
- bedrijfsafvalwater en koelwater zoals be­doeld in de rubrie­ken 3.4. en 3.5.,
- afvalwater, afkomstig van afvalwaterzuive­rings-in­stal­laties zoals bedoeld in rubriek 3.6.,
- huishoudelijk afvalwater zoals bedoeld in de ru­briek 3.2.

Zijn opgenomen in deel 6 :
- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van woongelegenheden, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie;
- de voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m3/jaar bedraagt, met inbegrip van de eventueel bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.1.2.

Het mengsel van bedrijfsaf­valwater met huis­houdelijk afvalwa­ter en/of koelwater en/of niet-verontrei­nigd hemel­water, af­komstig van de­zelfde mi­lieutechni­sche eenheid, dat via een niet-gescheiden rio­leringsnet samen wordt geloosd en zonder dat de ver­schillende deel­stromen apart kun­nen worden ge­con­tro­leerd, wordt integraal beschouwd als be­drijfsaf­val­water. In de milieuvergunning kunnen in dat geval de emissie­grenswaarden bepaald worden in functie van de verhouding tussen de ver­schillende soorten afvalwa­ter.

Art. 4.2.1.3.

§ 1. [De lozing van bedrijfs­afvalwater in de kunstma­tige af­voerwegen voor hemelwater of in het gedeelte van een gescheiden riolering voor de afvoer van hemelwater is ver­bo­den, be­hal­ve - mits uit­druk­ke­lij­ke ver­gun­ning - in­dien het be­drijfs­af­val­water betreft dat vol­doet aan de bijzon­dere voor­waar­den zo­als be­paald in de vergun­ning. (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 33, I: 1 mei 1999)]

§ 2. De lozing van koelwater, ingedeeld in klas­se 1 of 2, is verboden in openbare rio­lering en collecto­ren, behalve in het gedeelte van een gescheiden rio­lering, bestemd voor de afvoer van hemelwater.

§ 3. De lozing van huishoudelijk afvalwater in de ge­wone op­pervlaktewateren of in een kunst­matige af­voer­weg voor hemel­water is verbo­den, wanneer de open­bare weg van openbare rio­lering is voorzien.

§ 4. Een volledige scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, is verplicht op het ogenblik dat een gescheiden riolering wordt aangelegd of heraangelegd, tenzij het anders bepaald is in de milieuvergunning of in het uitvoeringsplan.
Voor bestaande gebouwen in een gesloten bebouwing is de scheiding tussen het afvalwater en het hemelwater, afkomstig van dakvlakken en grondvlakken, enkel verplicht indien daarvoor geen leidingen onder of door het gebouw moeten worden aangelegd.
De bepalingen van deze § 4 gelden voor lozingen in die gemeenten waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld.

§ 5. Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of milieuvergunningsvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld :
1° opvang voor hergebruik;
2° infiltratie op eigen terrein;
3° buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
4° lozing in de regenwaterafvoerleiding (RWA) in de straat.
Slechts wanneer de beste beschikbare technieken geen van de voornoemde afvoerwijzen toelaten, mag het hemelwater overeenkomstig de wettelijke bepalingen worden geloosd in de openbare riolering.

§ 6. Voor de lozingen van afvalwater die niet zijn opgenomen in een van de op de zoneringsplannen aangeduide zuiveringszones, gelden - tenzij anders bepaald in de milieuvergunning - de lozingsvoorwaarden die in de delen 4, 5 en 5bis van dit besluit zijn vastgesteld voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied.

Afdeling 4.2.2. Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat
Art. 4.2.2.1.

Het onder deze afdeling bedoelde bedrijfsafvalwater, ongeacht of het in gewone oppervlak-tewateren dan wel in de openbare riolering wordt geloosd, mag binnen de in art. 1.1.2. gegeven omschrijving, geen stoffen bevatten in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, die conform bijlage 2C bij titel I van het VLAREM als gevaarlijke stof zijn te beschouwen of die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in deze bijlage 2C, noch enige andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, van de flora of de fauna. Hetzelfde geldt eveneens voor de lozing in oppervlaktewateren van stoffen die eutrofiring van de ontvangende wateren kunnen veroorzaken.

Subafdeling 4.2.2.1. Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat in de gewone oppervlaktewateren [... (geschr. BVR 23 december 2011, art. 40, I: 31 maart 2012)]
Art. 4.2.2.1.1.

De algemene voorwaarden voor het lozen in de gewone oppervlaktewateren en/of voor lozingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, luiden als volgt :
1° het te lozen bedrijfsafvalwater dat in zoda­nige hoe­veelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvan­gende water er gevaar­lijk door kan worden besmet, moet ont­smet worden;
2° de pH van het geloosde bedrijfsafvalwa­ter mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde bedijf­safvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon opper­vlaktewater en/of van grondwa­ter, kan voor de bepa­ling van de grens­waarden van de pH de natuur­lijke pH van het bedoel­de opper­vlak­tewa­ter en/of grondwa­ter aange­nomen worden indien die pH meer dan 9 of minder dan 6,5 bedraagt;
3° het biochemische zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20°C in het geloosde bedijfsafval­wa­ter mag niet meer bedragen dan 25 mil­ligram zuurstofverbruik per liter;
4° de temperatuur van het geloosde bedrijfs­af­valwa­ter mag 30°C niet over­schrij­den; mits uitdrukkelijk in de vergunning opge­nomen, is bij een buitentempe­ratuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een over­schrijding tot 35°C toege­staan, in zoverre hier­door de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteits­normen voor het ontvangende oppervlaktewa­ter niet wordt over­schreden;
5° in het geloosde bedijfsafvalwater mogen de vol­gende gehal­ten niet over­schre­den worden:
a) 0,5 milliliter per liter voor de bezink­bare stof­fen (tij­dens een stati­sche bezin­king van twee uur);
b) 60 milligram per liter voor de zweven­de stof­fen;
c) 5 milligram per liter voor de perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen
d) 3 milligram per liter voor de som van anionische, niet-ionogene en kationische oppervlakteactieve stoffen
6° indien het geloosde bedrijfsafvalwater af­komstig is van het gebruik van een gewoon opper­vlaktewater en/of van grondwater kun­nen de waarden vastgelegd in sub 3° en sub 5° van dit ar­tikel vermeer­derd wor­den met het gehalte in het opgeno­men water;
7° een representatief monster van het ge­loosde be­drijfs­afval­water mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen be­vatten in zulke hoeveelheden dat een drijven­de laag op ondub­bel­zinnige wijze kan vastgesteld wor­den; in geval van twij­fel, kan dit vast­ge­steld worden door het monster over te gieten in een scheit­rechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen wor­den.

Subafdeling 4.2.2.2. [... (opgeh. BVR 23 december 2011, art. 42, I: 31 maart 2012)]
Art. 4.2.2.2.1.

...

Art. 4.2.2.2.2.

...

Subafdeling 4.2.2.3. [Lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, in de openbare riolering (verv. BVR 23 december 2011, art. 43, I: 31 maart 2012)]
Art. 4.2.2.3.1.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het centraal gebied, het collectief geoptimaliseerde buitengebied en/of het collectief te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de volgende algemene voorwaarden :
1° de pH van het geloosde bedrijfsafvalwater ligt tussen 6 en 9,5;
2° de temperatuur van het geloosde bedrijfsafvalwater bedraagt maximaal 45° C;
3° de afmetingen van de zwevende stoffen die in het geloosde bedrijfsafvalwater aanwezig zijn, zijn maximaal 1 cm. Die stoffen hinderen de goede werking van de pomp- en zuiveringsstations niet door hun structuur;
4° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat geen opgeloste, ontvlambare of ontplofbare gassen, noch producten die de afscheiding van dergelijke gassen kunnen teweegbrengen. Het geloosde bedrijfsafvalwater veroorzaakt geen verspreiding van uitwasemingen waardoor het milieu wordt bedorven;
5° in het geloosde bedrijfsafvalwater worden de volgende gehaltes niet overschreden :
a) 1 g/l zwevende stoffen;
b) 0,5 g/l stoffen, extraheerbaar met petroleumether;
6° het geloosde bedrijfsafvalwater bevat zonder uitdrukkelijke vergunning geen stoffen die :
a) een gevaar betekenen voor het onderhoudspersoneel van de riolering en de zuiveringsinstallaties;
b) de leidingen kunnen beschadigen of verstoppen;
c) een beletsel vormen voor de goede werking van de pomp- en zuiveringsinstallaties;
d) een zware verontreiniging van het ontvangende oppervlaktewater kunnen veroorzaken of die het ontvangende oppervlaktewater waarin het water van de openbare riool wordt geloosd, zwaar kunnen verontreinigen;
7° om het lozen van bedrijfsafvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie te beoordelen, gelden als regels de criteria, vermeld in artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2014 houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Art. 4.2.2.3.2.

In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, moet de lozing van bedrijfsafvalwater, dat geen gevaarlijke stoffen bevat, gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied, beantwoorden aan de voorwaarden van artikel 4.2.2.1.1.

Art. 4.2.2.3.3.

Voor de bestaande vergunde of gemelde lozingen gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege de eerste van de 29e maand na de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan.

Afdeling 4.2.3. Lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat
Art. 4.2.3.1.

1° Onverminderd de in dit besluit vastgestelde emissiegrenswaarden dient de lozing van gevaarlijke stoffen van bijlage 2C maximaal te worden voorkomen door de toepassing van de beste beschikbare technieken.
2° Voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen van bijlage 2C bevat gelden dezelfde algemene emissiegrenswaarden als in de Afdeling 4.2.2. voorgeschreven voor de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, behoudens het bepaalde onder 3° hierna.
3° Van de gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage 2C, mogen in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, enkel die stoffen worden geloosd waarvoor in de milieuvergunning emissiegrenswaarden zijn vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in art. 2.3.6.1.

Deze emissiegrenswaarden bepalen:
a) de in de lozingen toelaatbare maximumconcentratie van een stof; in geval van verdunning moet de in dit besluit voor bedoelde stof vastgestelde emissiegrenswaarde worden gedeeld door de verdunningsfactor;
b) de in de lozingen toelaatbare maximumhoeveelheid van een stof tijdens een of meer bepaalde perioden; zo nodig kan deze hoeveelheid bovendien worden uitgedrukt in een gewichtseenheid van de verontreinigende stof per eenheid van het element dat kenmerkend is voor de verontreinigende werkzaamheid (bijvoorbeeld gewichtseenheid per grondstof of per eenheid produkt).
c) Indien het geloosde bedrijfsafvalwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater en/of van grondwater kunnen deze waarden vastgelegd in sub a) en b) van dit artikel vermeerderd worden met het gehalte of de hoeveelheid in het opgenomen water.

Afdeling 4.2.4. Lozing van koelwater
Art. 4.2.4.1.

§ 1. De algemene voorwaarden voor het lozen van koelwater in de gewone oppervlaktewateren en in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater en voor het lozen van koelwater, ingedeeld in klasse 3, in de openbare riolering en de collectoren, luiden als volgt:
1° het te lozen koelwater dat in zodanige hoeveelheid pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet moet ontsmet worden;
2° de pH van het geloosde koelwater mag niet meer dan 8,5 of niet minder dan 6,5 bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een oppervlaktewater en/of van grondwater kan voor de bepaling van de emissiegrenswaarde van de pH, de natuurlijke pH van het bedoelde oppervlaktewater en/of grondwater aangenomen worden indien die pH meer dan 8,5 of minder dan 6,5 bedraagt;
3° het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater moet tenminste 4 milligram per liter bedragen; indien het geloosde koelwater afkomstig is van het gebruik van een gewoon oppervlaktewater waarvan het gehalte aan opgeloste zuurstof minder dan 4 mg/l bedraagt, moet het gehalte aan opgeloste zuurstof van het geloosde koelwater minstens gelijk zijn aan dat van het ontvangende oppervlaktewater stroomopwaarts van de waterwinning;
4° de temperatuur van het geloosde koelwater mag 30°C niet overschrijden; mits uitdrukkelijk in de vergunning opgenomen is bij een buitentemperatuur van 25°C of meer of bij een koelwaterinname met een temperatuur van 20°C of meer evenwel een overschrijding tot 35°C toegestaan, in zoverre hierdoor de temperatuur, vermeld in de milieukwaliteitsnormen voor het ontvangende oppervlaktewater niet wordt overschreden;
5° het geloosde koelwater mag zonder uitdrukkelijke vergunning, te verlenen overeenkomstig het bepaalde in de art. 2.3.6.1. en 2.3.6.2., geen stoffen bevatten die behoren tot de families en groepen van stoffen vermeld in de bijlage 2C, noch alle andere stoffen met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora en de fauna; dit geldt eveneens voor de stoffen die eutrofiëring van de ontvan-gende wateren kunnen veroorzaken;
6° het verschil in het chemisch zuurstofverbruik van het geloosde koelwater en het opgenomen gewoon oppervlak-tewater en/of grondwater mag 30 milligram zuurstofverbruik per liter niet overschrijden.

§ 2. Het koelwater dient bij voorkeur in een gesloten circuit te worden aangewend.

§ 3. In afwijking van de bepalingen van § 1. 4° wor­den de lozingsvoorwaarden voor koelwater, afkom­stig van elektrische centra­les als volgt vastge­steld:
1° het geloosde koelwater is uitsluitend afkom­stig van een oppervlaktewater beho­rend tot het openbaar hy­drografisch net;
2° de uur- en dagdebieten, de temperatuur en het zuur­stofge­halte van zowel het gecap­teerde als van het ge­loosde koelwater wor­den continu bepaald en gere­gis­treerd;
3° voor de temperatuur van het geloosde koel­water gelden vol­gende emissiegrens­waarden:
- maximum 33 °C als ogenblikkelijke waar­de;
- maximum 32 °C als daggemiddelde; hier­voor wor­den de uurwaarden in aan­merking geno­men, zoals gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de mid­dag (12 h) van de daar­opvolgende dag;
- maximum 30 °C als voortschrijdend 30-da­genge­middelde;

de emissiegrenswaarden vermeld in het eerste lid zijn tijdelijk niet van toepassing indien bij uitzonderlijke meteorologische omstandigheden, inzonderheid bij een hittegolf, de netveiligheid in het gedrang komt, en indien voldaan is aan de volgende voorwaarden :
- de exploitant beschikt over een door de afdeling bevoegd voor milieuvergunningen en de VMM goedgekeurd studierapport, waarin voor de geviseerde lozing een inschatting is gemaakt van de eigenschappen van de lozing en de effecten in het ontvangende oppervlaktewater, in relatie met de thermische draagkracht van het ontvangende oppervlaktewater; dit studierapport moet worden opgesteld door een MER-deskundige erkend in de discipline water en een MER-deskundige erkend in de discipline fauna en flora, en vermeldt expliciet de verhoogde maximumtemperatuur, uitgedrukt als ogenblikkelijke waarde en ook als daggemiddelde, van de bij optreden van een hittegolf tijdelijk toelaatbaar geachte lozing van koelwater, alsook de maximumduur van dergelijke lozing, evenals het geloosde debiet;
- de lozing voldoet aan de in het studierapport beschreven maximum temperaturen, debiet en andere randvoorwaarden; deze randvoorwaarden worden tijdens deze uitzonderlijke periode continu bewaakt door de exploitant;
- de aanvang en het einde van de lozing met verhoogde temperatuur wordt telkens onverwijld gemeld aan de toezichthoudende overheid;
Voor de toepassing van deze bepalingen, wordt een « hittegolf » gedefinieerd als zijnde een periode met minstens 5 opeenvolgende dagen met ten minste 25 graden (luchttemperatuur), waarvan op minstens 3 dagen 30 graden of meer wordt genoteerd te Ukkel.
4° voor de geloosde thermische vrachten gelden vol­gende waar­den:
- maximale thermische vracht per dag:
- de thermische vracht berekend uit de techni­sche gegevens van de instal­latie, uitgedrukt per dag;
- toegelaten thermische vrachten per dag:
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het ge­cap­teerde water tot maximum 25 °C is de lo­zing van de maximale thermische vracht toege­staan;
- bij een gemiddelde dagtemperatuur van het ge­cap­teerde water van meer dan 25 °C dient met ingang van de dag volgend op de dag waar­op de gemeten tempera­tuur betrekking heeft, de ge­loos­de ther­mische vracht verminderd; deze ver­min­de­ring zal - behoudens wan­neer veilig­heids­rede­nen zich hiertegen verzetten - recht­evenre­dig zijn met de gemeten tem­peratuurstij­ging, derwijze dat de wer­ke­lijk geloosde ther­mische vracht wordt be­perkt:
- bij een gemiddelde dag­temperatuur van het gecap­teerde water van 26 °C: tot 70 % van de maximale ther­mische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dag­temperatuur van het gecap­teerde water van 27 °C: tot 40 % van de maximale ther­mische vracht per dag;
- bij een gemiddelde dag­temperatuur van het gecap­teerde water van 28 °C: tot 10 % of minder van de maximale thermische vracht per dag;
voormelde verminderingen van de ther­mische dagvrach­ten dienen aangehouden zolang de geme­ten gemiddelde dagtem­pe­ratuur van het gecap­teer­de water de ho­ger aangegeven emis­siegrens­waarde over­schrijdt;
voor de bepaling van de gemiddelde dag­tem­pera­tuur worden de uurwaarden in aanmer­king geno­men, zo­als gemeten van de middag (12 h) van de ene dag tot de middag (12 h) van de daaropvol­gen­de dag.

Afdeling 4.2.5. Metingen en controle
Subafdeling 4.2.5.1. Controle-inrichting en bemonsteringsapparatuur
Art. 4.2.5.1.1.

§ 1. Bedrijfsafvalwater van inrichtin­gen die een maximum hoe­veelheid bedrijfsafval­water van meer dan 2 m3 per dag of 50 m3 per maand of 500 m3 per jaar lozen, moet worden geloosd via een contro­le-inrichting die alle waarbor­gen biedt om de kwaliteit van het wer­kelijk geloosde afvalwater te controleren en die inzon­der­heid toelaat gemakkelijk monsters van het ge­loosde water te nemen.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergun­ning dient deze con­trole-inrichting vanaf de hierna vermelde de­bieten bovendien te be­antwoorden aan de volgende eisen:
- voor debieten > 2 m3/uur of > 20 m3/dag: de plaat­sing van een meetgoot (bij voorkeur) vol­gens de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoeg­de omschrij­ving en gestel­de eisen of een andere evenwaardige meet­moge­lijkheid;
- voor debieten > 50 m3/uur (lozing van be­drijfsaf­val­water dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat) of > 100 m3/uur (lozing van be­drijfsafvalwater dat geen ge­vaarlijke stof­fen bevat): de plaatsing van debiet­smeet- en be­monsteringsapparatuur volgens de in bij­lage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde om­schrij­ving en ge­stel­de eisen.

§ 2. Tenzij anders vermeld in de milieuver­gun­ning dient de in § 1 voorgeschreven bemonste­ringsappara­tuur steeds in werking te zijn vol­gens de voorschrif­ten van de constructeur, en in die zin dat er te allen tijde een 24-uur debiet­sproportioneel meng­monster kan wor­den genomen, om toe te laten de in art. 4.2.6.1. be­schreven contro­lebemonste­ring uit te voe­ren.

§ 3. In de milieuvergunning kan worden opge­legd dat via de in § 1 bedoelde contro­le-inrich­ting geen huis­houdelijk afvalwa­ter, koelwater, of hemelwater mag worden af­gevoerd.

Art. 4.2.5.1.2.

Koelwater van de inrichtingen die een maximum hoeveelheid koelwater lozen groter dan 100 m3 per uur, moet worden geloosd via een controle-inrichting die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk geloosde koelwater te controleren en die inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van het geloosde water te nemen. Daarnaast moet het debiet continu worden geregistreerd waarbij naast het ogenblikkelijk debiet ook het totaal debiet per uur, per etmaal en per jaar wordt weergegeven.

Mits uitdrukkelijke vermelding in de milieuvergunning, kunnen de debietsmetingen voor inrichtingen die een hoeveelheid koelwater groter dan 1.000 m3 per uur lozen, vervangen worden door een berekeningsmethode die gebaseerd is op gemeten inname-gegevens water, goedgekeurd door een erkende MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, vermeld in artikel 6, 1°, d), van het VLAREL.

Subafdeling 4.2.5.2. Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat
Art. 4.2.5.2.1.

§ 1. De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat, loost van meer dan 30 m3 per uur, 600 m3 per dag en/of 15.000 m3 per maand, moet onverminderd de bepalingen van art. 4.2.5.1.1. ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende metingen uitvoeren:
- het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof en het gehalte aan totale fosfor.

§ 2. Aanvullend aan de in § 1 voorgeschreven metingen, moet de exploitant van een inrichting die een maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater loost van meer dan 100 m3 per uur, de als dusdanig in de milieuvergunning vermelde parameters meten overeenkomstig het meetprogramma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

§ 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde metingen en analyses moeten worden uitgevoerd op kosten van de exploitant, met apparatuur zoals beschreven in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit en volgens een methode goedgekeurd door een in de disci-pline water erkende milieudeskundige, hetzij door de exploitant, hetzij door deze milieudeskundige zelf.

§ 4. De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.

Subafdeling 4.2.5.3. Zelfcontroleprogramma bij de lozing van bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaarlijke stoffen bevat
Art. 4.2.5.3.1.

aard van de bedrijvigheid bedoeld in bijlage 5 § 1. De exploitant van een inrichting die een maximum hoeveel­heid bedrijfsafvalwater dat één of meer gevaar­lijke stoffen bevat, loost van meer dan 15 m3 per uur, 300 m3 per dag en/of 7.500 m3 per maand moet, onverminderd de bepalin­gen van art. 4.2.5.1.1., ten minste éénmaal per kalenderjaar volgende me­tin­gen uitvoe­ren:
- het debiet, de temperatuur, de pH, het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het ge­halte aan totale fosfor, de metalen totaal arseen, to­taal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zil­ver en totaal zink.
- naargelang de in hoofdstuk 5.3. vermelde aard van de be­drij­vigheid, de volgende ken­merken­de parame­ters:

aard van de bedrijvigheid bedoeld in bijlage 5.3.2 kenmerkende parameter
sub 4° organische chloor en hexachloorbenzeen (HCB)
sub 5° chloroform, hexachlorobenzeen (HCB), T.O.X. en tetrachloorkoolstof
sub 6° chloroform
sub 7° T.O.X. en de som van aldrin, dieldrin, endrin en isodrin
sub 8° chloroform
sub 9° ammoniakale stikstof, benz(a)pyreen, chlooroxydeerbare cyaniden, fenolen, sulfaten en sulfiden
sub 10° DDT
sub 11° 1,2-dichloorethaan (EDC)
sub 12° chloride en de som van de organische fosforverbindingen en organische halogeenverbindingen
sub 15° ammoniakale stikstof en fluoride
sub 16° chroom VI en T.O.X.
sub 18° hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)
sub 20° chloor-oxydeerbare cyanide en fluoride
sub 21° vlampunt en T.O.X.
sub 22° PCB en PCT, chloor-oxydeerbarecyanide en chroom VI
sub 23° chroom VI, fenolen sulfaten en sulfiden
sub 24° totaal fluor
sub 26° chloride
sub 27° chloor-oxideerbare cyaniden, chroom VI, fluoride en sulfaten
sub 28°, e) voor chemische pulp : AOX
sub 29° pentachloorfenol
sub 30° hexachloorbenzeen (HCB), hexachloorbutadieën (HCBD) en hexachloorcyclohexaan (HCH)
sub 32° T.O.C.
sub 33° T.O.C. en ammoniakale stikstof
sub 35° PCB en PCT
sub 36° T.O.C.
sub 41° geleidingsvermogen
sub 42° ammoniakale stikstof
sub 44°, a gemakkelijk ontbindbare cyaniden, chloriden, chroom VI, PCB en PCT, organochloorpesticiden, sulfaten, sulfiden en chloroform
sub 44°, b koolstofdisulfide, sulfaten en sulfiden
sub 44°, c totaal fosfor
sub 44°, d sulfaten
sub 45° totaal ijzer
sub 46° trichloorbenzeen (TCB)
sub 47° trichloorethyleen (TRI) en perchloorethyleen (PER)
sub 53° ontbindbare cyaniden en TOX
sub 55° fluoriden en sulfaten

§ 2. Aanvullend aan de in § 1 voorge­schreven metin­gen, moet de exploitant van een in­rich­ting die een maximum hoeveel­heid bedrijfsaf­valwater loost van meer dan 50 m3 per uur, de als dusdanig in de mi­lieu­ver­gun­ning vermelde parameters meten overeen­kom­stig het meet­programma beschreven in bijlage 4.2.5.2.

§ 3. De in §§ 1 en 2 bedoelde metingen en analyses moeten worden uitgevoerd op kos­ten van de exploi­tant, met apparatuur zoals be­schreven in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit en vol­gens een methode goed­gekeurd door een in de disci­pline water erkende mi­lieu­deskun­dige, hetzij door de exploi­tant, hetzij door deze mi­lieudes­kundige zelf.

§ 4. De exploitant moet de resultaten van de uitge­voer­de me­tingen bijhouden in een meet­dos­sier dat steeds ter inzage van de toezicht­hou­dende ambtenaren ligt.

Subafdeling 4.2.5.4. Controleprogramma bij de lozing van afvalwaterzuiveringsinstalla-ties waarin "stedelijk" afvalwater wordt behandeld
Art. 4.2.5.4.1.

§ 1. In toepassing van artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden met het oog op de controle op de naleving van de toepasselijke emissiegrenswaarden debietsevenredige 24-uurmonsters of tijdsevenredige 24-uurmonsters genomen op vaste plaatsen in de inlaat en in de afvoer van de behandelingsinstallatie. Bij gebruik van tijdsevenredige monsters wordt een monsternamepauze van maximaal 10 minuten gehanteerd. De registratie van de debiet-smeting moet naast het ogenblikkelijk resultaat ook het uurdebiet en het 24-uurdebiet weergeven. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning moet het debiet van het effluentwater continu geregistreerd worden.

Hierbij worden goede internationale laboratoriumpraktijken toegepast die gericht zijn op een zo gering mogelijke achteruitgang van het monster tussen de monsterneming en de analyse.

Ongeacht wat ter zake in de milieuvergunning is opgelegd, moet geen enkele andere parameter dan het debiet continu worden bemonsterd noch gemeten.

§ 2. Ongeacht wat ter zake in de milieuvergunning is opgelegd, moeten op de debiets- of tijdsevenredige 24-uurmonsters, bedoeld in § 1, enkel worden bepaald:
- het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof, het gehalte aan totale fosfor, en het gehalte van de metalen totaal arseen, totaal cadmium, totaal chroom, totaal koper, totaal kwik, totaal lood, totaal nikkel, totaal zilver en totaal zink.

Art. 4.2.5.4.2.

§ 1. De in artikel 4.2.5.4.1. bedoelde metingen en analyses moeten worden uitgevoerd en be-oordeeld overeenkomstig het programma en de criteria beschreven in bijlage 4.2.5.4.

§ 2. De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.

Afdeling 4.2.6. Beoordeling van de meetresultaten bij controle door de toezichthoudende overheid
Art. 4.2.6.1.

§ 1. Bij het nemen van monsters van het geloosde afvalwater, in het kader van de technische controle op de lozing van afvalwater, vermeld in artikel 37 tot en met 56 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt ofwel minstens één schepmonster genomen ofwel een debietproportioneel 24uur-mengmonster ofwel gelijktijdig zowel minstens één schepmonster als een debietproportioneel 24uur-mengmonster.

§ 2. Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor de parameters gemeten waarde, zonder verrekening van precisie en juistheid, hoger is dan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden. Voor de parameters debiet, zuurtegraad, temperatuur en voor de stoffen van lijst I van bijlage 2C wordt de grenswaarde evenwel geacht te zijn overtreden wanneer de gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene precisie- en juistheideisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde.

§ 3. Indien bij de analyse van een schepmonster blijkt dat de voor een parameter, andere dan debiet, zuurtegraad, temperatuur en de stoffen van lijst I van bijlage 2C, gemeten waarde lager is dan of gelijk is aan tweemaal de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde doch, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene precisie- en juistheideisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, dient te worden overgegaan tot de evaluatie van de voor die parameter gemeten waarde in een tweede monster. Dit tweede monster is ofwel het debietproportioneel 24uur-mengmonster dat gelijktijdig met het eerste monster genomen is of, indien slechts één monster genomen werd, een nieuw monster dat binnen een redelijke termijn genomen wordt. Indien ook de in dit tweede monster gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene precisie- en juistheideisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

§ 4. Indien bij de analyse van een debietproportioneel 24uur-mengmonster blijkt dat de voor een parameter gemeten waarde, na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameter voorziene precisie- en juistheideisen, hoger is dan de voor die parameter geldende emissiegrenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

§ 5. Voor de beoordeling van grenswaarden voor lozingsvrachten wordt de concentratie in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster vermenigvuldigd met het totaal geloosde debiet over deze 24 uur, telkens na verrekening van de in bijlage 4.2.5.2 voor die parameters voorziene precisie- en juistheideisen. Indien blijkt dat deze geloosde vracht hoger is dan de grenswaarde voor deze lozingsvracht, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

§ 6. Voor de beoordeling van verhoudingen van parameters worden de concentraties in het debietproportioneel 24 uur-mengmonster gebruikt. Indien de daarmee berekende waarde meer dan 50% afwijkt van de grenswaarde, wordt de grenswaarde geacht te zijn overtreden.

Afdeling 4.2.7. [... (opgeh. BVR 23 december 2011, art. 48, I: 31 maart 2012)]
Subafdeling 4.2.7.1. Lozing van huishoudelijk afvalwater in de gewone oppervlaktewaters of in de kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater
Art. 4.2.7.1.1.

...

Art. 4.2.7.1.2.

...

Subafdeling 4.2.7.2. Lozing van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering
Art. 4.2.7.2.1.

...

Subafdeling 4.2.7.3. Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties, zoals septische putten
Art. 4.2.7.3.1.

...

Afdeling 4.2.8. Lozing van huishoudelijk afvalwater in een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld
Subafdeling 4.2.8.1. [Lozing van huishoudelijk afvalwater in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied (verv. BVR 20 november 2009, art. 9)]
Art. 4.2.8.1.1.

§ 1. In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld, luiden de algemene voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied of het collectief te optimaliseren buitengebied als volgt :
1° het te lozen afvalwater dat in zodanige hoeveelheden pathogene kiemen bevat dat het ontvangende water er gevaarlijk door kan worden besmet, moet ontsmet worden;
2° de pH van het geloosde water mag niet meer dan 9 of niet minder dan 6,5 bedragen;
3° het biochemisch zuurstofverbruik in vijf dagen bij 20 °C van het geloosde water mag volgende waarde niet overschrijden :
25 milligram zuurstofverbruik per liter
4° in het geloosde afvalwater mag het volgende gehalte niet overschreden worden :
60 milligram per liter voor de zwevende stoffen;
5° bovendien mag het geloosde afvalwater geen stoffen bevatten van bijlage 2C in concentraties die hoger zijn dan tien keer de indelingscriteria, vermeld in de kolom « indelingscriterium GS (gevaarlijke stoffen) » van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van dit besluit, noch alle andere stoffen, met een gehalte dat rechtstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de mens, voor de flora of fauna;
6° een representatief monster van het geloosde afvalwater mag geen oliën, vetten of andere drijvende stoffen bevatten in zulke hoeveelheden dat een drijvende laag op ondubbelzinnige wijze kan vastgesteld worden; in geval van twijfel, kan dit vastgesteld worden door het monster over te gieten in een schei-trechter en door vervolgens na te gaan of twee fasen gescheiden kunnen worden
7° de installatie moet lekvrij zijn, structureel stabiel, duurzaam en corrosiebestendig.

§ 2. Voor lozingen gelegen in een individueel te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 1 te zijn voldaan indien het water minstens wordt gezuiverd door middel van een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, waarvan de capaciteit is afgestemd op het aangesloten IE. Het verwijderingspercentage van deze individuele behandelingsinstallatie bedraagt minimaal 90 % voor biochemisch zuurstofverbruik en minimaal 70 % voor zwevende stoffen.

§ 3. De inrichtingen gelegen in het individueel te optimaliseren buitengebied waarvoor een stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het bouwen of herbouwen van een gebouw na de vaststelling van het definitief zoneringsplan, moeten onmiddellijk aan paragraaf 1 en 2 van dit artikel voldoen.

Voor de inrichtingen waarvoor een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen of herbouwen van een gebouw wordt verleend voor de vaststelling van het definitief zoneringsplan, gaan de voorwaarden van deze subafdeling die in strengere zin afwijken van de situatie zoals die bestond voor de definitieve vaststelling van het gemeentelijk zoneringsplan, in voege ten laatste op 22 december 2015, tenzij anders vermeld in het uitvoeringsplan. Evenwel wordt geacht dat in dit geval met een bestaande individuele behandelingsinstallatie wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

§ 4. Voor lozingen in het collectief te optimaliseren buitengebied wordt geacht aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, te zijn voldaan indien het afvalwater minstens gezuiverd wordt door middel van een individuele voorbehandelingsinstallatie, die conform de code van goede praktijk gebouwd en uitgebaat is.

§ 5. Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied, is de noodzaak tot afkoppeling van de bestaande individuele voorbehandelingsinstallatie in het veranderde gedeelte afhankelijk van de afwateringssituatie en/of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie.

§ 6. Indien het collectief te optimaliseren buitengebied geheel of gedeeltelijk overgaat in het collectief geoptimaliseerde buitengebied moeten de bestaande individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater in het veranderde gedeelte afgekoppeld worden.

Art. 4.2.8.1.2.

Wanneer de openbare weg niet van openbare riolering is voorzien en het bovendien niet mogelijk blijkt het afvalwater overeenkomstig de wetten en reglementen, in een naburige waterloop te lozen, is de lozing van huishoudelijk afvalwater in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater in toepassing van artikel 4.2.1.3 toegelaten onder dezelfde voorwaarden als deze van artikel 4.2.8.1.1.

Subafdeling 4.2.8.2. [Lozing van huishoudelijk afvalwater in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied (verv. BVR 20 november 2009, art. 11)]
Art. 4.2.8.2.1.

§ 1. In een gemeente waarvoor het gemeentelijk zoneringsplan definitief is vastgesteld is de lozing van huishoudelijk afvalwater gelegen in het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied toegelaten onder de volgende algemene voorwaarden :
1° het geloosde afvalwater mag noch textielvezels, noch verpakkingsmateriaal in plastiek, noch vaste huishoudelijke afvalstoffen van organische of niet organische aard bevatten.
2° het geloosde afvalwater mag niet bevatten :
a) minerale oliën, ontvlambare stoffen en vluchtige solventen;
b) andere stoffen extraheerbaar met petroleumether, met een gehalte van hoger dan 0,5 g/l;
c) andere stoffen die het rioleringswater giftig of gevaarlijk kunnen maken.

§ 2. In het centrale gebied of het collectief geoptimaliseerde buitengebied wordt het huishoudelijk afvalwater bij voorkeur rechtstreeks geloosd in de openbare riolering. Indien de afwateringssituatie of de aard van de toegepaste zuiveringstechnologie dit vereist, kan door het gemeentebestuur opgelegd worden dat het afvalwater via een individuele voorbehandelingsinstallatie moet worden geleid alvorens te lozen in de openbare riolering.

Subafdeling 4.2.8.3. Werking en onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties
Art. 4.2.8.3.1.

De werking en het onderhoud van individuele voorbehandelingsinstallaties moeten aan volgende algemene bepalingen beantwoorden :
1° het lozen van geruimd septisch materiaal in de openbare riolering of in de collectoren is verboden.
2° septisch materiaal moet afgevoerd worden naar een openbare waterzuiveringsinstallatie.

Subafdeling 4.2.8.4. Overgangsregels
Art. 4.2.8.4.1.

...

HOOFDSTUK 4.3. BEHEERSING VAN BODEM- EN GRONDWATERVERONTREINIGING

Afdeling 4.3.1. Algemene bepalingen
Art. 4.3.1.1.

§ 1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de lozingen in grondwater, zoals bedoeld in rubriek 52 van de indelingslijst.

§ 2. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op:
1° de uitspreiding van meststoffen mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaan-wijzingen volgens een code van goede praktijk worden nageleefd;
2° buiten de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III, de uitspreiding van stoffen voor gebruik in land- en tuinbouw, mits de opgelegde grenswaarden of toegelaten hoeveelheden en/of de gebruiksaanwijzingen worden nageleefd;
3° het direct of indirect lozen, het deponeren of opslaan van produkten en stoffen, die in zulk een geringe hoeveelheid en concentratie stoffen bevatten van de lijsten I en II van de bijlage 2B, dat elk gevaar voor de verontreiniging van het ontvangende grondwater nu of in de toekomst is uitgesloten;
4° de injectie van kooldioxidestromen met het oog op opslag in geologische formaties die door hun aard blijvend ongeschikt zijn voor andere doeleinden, op voorwaarde dat dergelijke injecties plaatsvinden overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van voormeld decreet buiten de werkingssfeer ervan vallen.

§ 3. Directe lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I en II van bijlage 2B en indirecte lozingen van gevaarlijke stoffen van lijst I van bijlage 2B kunnen overeenkomstig art. 3 van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985 houdende reglementering van de handelingen die het grondwater kunnen verontreinigen, niet worden vergund.

Art. 4.3.1.2.

§ 1. Lozingen van stoffen van lijst I van bijlage 2B:

Elke lozing van stoffen van lijst I van bijlage 2B in het grondwater is verboden.

Handelingen, zoals bedoeld in de rubrieken 52.1.1.3°, 52.1.2. en 52.2.3° waarbij de vermelde gevaarlijke stoffen worden verwijderd of met het oog op hun verwijdering worden gestort, kunnen slechts vergund worden overeenkomstig het bepaalde in art. 2.4.1.1. en mits alle technische voorzorgsmaatregelen zijn getroffen opdat de stoffen geen aquatische systemen kunnen bereiken of schade kunnen veroorzaken aan andere eco-systemen.

§ 2. Lozingen van stoffen van lijst II van bijlage 2B:
1° elke directe lozing van stoffen van lijst II van bijlage 2B is verboden.
2° stoffen van lijst II van bijlage 2B kunnen slechts in het grondwater worden geloosd mits alle vereiste voorzorgs-maatregelen zijn getroffen opdat deze lozing:
a) de gezondheid van de mens of de watervoorziening niet in gevaar kan brengen;
b) het leven en de eco-systemen in het water niet kan schaden;
c) een ander rechtmatig gebruik van het water niet kan hinderen.

Afdeling 4.3.2. Indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B bevat
Art. 4.3.2.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de milieuvergunning kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van bedrijfsafvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubrieken 52.1.1, 2°, en 52.2, 2°, van de indelingslijst :
1° elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd, is verboden;
2° elke lozing van afvalstoffen, zoals afvalolie, verfresten, e.d., is ten strengste verboden;
3° de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
1° 75 m van een oppervlaktewater;
2° 75 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
3° 200 m van een grondwaterwinning;
4° 200 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater;
c) geen overloop hebben;
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt;
4° met betrekking tot de afgevoerde afvalwaters gelden voor de respectieve parameters als emissiegrenswaarden, de richtwaarden als bedoeld in artikel 2.4.1.1; deze emissiegrenswaarden zijn absolute waarden die op elk ogenblik moeten worden nageleefd; in de milieuvergunning kunnen in functie van de milieukwaliteitsnormen, vastgesteld in artikel 2.4.1.1 en 2.4.2.1, strengere emissiegrenswaarden worden vastgesteld; in de milieuvergunning kunnen daarenboven beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de maximum debieten die per uur, per dag, per maand of per jaar naar de besterfput, vermeld in punt 3°, mogen worden afgevoerd;
5° de indirecte lozing in grondwater van bedrijfsafvalwater dat stoffen van lijst II van bijlage 2B van titel I van het VLAREM bevat, is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden.

Art. 4.3.2.2.

§ 1. De bedrijfsafvalwaters moeten vooraleer in de besterfput te worden geloosd:
1° eerst worden behandeld in een waterbehandelingsinstallatie;
2° na behandeling afgevoerd worden naar een controleput die alle waarborgen biedt om de kwaliteit en kwantiteit van het werkelijk afgevoerde afvalwater te controleren, en inzonderheid toelaat gemakkelijk monsters van dit afvalwater te nemen.

§ 2. De in § 1 bedoelde controleput moet beantwoorden aan de in bijlage 4.2.5.1. bij dit besluit gevoegde omschrijving en gestelde eisen.

In de milieuvergunning kan worden opgelegd dat langs deze controleput geen huishoudelijk afvalwater of hemelwater mag worden afgevoerd.

§ 3. In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant op zijn kosten in de omgeving van de besterfput tenminste drie grondwatermeetputten aan te leggen teneinde tot de controle van het grondwater te kunnen overgaan. Tenminste één meetput dient zich te bevinden in het gebied waar het grondwater binnenstroomt (0-niveau) en twee meetputten in het gebied waar het grondwater uitstroomt. In de milieuvergunning kan de ligging en de diepte van de putten nader worden bepaald.

Voormelde grondwatermeetputten dienen daarenboven te voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° elke meetput is duidelijk geïdentificeerd;
2° de peilputten worden met een slot afgegrendeld;
3° een nivelleringsstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau (Tweede Algemene Waterpassing) is duidelijk aangebracht.

De Afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten. Na het aanleggen dienen deze meetputten aan een testpomping onderworpen. De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.

Art. 4.3.2.3.

§ 1. Indien de maximum hoeveelheid bedrijfsafvalwater die naar de in artikel 4.3.2.1. bedoelde besterfput wordt afgevoerd, groter is dan 10 m3 per dag of 250 m3 per maand of 2.500 m3 per jaar, dient de exploitant daarenboven op zijn kosten over te gaan tot de volgende metingen:
1° controle op de in de besterfput geloosde afvalwaters:
a) continue meting van het debiet;
b) driemaandelijkse meting van het BZV, het CZV, het gehalte aan zwevende stoffen, het gehalte aan totale stikstof alsmede het gehalte aan totale fosfor;
c) halfjaarlijkse meting van de som van de metalen arseen, chroom, koper, lood, nikkel, zilver en zink alsmede van de som van de metalen cadmium en kwik;
d) meting van de andere relevante parameters die in de milieuvergunning zijn opgelegd, waaronder stoffen die niet van nature uit voorkomen in de te beschermen watervoerende laag;
2° ter controle van het grondwater dienen de volgende parameters in het water in de in artikel 4.3.2.2. bedoelde grondwatermeetputten tenminste halfjaarlijks gemeten:
- het grondwaterniveau;
- BZV;
- CZV;
- geleidingsvermogen;
- T.O.C.
- geabsorbeerde organisch gebonden halogenen (A OX);
- arseen;
- lood;
- cadmium;
- chroom;
- cyanide;
- dezelfde stoffen als bepaald in de milieuvergunning in toepassing van 1°, d) hierboven.

§ 2. De in § 1 bedoelde metingen en analyses dienen te gebeuren op kosten van de exploitant, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline water, hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.

§ 3. In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders.

Afdeling 4.3.3. Indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater
Art. 4.3.3.1.

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die in de milieuvergunning kunnen worden opgelegd, zijn de volgende voorwaarden van toepassing op de indirecte lozing van huishoudelijk afvalwater in grondwater, zoals vermeld in de subrubriek 52.1.1, 1°, en 52.2, 1°, van de indelingslijst :
1° elke lozingsmethode waarbij het afvalwater rechtstreeks in de bodem of in een grondwaterlaag wordt geïnjecteerd, is verboden;
2° alleen de lozing van huishoudelijk afvalwater is toegestaan; het is verboden hierin afvalstoffen te lozen of te laten toekomen;
3° de indirecte lozing moet gebeuren via een besterfput die aan de volgende voorwaarden voldoet :
a) een maximale diepte van 10 m onder het maaiveld;
b) zich bevinden op een afstand van ten minste :
1° 50 m van een oppervlaktewater;
2° 50 m van elke open kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
3° 100 m van een grondwaterwinning;
4° 100 m van elke bron van drinkwater, thermaalwater of mineraalwater;
c) geen overloop hebben;
d) voorzien zijn van een gemakkelijk en veilig bereikbare opening die toelaat monsters te nemen van de materie die zich in de besterfput bevindt;
4° de indirecte lozing in grondwater van huishoudelijk afvalwater is verboden als de openbare weg van openbare riolering is voorzien of als het gezuiverde afvalwater, rekening houdend met de afstandsregels, vermeld in punt 3°, b), in een gewoon oppervlaktewater of overeenkomstig artikel 4.2.1.3 in een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater geloosd kan worden;
5° het huishoudelijk afvalwater moet voor het in een besterfput geloosd wordt, behandeld worden volgens de algemene voorwaarden, vermeld in afdeling 4.2.8.

HOOFDSTUK 4.4. BEHEERSING VAN LUCHTVERONTREINIGING

Afdeling 4.4.1. Algemene bepalingen
Art. 4.4.1.1.

Onverminderd de toepassing van het Veldwetboek en het Bosdecreet is de vernietiging door verbranding in open lucht van welke afvalstoffen ook, verboden behoudens wanneer het gaat om plantaardige afval-stoffen afkomstig van:
1° het onderhoud van tuinen;
2° de ontbossing of ontginning van terreinen;
3° eigen bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden.

Art. 4.4.1.2.

In de beschermingszones en in de speciale beschermingszones, zoals gedefinieerd in art. 1.1.2. is, onverminderd de bepalingen van dit reglement die voor het hele grondgebied, met inbegrip van bedoelde zones, van toepassing zijn, het gebruik van voor verwarming van gebouwen bestemde brandstof aan volgende regels onderworpen:
a) [de verbranding van turf, van bruinkool en van niet-rookloze kolenagglomeraten is verboden; (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 43, I: 1 mei 1999) ]
b) het zwavelgehalte van vloeibare brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht, ongeacht het type van de gebruikte vloeibare brandstof;
c) het gehalte aan vluchtige zwavel van vaste brandstoffen mag niet meer bedragen dan 1 % van het gewicht.

Afdeling 4.4.2. Algemene installatievoorschriften
BBT
Art. 4.4.2.1.

De installaties dienen ontworpen, gebouwd en gexploiteerd volgens een code van goede prak-tijk derwijze dat de van deze installaties afkomstige luchtverontreiniging maximaal wordt beperkt en zo mogelijk zelfs wordt voorkomen.

De installaties zullen daartoe worden uitgerust en gexploiteerd met middelen ter beperking van de emissies die met de beste beschikbare technieken overeenkomen. De emissiebeperkende maatregelen dienen te zijn gericht zowel op een vermindering van de massaconcentratie als ook van de massastromen of massaverhoudingen van de van de installatie uitgaande luchtverontreiniging. Daarbij moet inzonderheid rekening gehouden worden met:
1° maatregelen ter vermindering van de hoeveelheid afvalgas, zoals inkapselen van installatiedelen, doelgericht opvangen van stromen afvalgas, enz.;
2° maatregelen ter optimalisering van de gebruikte stoffen en energie;
3° maatregelen ter optimalisering van de handelingen voor opstarten en stilleggen en overige bijzondere bedrijfsomstandigheden.

Evacuatie afvalgassen
Art. 4.4.2.2.

parameter § 1. Onverminderd de bepa­lingen van art. 4.4.2.1. dienen de afvalgas­sen op de plaats waar ze ont­staan opgevan­gen en, na de even­tueel noodza­kelijke zuive­ring, in de omgevings­lucht ge­loosd der­wijze dat de van toepas­sing zijnde emissie- en immis­sie­voorschrif­ten zijn nageleefd.

Wanneer de afvalgassen via een schoorsteen of ander afvoerka­naal worden geloosd, dient deze onvermin­derd de verplichtingen van art. 4.4.2.3. voldoende hoog te zijn met het oog op een vanuit milieu-oog­punt en voor de volksge­zondheid voldoende spreiding van de geloos­de stoffen.

[Tenzij anders vermeld in de vergunning moeten dam­pen, nevels en stofhoudende afvalgassen op de plaats waar ze ontstaan worden opgezogen. Zo nodig moeten ze naar een zuiveringsinstallatie worden ge­leid. Vervol­gens dienen ze in de atmosfeer geloosd te worden via een schoorsteen met een zodanige hoogte dat de om­geving niet gehinderd wordt; de schoor­steen moet ten minste 1 m hoger zijn dan de nok van het dak van de woningen, bedrijfs- en andere ge­bouwen die gewoonlijk door mensen bezet zijn, ge­legen in een straal van 50 meter rond de schoorsteen. Dit geldt niet voor be­staan­de inrichtingen, tenzij an­ders vermeld. (verv. B.V.R. 19 janu­ari 1999, art. 44, I: 1 mei 1999)]

§ 2. De afvalgassen dienen in elk geval via één of meer schoorstenen of andere geleide kanalen geloosd wan­neer de totale emissies afkomstig van de inrich­ting voor één of meer van de vol­gende veront­reini­gen­de stoffen de hierna aan­gegeven emissie­waarde (onder emissie­waarde wordt hier verstaan: de gemid­delde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalender­week on­der de inzake luchtver­ontreini­ging meest ongun­stige normale be­drijfs­omstandig­he­den) over­schrijdt:

parameter

emissiewaarde in kg/uur

stikstofoxyden (uitgedrukt in NO)

40

zwaveldioxyde

60

[totaal stof (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 44, I: 1 mei 1999)]

15

lood

0,5

cadmium

0,01

thallium

0,01

chloor

20

chloorwaterstof en anorganische gasvormige chloorverbindingen (uitgedrukt in Cl)

20

fluorwaterstof en anorganische gasvormige fluorverbindingen (uitgedrukt in F)

1

koolmonoxyde

1.000

 

Minimumhoogte schoorstenen of geleide kanalen
Art. 4.4.2.3.

§ 1. Wanneer de emissies van verontreinigende stoffen meer bedragen dan de emissiewaarden vermeld in art. 4.4.2.2., dient de minimumhoogte van de schoorsteen of geleid kanaal bepaald overeenkomstig het schoorsteenhoogte- en verspreidingsberekeningssysteem weergegeven in bijlage 4.4.1. bij dit besluit of volgens een andere gelijkwaardige code van goede praktijk aanvaard door de Afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

§ 2. In geval de werkelijke hoogte van de schoorsteen of geleid kanaal om stedebouwkundige redenen, om redenen van ruimtelijke ordening of enige andere reden, lager is dan de minimumhoogte resulterend uit het in § 1 vermelde bereke-ningssysteem, worden de toelaatbare emissies van verontreinigende stoffen verder beperkt tot de grenswaarden die volgens het in het eerste lid vermelde berekeningssysteem geen aanleiding geven tot een overschrijding van de overeen-komstig dit reglement van toepassing zijnde milieukwaliteitsnormen voor de lucht.

Mededelingsplicht
Art. 4.4.2.4.

De exploitant van een in de eerste klasse ingedeelde inrichting waarbij afvalgassen met emissies hoger dan de in art. 4.4.2.2. vermelde emissiewaarden via één of meer schoorstenen of geleide kanalen worden geloosd, dient vóór de ingebruikname van de vergunde installaties de in art. 4.4.2.3. bedoelde schoorsteenhoogtebere-kening uit te voeren en deze ter beschikking te houden van de toezichthouder.

Overgangsregeling voor bestaande installaties
Art. 4.4.2.5.

De exploitant van een vergunde inrichting die reeds in gebruik is op de datum van inwer-kingtreding van dit besluit, dient de in art. 4.4.2.4. bedoelde schoorsteenhoogteberekening uit te voeren en deze ter be-schikking te houden van de toezichthouder. Indien uit deze schoorsteenhoogteberekening een aanpassing van de bestaande schouwen of afvoerkanalen zou nodig blijken, moet de vereiste aanpassing geschieden bij de hernieuwing van de milieuvergunning voor de desbetreffende installaties zonder dat de termijn voor deze verplichting meer dan 10 jaar mag bedragen.

Afdeling 4.4.3. Algemene emissiegrenswaarden
Art. 4.4.3.1.

§ 1. Tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen anders in dit reglement bepaald, zijn de in bijlage 4.4.2. opgenomen emissiegrenswaarden, uitgedrukt in mg/Nm3 en die betrekking hebben op geleide emissies in de volgende omstandigheden: temperatuur 0° C, druk 101,3 kPa, droog gas, van toepassing op de geloosde afvalgas-sen. De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afvalgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiewaarden buiten beschouwing.

In de milieuvergunning kunnen:
1° in functie van de milieukwaliteitsnormen voor de lucht strengere emissiegrenswaarden worden opgelegd;
2° [bij emissies waar stoom het dragergas en hoofdbestanddeel is, de emissiegrenswaarden met inbegrip van het watergehalte worden toegepast; emissies met natte pluimen als gevolg van natte gaswassers zijn uitgesloten van deze bepaling; (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 46, I: 1 mei 1999) ]
3° voor de inrichtingen gevestigd in een beschermingszone of in een speciale beschermingszone, emissiegrenswaarden worden opgelegd die strenger zijn dan de emissiegrenswaarden vermeld onder § 1 in functie van de voor deze zones vastgestelde milieukwaliteitsnormen voor de lucht;
4° emissiegrenswaarden voor bepaalde stoffen worden opgelegd, uitgedrukt in massastromen (bv. g/u of g/dag);
5° emissiebeperkingen worden opgelegd voor al dan niet gespecificeerde stoffen, uitgedrukt in maximale stof-neerslaghoeveelheden op de bodem in de omgeving van de inrichting en/of in milieukwaliteitsnormen in de omge-vingslucht rondom de inrichting.

[§ 1.bis. De emissiegrenswaarden gelden:
1° voor elk emissiepunt waarvoor de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3, wordt overschreden;
2° wanneer voor de hele milieutechnische eenheid de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3, is overschreden, moet ook de gewogen gemiddelde concentratie van de emissies uit de milieutechnische eenheid voldoen aan de emissiegrenswaarden.

Voor de bepaling van de emissies van de milieutechnische eenheid dient er bij de start van het meetprogramma te worden gemeten op alle emissiepunten. Hetzelfde geldt bij wijzigingen in het productieproces die een wijziging van de emissies kunnen veroorzaken.

Op basis van deze meetresultaten kunnen voor de verdere meting deelstromen worden weggelaten die niet of niet significant bijdragen tot de emissies. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen aanvaard:
1° ofwel, indien de som van emissies van de gemeten deelstromen niet minder bedraagt dan 95 % van de emissies van de betrokken verontreinigende stof voor de hele milieutechnische eenheid;
2° ofwel op voorwaarde dat dit voorafgaandelijk is goedgekeurd door de toezichthoudende overheid.

De meetfrequentie (bijlage 4.4.3) en het controleprogramma (bijlage 4.4.4) worden toegepast op het geheel van de milieutechnische eenheid.

§ 1.ter. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, gelden de volgende omstandigheden op de geloosde afvalgassen wanneer naverbranding gebruikt wordt als afvalgasreinigingstechniek:
- temperatuur: 0 °C;
- druk: 101,3 kPa;
- droog gas;
- zuurstofgehalte van 18 %. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 46, I: 1 mei 1999) ]

§ 2. Bij aanwezigheid van verscheidene stoffen die onder eenzelfde van de in bijlage 4.4.2. vermelde subpunten zijn ge-klasseerd, gelden de per stof voorgeschreven emissiegrenswaarden tevens voor de som van de verschillende onder eenzelfde subpunt geklasseerde stoffen, behoudens voor wat de stoffen vermeld sub 2°, 3°, 4° en 5° betreft.

Bij aanwezigheid van stoffen vermeld sub 9°, 10° en 11° mag, bij een totale massastroom van 3 kg/uur of meer, de massaconcentratie in het afvalgas 150 mg/Nm3 niet overschrijden.

§ 3. Stoffen die niet voorkomen in de lijst van organische stoffen worden gerekend tot de groep waarvan de stoffen wat betreft hun invloed op het milieu deze het meest nabijkomen. Daarbij moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de afbreekbaarheid en bioaccumulatie, toxiciteit, invloeden van afbraakprocessen met hun betreffende reactie-produkten en geurintensiteit. Dit kan geregeld worden in de milieuvergunning.

§ 4. Voor bestaande installaties dient bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken zoals gesteld in artikel 4.4.2.1., rekening gehouden met:
1° de technische kenmerken van de inrichting;
2° de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
3° de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
4° de wenselijkheid geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdende met de economische situatie van de tot de betrokken categorie behorende ondernemingen.

§ 5. Tenzij anders in de desbetreffende hoofdstukken, afdelingen of subafdelingen van dit reglement vermeld, gelden voor de "bestaande inrichtingen" de in dit artikel vastgestelde emissiegrenswaarden pas met in acht name van de in Hoofdstuk 3.2. van dit besluit voor deze bestaande inrichtingen voorziene overgangstermijnen.

[§ 6. Voor de omrekening van de gemeten emissie naar het referentiezuurstofgehalte dient volgende omrekeningsformule gebruikt te worden:

ER= EM * ((21-OR) / (21-OM))

met:

EM = gemeten emissie;
ER = emissie betrokken op referentiewaarde;
OR = referentiezuurstofgehalte;
OM = gemeten zuurstofgehalte. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 46, I: 1 mei 1999) ]

Afdeling 4.4.4. Meetstrategie en toetsing meetwaarden
Art. 4.4.4.1.

§ 1. De parameters SO2, NOX, en stofdeeltjes totaal dienen in geval de massastroom van de be-schouwde stof meer bedraagt dan respectievelijk 5 kg SO2/u, 5 kg NOX/u, uitgedrukt als NO2, of 0,5 kg stof/u, ten-minste maandelijks op kosten van de exploitant gemeten, hetzij door de exploitant met apparatuur en volgens een methode goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline "lucht", hetzij door voormelde milieudeskundige zelf.

§ 2. Wanneer de emissies van de in § 1 bedoelde stoffen groter zijn dan respectievelijk 50 kg SO2/u, 30 kg NOX/u, uitgedrukt als NO2, of 5 kg stof/u dienen de emissiewaarden van deze stof(fen) continu gemeten door middel van een op kosten van de exploitant genstalleerde meetinrichting gebouwd en geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk goedgekeurd door een milieudeskundige erkend in de discipline lucht.

Van de in het eerste lid bedoelde continue metingen mag worden afgezien als door andere controles met dezelfde nauwkeurigheid kan worden vastgesteld dat de voorgeschreven emissiegrenswaarden niet worden overschreden. Als voormelde andere controles komen in aanmerking:
- de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
- de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de procesomstandigheden;
- enige andere gelijkwaardige continue controle.

In dit geval dient eenmaal per maand gemeten te worden. [Deze frequentie (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 47, I: 1 mei 1999) ] is niet van toepassing voor de bepalingen van [hoofdstukken 5.1 en 5.20. (Industriele inrichtingen) (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 47, I: 1 mei 1999) ] die luchtverontreiniging kunnen veroorzaken).

§ 3. In de milieuvergunning kunnen daarenboven worden opgelegd:
1° metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van emissies van andere relevante parameters;
2° metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van immissies van bepaalde stoffen in de omgeving van de inrichting;
3° metingen, op kosten van de exploitant uitgevoerd, van de neerslag van bepaalde stoffen op de bodem in de omgeving van de inrichting.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van §§ 2 en 3, geldt met betrekking tot de meetmethode, de monsterneming, de te meten relevante parameters, de meetfrekwentie, het controlemeetprogramma en de beoordeling van de meetresultaten van de in bijlage 4.4.2. bedoelde emissiegrenswaarden, de meetstrategie voor luchtverontreinigende stoffen zoals nader bepaald in de artikelen 4.4.4.2. tot en met 4.4.4.5. en de bijlagen 4.4.3. en 4.4.4.

Art. 4.4.4.2.

Meetmethode

§ 1. De meetmethode omvat de monsterneming, de analyse en de berekening van het resultaat.

§ 2. De meetmethode moet gebeuren volgens een code van goede praktijk en dient inzonderheid aangepast te zijn aan de te meten stof alsmede aan de voor deze stof voorgeschreven grenswaarde. Een aantal van deze meetmethodes zijn opgenomen in kolom 3 van de tabel onder bijlage 4.4.2.

Van de in het eerste lid bedoelde meetmethoden kan worden afgezien als door andere controles met dezelfde nauwkeurigheid kan worden vastgesteld dat de voorgeschreven emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

Als voormelde andere controles komen in aanmerking:
- de continue vaststelling van de doeltreffendheid van de installaties tot emissievermindering;
- de continue vaststelling van de samenstelling van de brandstoffen of van de verwerkte stoffen of van de proce-somstandigheden;
- enige andere gelijkwaardige controle;
- het opmaken van massabalansen.

Voor wat de meting van asbestemissies betreft dient hetzij de gravimetrische methode, hetzij de telbare-vezelmethode bepaald in de bijlage 4.4.5. aangewend.

§ 3. De bepalingsdrempel, de gevoeligheid, de precisie en de betrouwbaarheid van de methode moeten aangepast zijn aan de voor de te meten stof voorgeschreven grenswaarde. Het meetbereik moet tenminste het gebied bestrijken gelegen tussen 0,1 x de grenswaarde enerzijds en 3 x de grenswaarde anderzijds.

§ 4. In geval de meting geschiedt door de exploitant moet de meetmethode tenminste om de drie jaar door een milieudeskundige erkend in de discipline lucht vergeleken worden met een referentiemethode, ofwel uitgetest met referentiemengsels. De vastgestelde afwijkingen moeten in rekening worden gebracht.

§ 5. [Bij de beoordeling van de eerbiediging van de grenswaarden mag de som (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 48, I: 1 mei 1999) ] van alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse samen mag niet meer bedra-gen dan 30 % van het resultaat van de meting, behoudens voor wat de meting van asbestemissies betreft. Deze laatste moet voldoen aan de bepalingen van de bijlage 4.4.5.

Art. 4.4.4.3.

- voor een referentieperiode van 1 uur:

Monsterneming

Voor het bepalen van één meetwaarde kun­nen de vol­gende bemon­steringsme­thoden worden aange­wend:
1° continue bemonstering gedurende de volle­dige refe­rentiepe­ri­ode;
2° bemonstering gedurende een aantal op­een­volgende tijdsinter­vallen van één uur die de volledige referen­tie­periode omvat­ten; de meet­waarde overeen­stem­mend met de be­schouwde referen­tieperi­ode wordt hierbij berekend als het tijdgewogen reken­kundige gemiddelde van de verschillen­de metingen;
3° discontinue bemonstering, tijdens de refe­rentiepe­riode, waarbij de monsterne­mingsduur van de ver­schil­lende bemonste­rin­gen ten hoog­ste een factor 2 mag ver­schil­len; in dat geval dienen afhankelijk van de toe­ge­paste monster­ne­mingsduur ten­min­ste het vol­gende aantal monsters genomen:

- voor een referentieperiode van 1 uur:

 

monsternemingsduur

aantal monsters

 

< 2,5 minuten

4

 

7,5 minuten

3

 

15 minuten

2

 

 30 minuten

1

- voor andere referentieperioden:

 

monsternemingsduur

aantal monsters

 

 15 minuten

4 of meer

 

30 minuten

3 of meer

 

1 uur

2 of meer

 

2 uur of meer

1

De monsternemingsduur en/of frekwentie moet zo­no­dig worden verhoogd indien men met de aangege­ven monster­nemingsduur en/of fre­kwentie niet tot een be­trouwbaar eindre­sultaat komt.

De erkende deskundige, zoals bedoeld in arti­kel 4.4.4.1., en/of de exploitant dient te verifiëren dat de gekozen mon­sternemings­duur en meetfrekwentie een represen­tatief gemid­delde oplevert voor de voorge­schreven re­feren­tiemetho­de.

Art. 4.4.4.4.

Te meten relevante parameters en meetfrekwentie

§ 1. Onverminderd de metingen die overeenkomstig de andere bepalingen van dit reglement en/of door de milieu-vergunning zijn voorgeschreven, dienen op kosten van de exploitant in de emissies van afvalgassen geloosd door de in eerste klasse ingedeelde inrichtingen de in bijlage 4.4.3. opgenomen parameters met de aangegeven meetfrequentie gemeten.

In de milieuvergunning kan daarenboven de meting van parameters waarvan de meting niet door dit reglement is voorgeschreven bijkomend worden opgelegd. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning dienen ook deze relevante parameters gemeten volgens de in dit artikel voorgeschreven meetfrekwentie.
[Voor alle parameters die voor de betrokken activiteiten relevant zijn en (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 48, I: 1 mei 1999) ] waarvoor de meetfrekwentie noch in dit artikel, noch in de milieuvergunning is bepaald geldt een zes-maandelijkse meetfrekwentie.

§ 2. De in § 1 voorgeschreven meetfrequentie dient nageleefd gedurende het eerste jaar:
1° na de invoegetreding van dit besluit voor de op de datum van inwerkingtreding van dit besluit in exploitatie zijnde inrichtingen, voor zover nog niet even veel metingen werden uitgevoerd in het kader van een reeds bestaande meetstrategie. In dit laatste geval worden de bestaande meetwaarden gebruikt ter evaluatie en wordt onmiddellijk overgegaan naar het controlemeetprogramma vastgesteld in bijlage 4.4.4.
2° na de ingebruikname voor de inrichtingen waarvan de exploitatie na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt aangevat.

Mits de exploitant het in bijlage 4.4.4. vermelde controlemeetprogramma toepast, kan na deze periode de meetfrekwen-tie voor één of meer parameters aangepast worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.4.4.

Art. 4.4.4.5.

aantal gedurende een jaar genomen uurmonsters

Beoordeling meetresul­taten

Het geloosde afvalgas, al of niet na behan­de­ling in een afval­gaszuive­ringsinstalla­tie, wordt geacht in overeen­stem­ming te zijn met de in dit besluit en/of in de mi­lieu­ver­gunning opge­legde emissie­grenswaarden:
1° in geval geen maandelijkse noch met een grotere fre­kwen­tie uitgevoer­de meting, op ba­sis van uurmon­ster­nemingen, gebeurt:
wanneer elke gemeten waarde, na verre­ke­ning van de volgens artikel 4.4.4.2. § 5 ver­eiste nauwkeu­rig­heid, lager is dan of gelijk aan de door dit re­gle­ment en/of de milieu­ver­gun­ning voor­ge­schreven emissie­grens­waar­de;
2° in geval een maandelijkse of met een grote­re fre­kwen­tie uitgevoerde meting, op basis van uurmon­ster­ne­mingen ge­beurt, indien aan ten­minste één van de beide vol­gen­de voor­waarden is voldaan:
a) ofwel wanneer elke gemeten waarde, na verre­ke­ning van de volgens artikel 4.4.4.2. § 5 vereiste nauwkeurig­heid, lager is dan of gelijk aan de door dit regle­ment en/of de milieu­vergun­ning voor­ge­schreven emissie­grens­waar­de;
b) ofwel wanneer tegelijkertijd aan de vol­gende voor­waar­den is voldaan:
i) geen enkele van de op basis van de gemeten uurwaarden berekende dagge­middelde waarden mag, na verreke­ning van de volgens artikel 4.4.4.2. § 5 ver­eiste nauw­keurig­heid, ­de door dit regle­ment en/of de milieuver­gunning voor­ge­schre­ven emis­sie­grens­waar­de over­schrijden;
ii) van al de gedurende een bepaald kalen­derjaar gemeten uurgemid­delden, mag, na verreke­ning van de volgens artikel 4.4.4.2. § 5 vereiste nauw­keu­rig­heid, maximum het sub 3° vermelde aantal gemeten uur­gemiddel­den de door dit re­gle­ment en/of de mi­lieuver­gunning voor­ge­schre­ven emis­sie­grens­waar­de overschrij­den;
iii) geen enkel gemeten uurgemiddelde, mag, na verreke­ning van de volgens arti­kel 4.4.4.2. § 5 vereiste nauwkeu­rig­heid, hoger zijn dan de waarde die overeen­stemt met twee­maal de door dit regle­ment en/of de milieuver­gunning voor­ge­schre­ven emis­sie­grens­waar­de; deze bepaling geldt evenwel niet voor opstart- en stilleghan­delingen waarbij het over­schrij­den van het tweevoud van de voor­geschreven emis­sie­grens­waarde niet kan worden verhin­derd; met betrek­king tot deze opstart- en stilleghande­lingen kun­nen in de milieu­ver­gunning bijzon­dere voor­waar­den of beper­kin­gen wor­den opge­legd;
3° voor de toepassing van de bepalingen van sub 2° wordt het ­maximum aantal monsters per kalender­jaar, dat niet voldoet aan de grens­waarden, in functie van het aantal gedu­rende de refe­rentieperiode uitge­voerde uur­mon­sternames, als volgt vastge­steld:

aantal gedurende een jaar genomen uurmonsters

maximaal toegestaan aantal monsters dat niet voldoet aan de grenswaarden

12 – 19

0

20-40

1

41-60

2

61-80

3

91-100

4

101-120

5

121-140

6

141-160

7

161-180

8

181-200

9

201-220

10

221-240

11

241-260

12

261-280

13

281-300

14

301-320

15

321-340

16

341-365

17

4° tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, wordt er bij continue metingen voldaan aan de emis­siegrens­waarden indien uit de evaluatie van alle be­schikbare resultaten voor de bedrijfsduur tijdens een kalenderjaar, en rekening houdende met de meeton­nauwkeurigheid, volgt dat:
a) geen daggemiddelde boven de emissie­grens­waarde ligt;
b) 97 % van de uur- of halfuurgemiddelden niet ho­ger ligt dan 6/5 van de emissiegrenswaarde;
c) geen enkel uur- of halfuurgemiddelde hoger ligt dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.
5° Bij de berekening van de gemiddelde emissiewaarden worden de waarden die zijn gemeten in de periodes van opstarten en stilleggen buiten beschouwing gelaten.

Afdeling 4.4.5. Wintersmogperiodes
Art. 4.4.5.1.

parameter

Toepassingsge­bied

De bepalingen van deze afdeling zijn van toe­pas­sing op de in de eerste klasse inge­deelde inrichtingen waarvan de totaal door de inrich­ting geloosde emis­sies voor één of meer para­me­ters meer bedragen dan de volgende emis­sie­waarden:

parameter

emissiewaarde in kg/uur

stikstofoxyden (uitgedrukt in NO)

40

zwaveldioxyde

60

zwevende deeltjes (stof)

15

chloor

20

chloorwaterstof en anorganische gasvormige chloorverbindingen (uitgedrukt in Cl)

20

fluorwaterstof en anorganische gasvormige fluorverbindingen (uitgedrukt in F)

1

koolmonoxyde

1.000

Onder voormelde emissiewaarde wordt ver­staan de gemiddelde waarde per bedrijfsuur van de emissies over één kalenderweek onder de inzake luchtver­ont­reiniging meest ongun­stige be­drijfs­omstandighe­den.

Art. 4.4.5.2.

Maatregelen bij smog

Gedurende de periodes van wegens ongunstige meteorologische omstandigheden tijdelijk verhoogde luchtverontreiniging dient de exploitant van een in artikel 4.4.5.1. bedoelde inrichting alle mogelijke maatregelen te treffen om de emissies van verontreinigende stoffen maximaal te beperken. Deze maatregelen zullen inzonderheid betrekking hebben op:
1° de tijdelijke beperking van produktieprocessen alsook van verbrandingsprocessen die aanleiding geven tot bedoelde emissies;
2° de tijdelijke overschakeling naar zwavelarme brandstof en zo mogelijk naar aardgas als brandstof;
3° de tijdelijke opschorting van uitstelbare luchtverontreinigende activiteiten;
4° het uitstellen van het opstarten van bepaalde processen wanneer dit met een extra emissie zou gepaard gaan.

Art. 4.4.5.3.

Waarschuwingsfase

§ 1. De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient zich in staat van paraatheid te houden voor het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maatregelen zodra:
1° ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 190 µg/m3;
2° ofwel gedurende drie opeenvolgende uren het gemeten uurgemiddelde van stikstofdioxide in de omgevingslucht hoger is dan 150 µg/m3.

§ 2. De in § 1 bedoelde waarschuwingsfase neemt een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde im-missiewaarde van zwaveldioxyde lager is dan of gelijk aan 190 µg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemid-delde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 µg/m3.

Art. 4.4.5.4.

Alarmfase

§ 1. De in artikel 4.4.5.2. bedoelde exploitant dient over te gaan tot het treffen van de in artikel 4.4.5.2. bedoelde maat-regelen telkens wanneer:
1° ofwel het gemeten glijdend 24-uurgemiddelde (over een periode van 24 opeenvolgende uren) van zwaveldioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 250 µg/m3;
2° ofwel het gemeten glijdend uurgemiddelde van stikstofdioxyde in de omgevingslucht hoger is dan 200 µg/m3.

§ 2. De in § 1 bedoelde maatregelen nemen een einde zodra de gemeten glijdend 24-uurgemiddelde immissiewaarde van zwaveldioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 190 µg/m3, respectievelijk de gemeten glijdend uurgemiddelde immissiewaarde van stikstofdioxyde over een periode van 24 opeenvolgende uren lager is dan of gelijk aan 150 µg/m3.

Art. 4.4.5.5.

De Afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving deelt aan de betrokken exploitanten mee wanneer de waarschu-wingsfase of de alarmfase ingaan en ook wanneer ze eindigen. Deze gegevens worden tegelijkertijd meegedeeld aan de andere gewesten, aan de buurlanden en aan de pers.

[Afdeling 4.4.6. Meten en beheersen van fugitieve VOS-emissies (ing. BVR 19 september 2008)]
Subafdeling 4.4.6.1. Algemene bepalingen
Art. 4.4.6.1.1.

De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de proces en de op- en overslaginstallaties van :
1° elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 10 ton VOS, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6;
2° elke inrichting met een jaarlijkse fugitieve emissie van meer dan 2 ton VOS waaraan één of meer van de risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61 zijn toegekend, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk I van bijlage 4.4.6.

De bepalingen van deze afdeling zijn niet van toepassing op de activiteiten van de inrichtingen, vermeld in rubriek 59 van de indelingslijst, noch op koelinstallaties vermeld in rubriek 16.3 van de indelingslijst.

Art. 4.4.6.1.2.

Voor inrichtingen die voor de eerste maal vergund zijn vóór 1 januari 2009, gelden de volgende overgangsbepalingen :
1° de beschrijving van de inrichting, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, moet uiterlijk beschikbaar zijn tegen 1 januari 2010;
2° de initiële steekproef, vermeld in artikel 4.4.6.2.3, moet uiterlijk uitgevoerd zijn tegen 1 januari 2010;
3° de eerste berekening van de jaarlijkse fugitieve emissie, vermeld in artikel 4.4.6.2.5, moet uiterlijk uitgevoerd zijn drie maanden na het afronden van de initiële steekproef.

Voor inrichtingen of delen van een inrichting die voor de eerste maal vergund zijn op of na 1 januari 2009, gelden volgende bepalingen :
1° de beschrijving van de inrichting, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, moet beschikbaar zijn bij de indienststelling van de inrichting of van een deel van de inrichting;
2° de initiële steekproef, vermeld in artikel 4.4.6.2.3, moet uiterlijk afgerond zijn op 31 december volgend op het jaar na de indienststelling;
3° de eerste berekening van de jaarlijkse fugitieve emissie, vermeld in artikel 4.4.6.2.5, moet uiterlijk 3 maand na het afronden van de initiële steekproef uitgevoerd worden.

Art. 4.4.6.1.3.

Het meet- en beheersprogramma van de subafdeling 4.4.6.2 is niet van toepassing op de volgende apparaten :
1° onderdelen op onderdruk;
2° bronnen in leidingen met een diameter kleiner dan 0,5" (12,7 mm) en knelfittingen;
3° technisch dichte apparaten zoals gedefinieerd in hoofdstuk IV van bijlage 4.4.6.

Subafdeling 4.4.6.2. Meet- en Beheersprogramma
Art. 4.4.6.2.1.

§ 1. De exploitant past jaarlijks een meet- en beheersprogramma toe om de fugitieve emissies van de inrichting te bepalen en te beperken.

§ 2. Indien de inrichting opgedeeld wordt in meetblokken, wordt het meet- en beheersprogramma toegepast per individueel meetblok.

§ 3. Het meet- en beheersprogramma omvat alleen de in de inrichting aanwezige apparaten voor zover die in contact komen met :
1° gasvormige productstromen die bestaan uit meer dan 10 vol% koolwaterstoffen (exclusief methaan) met een dampspanning groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
2° vloeibare productstromen die bestaan uit koolwaterstoffen waarvan de som van de concentraties van de individuele componenten (exclusief methaan), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C, groter of gelijk is aan 20gew%.

§ 4. Het programma, vermeld in § 1, bestaat uit de volgende onderdelen :
1° een beschrijving van de inrichting die bestaan uit :
a) een opdeling van de inrichting in meetblokken;
b) een kwantificering van het aantal apparaten per type zoals vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6, op verifieerbare manier gedocumenteerd (bijvoorbeeld per processchema);
2° een inventaris van apparaten;
3° een meet- en herstelprogramma;
4° een berekening van de emissies;
5° een rapportering.

Art. 4.4.6.2.2.

§ 1. Alle gemeten apparaten moeten op een overzichtelijke en verifieerbare manier (bijvoorbeeld per processchema) geteld en gedocumenteerd worden volgens de types, vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Die tellingen worden in de inventaris opgenomen.

§ 2. Als de meetwaarde van een gemeten apparaat het registratiecriterium overschrijdt, moeten binnen een termijn van twee maanden na de meting de volgende gegevens in de inventaris opgenomen of geactualiseerd worden :
1° identificatie van het apparaat : type, locatie, identificatienummer;
2° naam product;
3° beschrijving van de productstroom :
a) gas of vloeibaar;
b) gew% koolwaterstoffen (exclusief methaan; vol% bij gassen), met een dampdruk groter dan 0,3 kPa bij 20 °C;
4° datum en resultaten van de uitgevoerde metingen;
5° uitgevoerde reparaties en datum en resultaat van de controlemetingen.

Art. 4.4.6.2.3.

§ 1. Het meetprogramma, vermeld in artikel 4.4.6.2.1, omvat de meting van de fugitieve emissies van de apparaten in de inrichting of meetblokken.

§ 2. Die meting wordt uitgevoerd volgens de meetmethode, beschreven in hoofdstuk II van bijlage 4.4.6.

§ 3. Indien de exploitant zelf de metingen uitvoert, moet apparatuur en een code van goede praktijk gehanteerd worden, die uiterlijk op 1 januari 2010 goedgekeurd worden door een erkend laboratorium. Indien de metingen door een extern laboratorium worden uitgevoerd, moet dat laboratorium vanaf 1 januari 2010 erkend zijn voor het meten van fugitieve emissies.

§ 4. Het meetprogramma wordt opgestart met de initiële steekproef. Het minimumaantal te meten apparaten per type apparaat en per type product wordt uitgedrukt als percentage van het totale aantal apparaten en is vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Meetresultaten die niet dateren van vóór 1 januari 2000, mogen gebruikt worden in de initiële steekproef.

§ 5. Na het afronden van de initiële of aangepaste steekproef wordt jaarlijks en uiterlijk binnen een termijn van één jaar na het afronden van de vorige steekproef de >aangepaste steekproef' uitgevoerd. Het minimumpercentage apparaten dat gemeten moet worden, is afhankelijk van het aantal lekkende apparaten uit de vorige steekproef, zoals aangegeven in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Ter aanvulling van de >aangepaste steekproef' moeten de apparaten waarvan de meetwaarde in de vorige steekproef het lekcriterium overschreed, steeds opnieuw opgenomen worden. Elke 'aangepaste steekproef' wordt zo opgezet dat na een minimumaantal steekproeven alle apparaten gemeten zijn.

§ 6. Het meetprogramma, vermeld in § 1, kan worden toegepast op de volledige inrichting of op individuele meetblokken. Alle meetblokken worden voor de start van de initiële steekproef vastgelegd en moeten samen de volledige inrichting omvatten.

§ 7. Een beperkt aantal apparaten kan om praktische redenen niet altijd bereikbaar zijn voor metingen. Het aantal niet-meetbare apparaten moet tot een minimum beperkt worden. Die apparaten worden gedocumenteerd en bij elke gelegenheid waar meting toch mogelijk is opgemeten.

Art. 4.4.6.2.4.

Als de meetwaarde van een apparaat het herstelcriterium van hoofdstuk III van bijlage 4.4.6 overschrijdt, moet het apparaat in kwestie binnen een maand na de meting hersteld worden.

In afwijking van het eerste lid kunnen de volgende langere hersteltermijnen toegepast worden :
1° herstellingen die een vervanging van het apparaat zelf of een onderdeel ervan vereisen, moeten binnen drie maanden na de meting uitgevoerd worden;
2° als een herstelling niet binnen de in punt 1° opgelegde termijn kan uitgevoerd worden, moet dit vermeld worden in het rapporteringsdocument, vermeld in art. 4.4.6.2.5, eerste lid. Hierbij worden per apparaat de volgende gegevens vermeld :
a) de oorzaak van het niet herstellen binnen de opgelegde termijn;
b) de geplande hersteltermijn;
c) de emissie die hierdoor jaarlijks zal uitgestoten worden.

Na de herstelling van het lekkende apparaat moet de uitgevoerde herstelling binnen een maand gecontroleerd worden via een nieuwe meting. Als het herstelde apparaat opnieuw het herstelcriterium overschrijdt, moet de herstelling opnieuw binnen de opgegeven maximale herstelperiode, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden uitgevoerd. Die procedure wordt zolang herhaald totdat de meetwaarde onder het herstelcriterium blijft.

Art. 4.4.6.2.5.

Jaarlijks en uiterlijk op 31 maart, wordt een rapporteringsdocument over het voorgaande jaar opgesteld met de volgende gegevens :
1° de opdeling van de inrichting in meetblokken;
2° per meetblok en per type apparaat :
a. het aantal gemeten punten;
b. het aantal lekkende apparaten;
c. het aantal herstelde apparaten;
d. lijst van niet herstelde apparaten, als vermeld in artikel 4.4.6.2.4, tweede lid, 2°;
e. het aantal onbereikbare punten, vermeld in artikel 4.4.6.2.3, § 7;
f. de totale jaarlijkse fugitieve emissie, berekend volgens de berekeningsmethode van hoofdstuk V van bijlage 4.4.6.

Het document, vermeld in het eerste lid, wordt gedurende ten minste tien jaar bewaard.

[Afdeling 4.4.7. Beheersing van niet-geleide stofemissies (ing. BVR 18 januari 2013, art. 6)]
[Onderafdeling 4.4.7.1. Algemene bepalingen (ing. BVR 18 januari 2013, art. 6)]
Art. 4.4.7.1.1.

§ 1. De exploitant neemt maatregelen om de stofemissies die afkomstig zijn van de opslag van stuivende stoffen en van installaties waarbij stuivende stoffen worden getransporteerd of behandeld, zo laag mogelijk te houden.

De maatregelen houden rekening met het type en de eigenschappen van de stuivende stoffen of zijn componenten, de (ont)ladingsinstallatie en -methode, de massastroom, de meteorologische omstandigheden, storingen aan installaties en de locatie van de (ont)laadplaats. Ook veiligheidsaspecten worden in rekening gebracht.

§ 2. De technische installaties die stofemissies kunnen veroorzaken, en de installaties voor de reductie van de stofemissies worden tijdig onderhouden en gecontroleerd om stofemissies te minimaliseren. Stoffilters worden tijdig vervangen om de goede werking te verzekeren.

§ 3. Vanaf 1 januari 2014 moet de exploitant procedures en instructies voor de beheersing van de niet-geleide stofemissies ter beschikking hebben voor het eigen personeel en voor het personeel van derden die op de inrichting activiteiten uitvoeren met een potentiële impact op de stofemissies.

§ 4. Gemorste stoffen die aanleiding kunnen geven tot stofvorming, worden na de beëindiging van de handeling zo snel mogelijk verwijderd.

[Onderafdeling 4.4.7.2. Bijzondere bepalingen (ing. BVR 18 januari 2013, art. 6)]
Art. 4.4.7.2.1.

 Stuivende stoffen worden in bijlage 4.4.7.1 in stuifcategorieën ingedeeld op basis van de stuifgevoeligheid van de stof en de mogelijkheid om de verstuiving al dan niet door bevochtiging tegen te gaan. De verschillende stuifcategorieën zijn :
1° SC1 : stuifgevoelig, niet bevochtigbaar;
2° SC2 : stuifgevoelig, wel bevochtigbaar;
3° SC3 : nauwelijks stuifgevoelig;

De minister kan bijlage 4.4.7.1 aanvullen of wijzigen.

Vanaf 1 januari 2014 bepaalt de exploitant zelf de stuifcategorie op basis van de indeling van vergelijkbare stoffen in bijlage 4.4.7.1 wat betreft de stuifgevoeligheid of op basis van een specifiek daarvoor ontwikkelde test als :
1° een stof ingedeeld is in de tabel van bijlage 4.4.7.1, maar de fysicochemische eigenschappen gedurende haar verblijftijd op het bedrijfsterrein voortdurend van die aard zijn dat ze in een andere stuifcategorie thuishoort. De exploitant houdt de stuifcategorie en de motivatie ervan ter beschikking van de toezichthoudende overheid;
2° de stof niet in de tabel van bijlage 4.4.7.1 is ingedeeld.De exploitant legt de stuifcategorie en de motivatie ervan vast voor ontvangst van de goederen en houdt de informatie ter beschikking van de toezichthoudende overheid. Als bij de ontvangst van de goederen blijkt dat ze tot een andere stuifcategorie behoren dan wat was verwacht, neemt de exploitant onmiddellijk de nodige maatregelen om de stofemissie tot een minimum te beperken.

Art. 4.4.7.2.2.

Stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 worden in een gesloten opslagplaats of afgedekt met fijnmazige netten of zeilen opgeslagen. In geval van afdekking worden passende maatregelen genomen om stofemissies bij het vullen en afgraven van de opslaghoop tegen te gaan.

Het aantal openingen in een gesloten opslagplaats is zo laag mogelijk. De openingen zijn zo klein mogelijk. Niet-functionele openingen worden dichtgemaakt. Functionele openingen in de gesloten opslagplaats worden zoveel mogelijk gesloten gehouden. Bij het vullen of het ledigen van een gesloten opslagplaats worden de overstortpunten zo ver mogelijk van de openingen geplaatst.

Art. 4.4.7.2.3.

Artikel 4.4.7.2.4 tot en met 4.4.7.2.10 zijn, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, van toepassing op inrichtingen die een van de volgende kenmerken vertonen :
1° een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 5 000 m2 grondoppervlakte;
2° een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70.000 ton per jaar;
3° een in het komende kalenderjaar verwachte overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 70 000 ton per jaar.

Art. 4.4.7.2.4.

Informatie over onderhoudsbeurten voor de technische installaties, vermeld in artikel 4.4.7.1.1, § 2, wordt bijgehouden en wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

Art. 4.4.7.2.5.

§ 1. Bij opslag in de open lucht van stuivende stoffen van stuifcategorie SC2 en SC3 wordt stofverspreiding maximaal beperkt door het bevochtigen van de stuivende stoffen. Voor zover de karakteristieken van het terrein en de vaste installaties dat toelaten, worden bijkomend de volgende maatregelen genomen :
1° het opslagterrein voorzien van windreductieschermen;
2° een ommuring of een groenscherm;
3° de opgeslagen hoeveelheid in zo weinig mogelijk hopen verzamelen;
4° de hellingsgraad van de hopen zo kiezen dat de toplaag niet afglijdt.

Punt 2° is niet van toepassing op bouw-, sloop- of wegeniswerken.

§ 2. Als droog of winderig weer wordt voorspeld, worden de hopen extra besproeid met water of schuim.

Het besproeien kan worden vervangen door het bespuiten met een vastleggend middel als de goede werking van het middel is gegarandeerd. Kammen en beschadigingen van het vastleggende middel in de opslaghoop worden gecontroleerd en hersteld. De bespuiting wordt herhaald als dat uit het oogpunt van het voorkomen van stofverspreiding noodzakelijk blijkt.

§ 3. Als de maatregelen, vermeld in paragraaf 1 en 2, niet worden genomen, wordt de opslaghoop afgedekt met fijnmazige netten of zeilen of wordt overgegaan tot een gesloten opslag, zoals bepaald in artikel 4.4.7.2.2, tweede lid.

Art. 4.4.7.2.6.

§ 1. Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :
1° bevochtigbare stoffen van stuifcategorie SC2 afdoende te bevochtigen;
2° aan de operatoren procedures voor het gebruik van de transport- en overslagmiddelen ter beschikking te stellen die minstens de relevante elementen bevatten die worden vermeld in bijlage 4.4.7.2.

Bijlage 4.4.7.2 kan door de minister aangevuld of gewijzigd worden.

§ 2. Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via grijpers wordt maximaal voorkomen door :
1° het gebruik van een grijper waarbij de grijperschalen goed aansluiten;
2° het gebruik van een bovenaan semigesloten of gesloten grijper voor stoffen uit stuifcategorie SC1 en SC2, voor zover de behandelde stof dat toelaat.

§ 3. Stofverspreiding bij het transport, het laden en het lossen van stuivende stoffen via transportbanden wordt maximaal voorkomen door :
1° als stofemissies visueel waarneembaar blijven na de toepassing van de code van goede praktijk, vermeld in bijlage 4.4.7.2, open transportbanden in de buitenlucht af te schermen tegen windaanval via langsschermen, dwarsschermen of overkappingen;
2° als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1°, over te schakelen op een gesloten transportsysteem.

Een vast opgestelde transportband voor het vervoer van stoffen van stuifcategorie SC1 die in gebruik wordt genomen na 31 december 2013, wordt gesloten of overdekt uitgevoerd. Dat geldt niet voor de delen van de transportband die worden beladen door een storttrechter of een ander overslagsysteem.

§ 4. Stofverspreiding bij overslagpunten van continue transportsystemen wordt maximaal voorkomen door :
1° de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te bevochtigen of te benevelen als de producten op voorhand niet voldoende bevochtigd zijn;
2° als de maatregelen, vermeld in punt 1°, niet kunnen worden toegepast of als ook na het nemen van die maatregelen nog visueel waarneembare stofverspreiding plaatsvindt, de overslagpunten waar stoffen van stuifcategorie SC2 worden overgeslagen, te voorzien van windreductieschermen, als dat technisch mogelijk is;
3° de overslagpunten bij vaste transportsystemen voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een behuizing of een stofafzuiging als dat technisch haalbaar is. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2° ;
4° de lospunten van mobiele transportbanden voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een afscherming die zo goed mogelijk aansluit op het laadpunt van het volgende transportsysteem of een stofafzuiging. Dat geldt ook voor de stuifcategorieën SC2 en SC3 als stofemissies visueel waarneembaar blijven na het nemen van de maatregelen, vermeld in punt 1° en punt 2°.

§ 5. Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via storttrechters wordt maximaal voorkomen door :
1° de storttrechter voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van doelmatige keerschotten of roosters. Dat geldt ook voor stoffen van stuifcategorie SC2 die niet voldoende bevochtigd worden;
2° vaste storttrechters voor stoffen van stuifcategorie SC1 te voorzien van een stofafzuiginstallatie tenzij dat niet kan wegens locatiespecifieke omstandigheden. Deze maatregel moet niet genomen worden als de exploitant kan aantonen dat de storttrechter maximaal 10 % van de tijd dat hij in gebruik is, wordt gebruikt voor het laden en lossen van stoffen van stuifcategorie SC1.

§ 6. Stofverspreiding bij het laden en het lossen van stuivende stoffen via stortgoten, vulbuizen, vulpijpen en transportbanden wordt maximaal voorkomen door :
1° als dat technisch en operationeel mogelijk is, de laad- en losinstallatie te voorzien van remschotten of het uiteinde ervan aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt;
2° als dat operationeel mogelijk is, nieuwe laad- en losinstallaties te voorzien van remschotten of het uiteinde van de installatie aan te passen opdat stofverspreiding beperkt wordt.

§ 7. Stofverspreiding bij het laden en het lossen van vrachtwagens en treinwagons met stuivende stoffen wordt maximaal voorkomen door :
1° voor vrachtwagens die het bedrijfsterrein verlaten, een open laadbak, gevuld met stoffen van stuifcategorie SC1, af te dekken met een dekzeil. Dat geldt ook bij stoffen van stuifcategorie SC2 als het vochtgehalte ervan onvoldoende is om stofverspreiding te vermijden;
2° de valputten waarin stuivende stoffen worden gestort, te voorzien van keerschotten.

Als het laden van de laadbak of het transport dat het bedrijfsterrein verlaat, wordt uitgevoerd door derden, zullen aan het personeel van die derden instructies ter beschikking gesteld worden conform punt 1°.

Art. 4.4.7.2.7.

Stofverspreiding door verkeer op en rond het bedrijfsterrein wordt maximaal voorkomen door :
1° de wegen op het terrein regelmatig schoon te maken;
2° de voertuigsnelheid op het terrein te beperken;
3° de wegen van het terrein te besproeien als er kans op stofverspreiding is;
4° de plaatsen waar de op- en overslag plaatsvindt,regelmatig te reinigen;
5° maatregelen te nemen om stofverspreiding op de openbare weg maximaal te voorkomen.

Art. 4.4.7.2.8.

De exploitant zorgt minstens gedurende de periode dat overslagactiviteiten plaatsvinden voor toezicht op de op- en overslagactiviteiten om stofemissies snel waar te nemen en de oorzaak ervan te achterhalen, zodat de gepaste maatregelen getroffen kunnen worden.

Art. 4.4.7.2.9.

De exploitant moet vanaf 1 juli 2015 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8.

In afwijking van het eerste lid moet de exploitant vanaf 1 januari 2014 voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 4.4.7.2.2 tot en met artikel 4.4.7.2.8, voor procedures en handelingen die niet leiden tot noodzakelijke wijzigingen van de infrastructuur.

Art. 4.4.7.2.10.

§ 1. De exploitant stelt een stofrapport, als vermeld in punt « F15 » van bijlage 4.B van titel I van het Vlarem, op voor de volgende inrichtingen :
1° inrichtingen met een opslagcapaciteit voor stuivende stoffen van meer dan 50 000 m2 grondoppervlakte;
2° inrichtingen met een over de drie voorgaande kalenderjaren gemiddelde overslaghoeveelheid van stuivende stoffen van meer dan 700 000 ton per jaar.

Het stofrapport wordt bij de aanvraag van een milieuvergunning gevoegd of wordt per aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

De verplichting geldt uiterlijk op 1 juli 2014.

§ 2. Bij een toename van de opslagcapaciteit of de overslaghoeveelheden met 50 % of meer ten opzichte van de toestand in het meest recente stofrapport of addendum, stelt de exploitant een addendum bij het bestaande stofrapport, vermeld in punt « F15 » van bijlage 4.B van titel I van het Vlarem, op. Dat addendum wordt bij de aanvraag van een milieuvergunning gevoegd of wordt per aangetekende brief bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

HOOFDSTUK 4.5. BEHEERSING VAN GELUIDSHINDER

Afdeling 4.5.1. Algemene bepalingen
Art. 4.5.1.1.

[§ 1. De exploitant treft ter naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk, de nodige maatre-gelen om de geluidsproductie aan de bron en de geluidsoverdracht naar de omgeving te beperken. Naargelang van de omstandigheden en op basis van de technologisch verantwoorde mogelijkheden volgens de beste beschikbare tech-nieken wordt hierbij gebruikgemaakt van een oordeelkundige (her)schikking van de geluidsbronnen, geluidsarme installaties en toestellen, geluidsisolatie en/of -absorptie en/of -afscherming.

§ 2. De bepalingen vermeld onder de afdelingen 4.5.2, 4.5.3 en 4.5.4 van dit besluit zijn van toepassing, tenzij voor bepaalde categorieën van inrichtingen in dit reglement andere bepalingen zijn opgenomen. (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 53, I: 1 mei 1999) ]

Afdeling 4.5.2. [Richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht en binnenshuis]
Art. 4.5.2.1.

[Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen gelden de in de bijlagen 4.5.4 en 4.5.5 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid in open lucht van een inrichting wordt getoetst. (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 53, I: 1 mei 1999) ]

Art. 4.5.2.2.

Ter beoordeling van het geluid van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken gelden de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit aangegeven waarden in dB(A) als richtwaarden waaraan het specifieke geluid binnenshuis van een inrichting wordt getoetst. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 53, I: 1 mei 1999) ]

Afdeling 4.5.3. [Voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van klasse 1 en 2 en voor veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2]
Art. 4.5.3.1.

§ 1. LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is gelijk aan of hoger dan de richtwaarde van bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid, in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid verminderd met 5 dB(A) enerzijds alsmede tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden anderzijds.

§ 2. LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 1°, 4°, 5° bis, 6° of 7° van de bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot het LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid enerzijds en tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A) anderzijds.

§ 3. LA95,1h van het oorspronkelijke omgevingsgeluid is lager dan de richtwaarden in de gebieden onder 2°, 3°, 5°, 8° of 9° van de bijlage 2.2.1 bij dit besluit. In dat geval moet het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de nieuwe inrichting of door het geheel, respectievelijk door het onderdeel van een bestaande inrichting dat het voorwerp van een verandering heeft uitgemaakt, beperkt worden tot de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 5 dB(A).

§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 moeten nieuwe inrichtingen van klasse 1 of 2, alsmede veranderingen van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan volgende bepalingen:

Het specifieke geluid binnenshuis van de inrichting gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

§ 5. Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 van dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden verminderd met 5 dB(A).

§ 6. De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.1 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.

Afdeling 4.5.4. [Voorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 en 2]
Art. 4.5.4.1.

[§ 1. Indien volgens een beperkt akoestisch onderzoek een door de inrichting veroorzaakte overschrijding van de in bijlage 4.5.4, 4.5.5 en/of bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden wordt vastgesteld, kan de toezichthouder de exploitant(en) verplichten tot uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek en dit op kosten van de exploitant(en).

Dit volledige akoestische onderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig bijlage 4.5.2 bij dit besluit en bepaalt de bijdrage van de inrichting of, in voorkomend geval, van elke inrichting tot voormelde overschrijding.

§ 2. Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open lucht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bedoelde richtwaarde met 10 dB(A) of meer overschrijdt, moet(en) de exploitant(en) van de betrokken inrichting(en) op zijn (hun) kosten een saneringsplan opstellen en uitvoeren overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

§ 3. Indien het volledige akoestische onderzoek, bedoeld in § 1, uitwijst dat het specifieke geluid in open licht voortgebracht door de inrichting(en) de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit bepaalde richtwaarden met minder dan 10 dB(A) overschrijdt, kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen voor de inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en van de bevoegde gemeentelijke milieudienst voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 1, 2 en 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

Het specifieke geluid van de inrichting wordt gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning moet het specifieke geluid van de inrichting aan de bepalingen van deze paragraaf voldoen uiterlijk op 1 augustus 1997.

§ 5. Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde voor de verschillende gebieden.

§ 6. De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.2 en 4.5.6.3 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.

Afdeling 4.5.5. [Voorwaarden voor inrichtingen van klasse 3]
Art. 4.5.5.1.

§ 1. Het specifieke geluid in open lucht van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen mag op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten de met 5 dB(A) verminderde richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit niet overschrijden.

§ 2. Onverminderd de bepalingen van § 1 moet het specifieke geluid binnenshuis van nieuwe inrichtingen alsmede van veranderingen van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken voldoen aan de volgende bepaling:
het specifieke geluid gemeten in de bewoonde vertrekken, waarvan vensters en deuren gesloten zijn, dient beperkt te worden tot de in bijlage 2.2.2 bij dit besluit bepaalde richtwaarden verminderd met 3 dB(A).

§ 3. Het specifieke geluid in open lucht van bestaande inrichtingen wordt op de in § 3 of 4 van artikel 1 van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit zo goed mogelijk wordt benaderd, rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het specifieke geluid binnenshuis van bestaande inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken zodanig beperkt dat de richtwaarden van bijlage 2.2.2 bij dit besluit zo goed mogelijk worden benaderd rekening houdend met de bepalingen van artikel 4.5.1.1 en met gebruik van de beste beschikbare technieken.

§ 5. ...

§ 6. Als het geluid in open lucht van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont, dan worden de in bijlage 4.5.5 bij dit besluit aangegeven richtwaarden toegepast op de toepasselijke waarde. De toepasselijke waarde voor nieuwe inrichtingen is de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde verminderd met 5 dB(A) en voor bestaande inrichtingen de in bijlage 4.5.4 bij dit besluit aangegeven richtwaarde.

§ 7. De voorwaarden vermeld in deze afdeling worden schematisch weergegeven in de beslissingsschema's 4.5.6.4 en 4.5.6.5 in bijlage 4.5.6 bij dit reglement.

[Afdeling 4.5.6. Bijzondere voorwaarden]
Art. 4.5.6.1.

§ 1. De vergunningverlenende overheid kan strengere grenswaarden en meetomstandigheden opleggen voor het specifieke geluid voortgebracht door inrichtingen van klasse 1 of 2 gelegen in de nabijheid van stiltebehoevende instellingen of zones.

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt verstaan onder:
1° "stiltebehoevende instellingen": gebouwen waar omwille van de functie en het gebruik ervan het geluid in de omgeving steeds moet beperkt worden; dit zijn inzonderheid bejaardentehuizen, ziekenhuizen, scholen en gelijkaardige;
2° "stiltebehoevende zones": zones waar omwille van de functie ervan het geluid in de omgeving al of niet tijdelijk moet beperkt worden; deze zones omvatten inzonderheid de woongebieden en de natuurgebieden met een wetenschappelijke waarde, volgens het gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan, alsook de erkende natuur- en bosreservaten.

§ 2. De grenswaarden, bedoeld in § 1, kunnen ofwel buitenshuis ofwel, in geval van inrichtingen die een gemene muur en/of vloer hebben met bewoonde vertrekken binnenshuis worden opgelegd en dit zowel voor overdag, 's avonds als 's nachts.

§ 3. Als het geluid van een inrichting een incidenteel, fluctuerend, intermitterend of impulsachtig karakter vertoont kun-nen strengere grenswaarden aan dit geluid worden opgelegd in de nabijheid van de stiltebehoevende instellingen of zones, bedoeld in § 1.

§ 4. Bij overtreding van de in de milieuvergunning overeenkomstig dit artikel opgelegde bijzondere voorwaarden kan de vergunningverlenende overheid, op advies van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen voor inrichtingen van de 1ste klasse en van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en de gemeentelijke milieuambtenaar voor inrichtingen van de 2de klasse, een saneringsplan ter uitvoering opleggen overeenkomstig de bepalingen van bijlage 4.5.3 bij dit besluit.

HOOFDSTUK 4.6. BEHEERSING VAN HINDER DOOR LICHT

Art. 4.6.0.1.

Onverminderd andere reglementaire bepalingen treft de exploitant de nodige maatregelen om lichthinder te voorkomen.

Art. 4.6.0.2.

Het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendig-heden inzake uitbating en veiligheid. De verlichting is dermate geconcipieerd dat niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving maximaal wordt beperkt.

Art. 4.6.0.3.

Klemtoonverlichting mag uitsluitend gericht zijn op de inrichting of onderdelen ervan.

Art. 4.6.0.4.

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.

HOOFDSTUK 4.7. BEHEERSING VAN ASBEST

Art. 4.7.0.1.

Onverminderd de bepalingen terzake water-, bodem-, grondwater- en luchtverontreiniging en afvalstoffenbeheersing moeten overeenkomstig de Richtlijn 87/217/EEG bij het gebruik van asbest en werken met asbesthoudende produkten de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat emissies van asbest in het milieu en afvalstoffen van asbest voor zover dat met redelijke middelen mogelijk is aan de bron worden verminderd en voorko-men. Bij gebruik van asbest impliceren deze maatregelen dat gebruik wordt gemaakt van de beste beschikbare technieken, met inbegrip van recycling of behandeling waar zulks dienstig is.

Tevens dienen de nodige maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat:
1° tijdens het vervoer, het laden en het lossen van afvalstoffen die asbestvezels of asbeststof bevatten, deze vezels en stof niet vrijkomen in de lucht en geen vloeistoffen worden verloren die asbestvezels kunnen bevatten;
2° afvalstoffen die asbestvezels of -stof bevatten, indien gestort op plaatsen waar zulks met vergunning mogelijk is, zodanig worden behandeld, zijn verpakt of afgedekt, met inachtneming van de plaatselijke omstandigheden, dat er geen asbestdeeltjes in het milieu terechtkomen;
3° activiteiten die verbonden zijn aan het werken met asbest bevattende produkten geen noemenswaardige milieu-verontreiniging door asbestvezels of -stof veroorzaken;
4° bij de sloop van asbestbevattende gebouwen, constructies en in-stallaties en het verwijderen van asbest of asbesthoudende materialen daaruit, waarbij asbestvezels of asbeststof kunnen vrijkomen, geen asbest in het milieu terechtkomt.

§ 2. De volgende asbesthoudende toepassingen kunnen zelf worden verwijderd voor zover deze via eenvoudige handelingen (bvb. vlot losschroeven) kunnen worden weggenomen :
1° hechtgebonden asbest die niet beschadigd is of waarbij er geen vrije vezels zichtbaar zijn en waarbij verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
2° hechtgebonden asbest die beschadigd is of waarbij er vrije vezels zichtbaar zijn en die verwerkt is in een buitentoepassing waarbij geen derden aanwezig zijn, voor zover de verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
3° asbesthoudende koorden, dichtingen of pakkingen, remvoeringen en analoge materialen.

Andere toepassingen mogen alleen verwijderd worden door gespecialiseerde bedrijven.

§ 3. Bij de sloop en verwijdering van asbesthoudend materiaal als vermeld in § 2, 1°, 2° en 3°, moet vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels verhinderd worden door de volgende maatregelen te nemen :
1° bevochtigen of fixeren van het materiaal;
2° de elementen één voor één verwijderen, bij voorkeur manueel, gebruik makend van handwerktuigen of in laatste instantie traagdraaiend gereedschap;
3° de materialen niet gooien;
4° de materialen niet breken;
5° de materialen opslaan in gesloten verpakkingen.

Bij de werkzaamheden mogen geen minderjarigen aanwezig zijn.

Voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling wordt gebruik gemaakt van een stofmasker type P3 of gelijkwaardig stofmasker.

§ 4. De asbesthoudende toepassingen worden afzonderlijk opgeslagen en niet gemengd met het andere sloopafval;

§ 5. Het gebruik van mechanische werktuigen met grote snelheid (schuurschijven, slijpmachines, boormachines, e.d.), hogewaterdrukreinigers en luchtcompressoren, voor het bewerken, snijden of schoonmaken van objecten of ondergronden in asbesthoudend materiaal, objecten of ondergronden bekleed met asbesthoudend materiaal of voor het verwijderen van asbest is verboden.

Art. 4.7.0.2.

Voor bestaande installaties dient bij de toepassing van de eis met betrekking tot het gebruik van de beste beschikbare technieken zoals gesteld in artikel 4.7.0.1. § 1, rekening gehouden met:
1° de technische kenmerken van de inrichting;
2° de gebruiksgraad en de residuele levensduur van de inrichting;
3° de aard en het volume van de verontreinigende emissies van de inrichting;
4° de wenselijkheid geen overmatige hoge kosten te veroorzaken voor de betrokken inrichting, met name rekening houdende met de economische situatie van de tot de betrokken categorie behorende ondernemingen.

Art. 4.7.0.3.

Voor de emissies in de lucht en de afvalwaterlozingen gelden inzonderheid respectievelijk de bepalingen:
1° van artikel 5.3.2.4 en de bijlage 5.3.2, sub 2°, b), voor wat de voorwaarden voor de lozing van afvalwater betreft;
2° van artikel 4.2.5.3.1 en de bijlagen 4.2.5.2 en 4.4.5.A voor wat de meetverplichtingen en meetmethoden voor de lozing van afvalwater betreft;
3° van artikel 4.4.3.1 en de bijlage 4.4.2 voor wat de grenswaarden voor de emissies in de lucht betreft;
4° van artikel 4.4.4.1 en de bijlagen 4.4.3 en 4.4.4 en 4.4.5.B voor wat de meetverplichtingen en de meetmethode voor de emissies in de lucht betreft. (ing. B.V.R. 24 maart 1998, art. 8, I: 30 april 1998) ]

[HOOFDSTUK 4.8. ...]

Art. 4.8.0.1.

[... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

Art. 4.8.0.2.

[... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

Art. 4.8.0.3.

[... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

Art. 4.8.0.4.

[... (opgeh. B.V.R. 5 december 2003, art. 10.2.1, I: 1 juni 2004) ]

[HOOFDSTUK 4.9 ENERGIEPLANNING]

Art. 4.9.1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle ingedeelde inrichtingen met een totaal energiegebruik van tenminste 0,5 PetaJoule per jaar.

In afwijking van het eerste lid zijn de energie-intensieve inrichtingen van ondernemingen die zijn toegetreden tot de energiebeleidsovereenkomsten voor de verankering van en voor blijvende energie-efficiëntie in de Vlaamse energie-intensieve industrie (niet VER-bedrijven en VER-bedrijven) vrijgesteld van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Art. 4.9.2.

§ 1. Binnen de drie maanden nadat uit het Integraal Milieujaarverslag blijkt dat de ingedeelde inrichting een totaal energiegebruik van 0,5 PJ per jaar heeft, bezit de exploitant voor deze inrichting een energieplan dat conform is verklaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4, 6.5.5, 6.5.6 en 6.5.7 van het Energiebesluit van 19 november 2010. Dit plan wordt op de inrichting ter inzage gehouden van de toezichthouders.

§ 2. De exploitant voert binnen een termijn van drie jaar, na het indienen van een energieplan, alle maatregelen uit dit energieplan met een interne rentevoet zoals vermeld in artikel 6.5.4, § 1, 7°, van het Energiebesluit van 19 november 2010, uit.

Art. 4.9.3.

De energiestudie of het energieplan zoals bedoeld in art. 5, § 8 van titel I van het VLAREM, geldt als eerste energieplan. (ing. B.V.R. 14 mei 2004, art. 14, I: 14 oktober 2004) ]

[HOOFDSTUK 4.10 EMISSIES VAN BROEIKASGASSEN]

Afdeling 4.10.1. [BKG-emissies (verv. BVR 7 juni 2013, art. 81, I: 20 september 2013)]
Art. 4.10.1.1.

Deze afdeling geldt voor de volgende inrichtingen :
1° inrichtingen die als BKG-installaties zijn ingedeeld voor wat betreft hun BKG-emissies;
2° inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1 hebben beoefend;
3° inrichtingen die ontstaan na opsplitsing van de milieuvergunning van een BKG-installatie, als binnen de grenzen van de oorspronkelijke BKG-installatie een activiteit wordt uitgevoerd die in de indelingslijst is aangeduid met de letter Y in de vierde kolom.

Art. 4.10.1.2.

§ 1. Met ingang van 1 januari 2014 is de exploitant van een BKG-installatie verplicht om ieder kalenderjaar uiterlijk op 30 april emissierechten in te leveren via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen.

§ 2. Het aantal ingeleverde emissierechten komt overeen met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie in het voorgaande kalenderjaar heeft veroorzaakt, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies die de BKG-installatie heeft veroorzaakt in voorgaande jaren en waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. Voor BKG-emissies die worden afgevangen en vervoerd voor permanente opslag in een inrichting waarvoor rubriek 16.11 van toepassing is, bestaat geen verplichting om emissierechten in te leveren.

§ 3. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, is elke exploitant verantwoordelijk voor de inlevering van emissierechten voor wat betreft zijn eigen BKG-emissies.

§ 4. In voorkomend geval vervalt de verplichting tot inlevering van emissierechten, vermeld in paragraaf 1, pas vijf maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen.

§ 5. Inrichtingen die in 2012 een activiteit uit bijlage 4.10.1 hebben beoefend, zijn verplicht om uiterlijk op 30 april 2013 via afboeking in het nationaal register van de broeikasgassen emissierechten in te leveren. Het aantal ingeleverde emissierechten moet overeenkomen met de hoeveelheid BKG-emissies in 2012, vermeerderd met de hoeveelheid BKG-emissies uit voorgaande jaren waarvoor de exploitant nog geen emissierechten heeft ingeleverd. De hoeveelheid veroorzaakte BKG-emissies, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport van de BKG-installatie, vermeld in art 4.10.1.5, § 6.

Art. 4.10.1.3.

De hoeveelheid BKG-emissies, vermeld in artikel 4.10.1.2, is gelijk aan de BKG-emissies in het voor de inrichting in kwestie geverifieerde en gevalideerde emissiejaarrapport, vermeld in artikel 4.10.1.5.

Art. 4.10.1.4.

§ 1. De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.

§ 2. Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd. BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning. Voor BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning niet actualiseren, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het monitoringplan bij de milieuvergunning.

Uiterlijk vijf jaar na de eerste toevoeging van het monitoringplan aan de milieuvergunning, voegt de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging overeenkomstig artikel 45 van titel I van het VLAREM het actuele monitoringplan bij de milieuvergunning.

§ 3. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, stelt de exploitant van elke afgesplitste milieuvergunning een monitoringplan op voor het deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van de afgesplitste vergunning gelegen is.

§ 4. In voorkomend geval loopt de bewaking, vermeld in paragraaf 1, door voor het volledige kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43 van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen. In voorkomend geval vervalt de verplichting om de BKG-emissies te bewaken voor het kalenderjaar dat volgt op de volledige stopzetting van de activiteiten van de BKG-installatie.

Art. 4.10.1.5.

§ 1. Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.

§ 2. De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.

§ 3. Het geverifieerde emissiejaarrapport, vermeld in paragraaf 1 en 2, wordt voor 31 maart van het lopende kalenderjaar goedgekeurd door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. De goedgekeurde emissiejaarrapporten liggen ter inzage bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging. De emissiegegevens uit de goedgekeurde emissiejaarrapporten worden door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, op het internet gepubliceerd.

§ 4. Als de milieuvergunning van een BKG-installatie wordt opgesplitst, vermeldt het emissiejaarrapport afzonderlijk de BKG-emissies voor elk deel van de BKG-installatie dat binnen de grenzen van een afgesplitste vergunning ligt.

§ 5. In voorkomend geval vervalt de verplichting tot het opstellen van een emissiejaarrapport als vermeld in paragraaf 1, pas drie maanden na het kalenderjaar waarin de BKG-installatie haar activiteiten volledig heeft stopgezet overeenkomstig artikel 43, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering 20 april 2012 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen voor vaste installaties en de inzet van flexibele mechanismen, voor zover de juistheid hiervan is vastgesteld door de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging.

§ 6. Inrichtingen die in 2012 een activiteit als vermeld in bijlage 4.10.1, beoefenen, stellen een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies in 2012. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van de totale BKG-emissies.

De exploitant bezorgt het emissiejaarrapport, aangetekend of bij wijze van een levering met ontvangstbewijs uiterlijk op 1 februari 2013 aan het verificatiebureau.

Het verificatiebureau verifieert dit emissiejaarrapport voor 20 maart 2013.

Het verificatiebureau betekent de geverifieerde emissiejaarrapporten aan de afdeling bevoegd voor luchtverontreiniging.

Art. 4.10.1.6.

Als een hinderlijke inrichting zijn hoedanigheid van BKG-installatie verliest, of als de activiteiten van de BKG-installatie worden stopgezet, dient de exploitant van de BKG-installatie binnen een termijn van veertien dagen een aanvraag tot schrapping van de toepasselijke Y rubrieken in.

DEEL 5 SECTORALE MILIEUVOORWAARDEN VOOR INGEDEELDE INRICHTINGEN

HOOFDSTUK 5.1. AARDOLIE OF AARDOLIEPRODUKTEN

Art. 5.1.0.1.

Voor inrichtingen, bedoeld onder de [subrubriek 1.2. (verv. B.V.R. 19 januari 1999, art. 56, I: 1 mei 1999) ] van de indelingslijst, worden geen sectorale voorschriften bepaald. De algemene, eventuele andere toepas-selijke sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden zijn onverminderd van toepassing.

[Voor inrichtingen bedoeld in de subrubriek 1.1 van de indelingslijst gelden de bepalingen van afdeling 5.20.2. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 56, I: 1 mei 1999) ]

HOOFDSTUK 5.2. INRICHTINGEN VOOR DE VERWERKING VAN AFVALSTOFFEN

Afdeling 5.2.1. Algemene bepalingen
Toepassingsgebied
Art. 5.2.1.1.

§ 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de inrichtingen bedoeld in rubriek 2 van de indelingslijst.

§ 2. De voorschriften van dit hoofdstuk gelden onverminderd de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten.

§ 3. De volgende voorwaarden inzake de aanvaarding van afvalstoffen, het werkplan en inrichting en infrastructuur gelden niet voor de opslag van afvalstoffen - in functie van de regelmatige afvoer ervan - in de inrichting waar de afvalstoffen worden geproduceerd.

§ 4. De hierna volgende algemene uitbatingsvoorwaarden worden, naargelang het type inrichting, aangevuld door de voorwaarden, opgenomen onder de afdelingen 5.2.2. (inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen), 5.2.3. (verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen), 5.2.4. (stortplaatsen voor afvalstoffen in of op de bodem) en 5.2.5. (mono-stortplaatsen voor baggerspecie afkomstig uit de oppervlaktewateren behorende tot het openbaar hydrografisch net).

§ 5. Niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten die worden beschouwd als afvalstoffen zoals bedoeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, worden verzameld, behandeld en afgevoerd overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EG) 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.

§ 6. Deze afdeling is niet van toepassing op de inrichtingen, vermeld in  de rubrieken 2.2.2, h), 2.3.2, f) en 2.3.3, b), van de indelingslijst.

De aanvaarding en registratie van afvalstoffen
Art. 5.2.1.2.

§ 1. De aanvoer, de aanvaarding, de opslag, de verwerking en de afvoer van afvalstoffen zijn enkel toegelaten mits toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

§ 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning of in dit besluit is de installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug met automatische registratie verplicht. De installatie en het gebruik van een geijkte weegbrug is in ieder geval verplicht voor inrichtingen waar bedrijfs- of huishoudelijke afvalstoffen afkomstig van derden worden verwijderd. De ijking gebeurt overeenkomstig de ijkwet. De toegang van de aanvoerende vrachtwagens is slechts toegelaten over de in werking zijnde weegbrug.

§ 3. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning mag de normale afvalstoffenaanvoer niet vóór 7 uur en na 19 uur plaatsvinden.

§ 4. ...

§ 5. In de inrichting voor de verwerking van afvalstoffen mogen enkel die afvalstoffen worden aanvaard waarvoor de milieuvergunning werd verleend. De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van de afvalstoffen. De aanvaarding van de afvalstoffen gebeurt op basis van de door de milieuvergunning toegelaten afvalstoffen en steunt op de technische verwerkbaarheid van de afvalstoffen in de inrichting en, indien nodig en relevant, op regelmatige afval-stoffenanalyses en/of -testen. De exploitant controleert de aangevoerde afvalstoffen op hun herkomst, oorsprong, aard en hoeveelheid. Elke vracht dient minstens visueel genspecteerd. De exploitant bevestigt elke aanvaarde aflevering van afvalstoffen schriftelijk. In geval van stortplaatsen stelt de exploitant, onverminderd het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 259/93, de toezichthoudende overheid onverwijld in kennis van een weigering afvalstoffen op zijn stortplaats te aanvaarden.

§ 6. De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde afvalstoffen moet kunnen worden getotaliseerd. Op vraag van de toezichthouder moeten de totalen op basis van de rubrieknummers van de afvalstoffencatalogus binnen de kortste tijd kunnen worden meegedeeld.

Het werkplan
Art. 5.2.1.3.

§ 1. De exploitant beschikt bij de aanvang der activiteiten over een werkplan dat naargelang de aard van de inrichting omvat:
1° een overzichtelijke en duidelijke handleiding met betrekking tot de exploitatie van de inrichting;
2° de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
3° de organisatie van de verwerking van de aangevoerde afvalstoffen;
4° een plan van de opslag- en behandelingsruimte met aanduiding van de soort en de opslagcapaciteit voor de diverse afvalstoffen.
5° de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
6° de verwerkingswijze van de aangevoerde afvalstoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
7° het afwateringsplan omvattende het schema, de organisatie en de uitvoering van de maatregelen inzake de afwatering van de inrichting en/of het terrein;
8° de maatregelen voor het opvangen van storingen of ongewenste neveneffecten en het voorkomen van hinder.

§ 2. Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthouder.

Inrichting en infrastructuur
Art. 5.2.1.4.

[§ 1. Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescher-ming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot:
° woongebieden, recreatiegebieden, landbouwgebieden, parkgebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
° de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden of ermee vergelijkbare gebieden aangewezen op de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
° de ruimtelijk kwetsbare gebieden;
° de perimeters van gebieden, afgebakend volgens of in uitvoering van internationale verdragen, overeenkomsten of richtlijnen;
° waterrijke gebieden zoals gedefinieerd in artikel 2 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
° wegen en waterwegen;
° het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische goederen;
° de waterwingebieden en de beschermingszones type I, II en III voor grondwater, afgebakend in toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, en de sub-hydrografische bekkens van oppervlaktewater bestemd voor de productie van drinkwater, afgebakend in toepassing van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging.

§ 2. Naargelang de aard van de inrichting, in ieder geval in het geval van stortplaatsen, dient bovendien rekening te worden gehouden met:
° de geo- en hydrogeologische omstandigheden in het gebied;
° de potentiële waarde van de aanwezige grondwaterlagen;
° de grondmechanische eigenschappen en stabiliteitskenmerken van het terrein, inclusief het gevaar voor overstro-mingen, verzakkingen, aardverschuivingen e.d.;
° de nabestemming van het terrein;
° de bescherming van het natuurlijke of culturele erfgoed in de omgeving. (verv. B.V.R. 13 juli 2001, art. 10, I: 16 juli 2001) ]

Art. 5.2.1.5.

§ 1. [Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 6, I: 13 februari 2004) ] behalve in het geval dat in de inrichting uitsluitend afvalstoffen afkomstig van de eigen bedrijfsactivitei-ten worden verwerkt, wordt bij de ingang van de inrichting een uithangbord van minstens 1 m² grootte aangebracht waarop duidelijk leesbaar volgende vermeldingen voorkomen:
1° de aard van de inrichting;
2° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
3° de vervaldatum van de vergunning: "vergund tot ...";
4° de normale openingsuren;
5° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
6° bij brand of onheil: telefoonnummer brandweer.

§ 2. De inrichting dient ontoegankelijk te zijn voor onbevoegden. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt de inrichting omheind met een stevige en voldoende ongeveer twee meter hoge afsluiting. Alle toegangswegen tot de inrichting worden met een poort afgesloten. De in- en uitrit voor vrachtwagens is voldoende breed om geen gevaarlijke verkeerssituaties te creëren noch op het terrein, noch op de openbare weg. De poorten worden enkel open gehouden onder toezicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde. Buiten de normale openingsuren worden de poorten op slot gehouden.

§ 3. Voldoende parkeerruimte voor voertuigen en vrachtwagens wordt aangelegd.

§ 4. De breedte, de stabiliteit en het onderhoud van de wegenis is zodanig dat een veilig verkeer wordt gewaarborgd bij alle weersomstandigheden.

§ 5. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning wordt langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5m breedte aangelegd. Het groenscherm bestaat uit streekeigen laag- en hoogstammige dichtgroeiende gewassen. De exploitant neemt de nodige maatregelen om zo snel mogelijk een efficiënt groenscherm te bekomen. -Voor nieuwe inrichtingen wordt het groenscherm aangeplant zodra de bouwwerken dat toelaten en het plantseizoen is aangebroken. Indien geen bouwwerken worden uitgevoerd , wordt het groenscherm aangeplant in het eerste plantseizoen dat bij de aanvang van de uitbating aansluit.

De uitbating
Art. 5.2.1.6.

[§ 1. De exploitant waakt over de goede werking en de zindelijkheid van de inrichting. Het personeel beschikt over de nodige onderrichtingen om de inrichting te bedienen en te onderhouden.

De exploitant zorgt ervoor dat het beheer van de inrichting gebeurt door een natuurlijke persoon die technisch bekwaam is om de inrichting te beheren. De exploitant van de inrichting zorgt ervoor dat het personeel de nodige beroeps- en technische opleiding krijgt.

De inrichting en de uitbating gebeuren zodanig dat geen afvalstoffen of zwerfvuil buiten de inrichting kunnen terechtkomen en dat zwerfvuil zoveel mogelijk wordt voorkomen.

De ganse inrichting, inclusief de in- en uitrit, de parkeerruimten en de wegenis van de inrichting worden regelmatig, indien nodig dagelijks, grondig gereinigd. Het zwerfvuil langsheen de omheining en op het terrein wordt regelmatig verwijderd, tenminste wekelijks.

§ 2. De exploitant treft de nodige schikkingen om bij defect aan de inrichting alle herstellingen zo snel mogelijk uit te voeren. Hij zorgt ervoor dat de nodige reserveonderdelen snel worden bekomen.

§ 3. De exploitant voorkomt en bestrijdt stank en stof, gas, aërosolen, rook of hinderlijke geuren met aangepaste middelen eigen aan een verantwoorde uitbating van de inrichting. De exploitant neemt alle mogelijke maatregelen om verontreinigende emissies minimaal te houden. De hinder mag noch de normaal aanvaardbare grenzen, noch de normale burenlast overschrijden.

§ 4. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning en onverminderd andere voorwaarden inzake het voorkomen van geluidshinder zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.

§ 5. De exploitant treft de vereiste schikkingen om te voorkomen dat trillingen inherent aan de uitbating schadelijk zouden zijn voor de stabiliteit van constructies of een bron van ongemak zijn voor de buurt. De trillingen van de installaties mogen niet overgedragen worden op het gebouw of de omgeving. De gedeelten van de installaties die een trillingsbron kunnen zijn worden daartoe met een trillingdempend systeem uitgerust.

§ 6. De exploitant neemt de nodige maatregelen om overlast, veroorzaakt door vogels, ongedierte en insecten te voorkomen. Het gebruik van pesticiden wordt zoveel mogelijk vermeden en vereist de goedkeuring van de toezicht-houdende overheid.

§ 7. Het is verboden dieren vrij te laten rondlopen in de inrichting.

§ 8. Het afvalwater dat ontstaat in de inrichting wordt opgevangen. Het afvalwater wordt steeds op een aangepaste wijze behandeld om daar waar mogelijk opnieuw te worden benut of om in het andere geval te worden geloosd. Iedere rechtstreekse verbinding tussen een plaats waar nog te behandelen afvalwater wordt opgevangen en een oppervlaktewater of een riool is verboden.

§ 9. De afwatering van de omliggende percelen mag niet worden gehinderd. (verv. B.V.R. 13 juli 2001, art. 11, I: 16 juli 2001) ]

Art. 5.2.1.7.

§ 1. De afvalstoffen mogen niet buiten de daartoe bestemde behandelings- of opslagruimte worden opgeslagen. De hoeveelheid in de inrichting opgeslagen afvalstoffen mag niet meer bedragen dan toegestaan in de milieuvergunning. Indien in de milieuvergunning geen hoeveelheden zijn vermeld, gelden de hoeveelheden vermeld in de aanvraag.

§ 2. Het verdunnen van afvalstoffen,zoals gedefinieerd in artikel 4.4.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, is verboden.

§ 3. De plaatsen op het terrein waar voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, worden uitgerust met een vloeistofdichte vloer zodanig dat gelekte vloeistoffen noch de bodem noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. Deze vloer wordt aangelegd met een lekdicht afwateringssysteem.

§ 4. De afwatering van de gebouwen, de installatie en het terrein wordt zó uitgevoerd dat de verontreiniging van het hemelwater zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat het niet verontreinigd hemelwater kan afvloeien of worden weggepompt. Niet verontreinigd hemelwater mag in geen geval worden gemengd met ander nog te behandelen afvalwater. Daar waar mogelijk wordt het hemelwater gebruikt voor de waterbevoorrading van de inrichting. Het opgevangen hemelwater wordt daartoe gestockeerd. Overtollig hemelwater wordt geloosd in oppervlaktewater. De lozing in riool kan slechts worden aanvaard indien geen lozing in oppervlaktewater mogelijk is en op voorwaarde dat het in de milieuvergunning is toegelaten.

§ 5. Verontreinigd hemelwater moet worden opgevangen en behandeld zoals het overige afvalwater van de inrichting.

Art. 5.2.1.8.

§ 1. De exploitant van de inrichting verwittigt tenminste tien dagen voor de geplande aan-vangsdatum van de uitbating van de inrichting met een aangetekend schrijven de toezichthoudende overheid. Nieuwe inrichtingen of installaties mogen niet in gebruik worden genomen vooraleer de toezichthoudende overheid de inrichting of installatie heeft geïnspecteerd en zich ervan heeft vergewist dat aan de opgelegde milieuvergunningsvoorwaarden wordt voldaan. Indien de toezichthou-dende ambtenaar vaststelt dat de naleving van de milieuvoorwaarden onvoldoende verzekerd is, kan hij de aanvang van de uitbating doen uitstellen.

§ 2. De exploitant is ertoe gehouden een voldoende verzekering aan te gaan inzake burgerlijke aansprakelijkheid.

§ 3. Een afschrift van alle vergunningen waarover de inrichting beschikt en het goedgekeurde werkplan, worden, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, in de inrichting ter beschikking gehouden van de toezichthouder. Het register en de resultaten en/of verslagen van de in de milieuvergunning voorgeschreven metingen en analyses worden ter beschikking gehouden van de toezichthouder en van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij en dat gedurende de volledige periode van de uitbating. Bij het beëindigen van de uitbating worden de registers bezorgd aan de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.

Brandvoorkoming en brandbestrijding
Art. 5.2.1.9.

§ 1. Behalve in daartoe geëigende en vergunde verbrandingsinstallaties is het verboden om afvalstoffen in brand te steken.

§ 2. Het is verboden ontvlambare stoffen op te slaan op iedere plaats waar de temperatuur 35°C kan overschrijden ten gevolge van warmte van technologische oorsprong.

§ 3. ...

§ 4. Tenzij in de inrichting uitsluitend onbrandbare afvalstoffen worden verwerkt, of tenzij anders bepaald in de milieuvergunning treft de exploitant met het oog op het voorkomen en bestrijden van brand volgende maatregelen:
1° ...
2° de organisatie van de brandbestrijding en de brandbestrijdingsmiddelen worden jaarlijks en de eerste maal voor de inwerkingstelling van de installatie gecontroleerd door de exploitant, zijn aangestelde of zijn afgevaardigde. De data van deze controles en de vaststellingen worden ingeschreven in het register;
3° de nodige apparatuur voor de detectie van brand of rook in de inrichting wordt aangebracht volgens de onderrichtingen van de bevoegde brandweer;
4° geschreven onderrichtingen voor het personeel inzake brandvoorkoming en brandbestrijding worden op goed zichtbare plaatsen uitgehangen;
5° ...

§ 5. De voorwaarden inzake de voorkoming en bestrijding van brand zijn van toepassing onverminderd andere voorschriften terzake.

Afdeling 5.2.2. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen
Subafdeling 5.2.2.1. Containerparken
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.1.1.

§ 1. Op een containerpark kunnen de volgende huishoudelijke afvalstoffen, voor zover uit-drukkelijk vermeld in de vergunning, selectief worden ingezameld en opgeslagen:
1° metaalafval;
2° bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
3° glasafval;
4° papier- en kartonafval;
5° textielafval;
6° kunststofafval;
7° houtafval;
8° snoeihout, tuinafval en gazonmaaisel;
9° rubberbanden;
10° afgewerkte motorolie;
11° gebruikte frituuroliën en -vetten;
12° andere in de milieuvergunning vermelde selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen.

§ 1bis. In de milieuvergunning kan worden bepaald dat bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen mogen worden aanvaard voorzover ze de normale werking van het containerpark niet hinderen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt onder "bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen" verstaan: afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als deze van de normale werking van een particuliere huishouding.

§ 2. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen ingezameld en opgeslagen worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

§ 3. Op het containerpark wordt een container opgesteld voor de opvang van de niet recupereerbare restfractie die bij het sorteren ontstaat.

§ 4. De in § 1 vermelde afvalstoffen worden steeds gescheiden opgeslagen. Tenzij anders bepaald in de milieuvergun-ning worden de afvalstoffen rechtstreeks in containers opgeslagen.

Art. 5.2.2.1.2.

In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afge-voerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.

De uitbating
Art. 5.2.2.1.3.

§ 1. De containers worden geplaatst op een vloeistofdichte vloer, die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

§ 2. De containers voor afgewerkte motorolie, die tenzij anders vermeld in de milieuvergunning een maximum inhoudsvermogen van 2 x 1.000 liter mogen hebben, worden geplaatst in een vloeistofdichte en oliebestendige inkuiping met een inhoud die tenminste gelijk is aan de inhoud van de daarin opgestelde oliecontainers.

§ 3. Het ingezamelde asbestcementafval of ander asbesthoudend afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, moet gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

§ 4. De ingezamelde elektrische en elektronische toestellen worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen. Koel- en vriestoestellen worden droog en zodanig geplaatst dat het koelcircuit niet kan beschadigd worden. Beeldschermen worden in intacte toestand opgeslagen.

Subafdeling 5.2.2.2. Inrichtingen voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.2.1.

§ 1. De afvalstoffen die in de inrichting kunnen worden opgeslagen zijn kleine gevaarlijke af-valstoffen van huishoudelijke oorsprong (verder KGA genoemd).

[§ 1bis. In de milieuvergunning kan worden bepaald dat KGA van bedrijfsmatige oorsprong dat omwille van aard, samenstelling en hoeveelheid vergelijkbaar is met KGA van huishoudelijke oorsprong, mag worden aanvaard voorzover dit KGA de normale werking van de inrichting voor het opslaan en sorteren van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong, aansluitend bij containerparken niet hindert. (ing. B.V.R. 28 november 2003, art. 10, I: 1 april 2004) ]

§ 2. Alleen KGA dat met in achtname van de bepalingen van de toepasselijke wetgeving wordt afgegeven, mag worden aanvaard.

Art. 5.2.2.2.2.

§ 1. De aanvoer, de aanvaarding, en de sortering van het KGA is enkel toegelaten mits toe-zicht van de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde.

De exploitant of voornoemde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften .

De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

§ 2. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist en worden in het register enkel ingeschreven de gegevens inzake de afgevoerde afvalstoffen en de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting.

De uitbating
Art. 5.2.2.2.3.

§ 1. De ingezamelde afvalstoffen worden onmiddellijk en uiterlijk vóór het beëindigen van zijn dagtaak door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde gesorteerd en opgeslagen op een wijze dat elk risico wordt vermeden.

§ 2. Het KGA wordt onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen van de verschillende afvalstoffen. De deelcontainers of recipinten dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijhorende gevaarsymbolen.

§ 3. De opslag van KGA gebeurt in een vloeistofdichte gecompartimenteerde container (KGA-kluis) of in een gesloten opslaglokaal, overeenkomstig het goedgekeurde werkplan.

§ 4. Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met KGA lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipiënt en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd. In de inrichting zijn daartoe voldoende reserverecipinten en absorptiemateriaal aanwezig. Lege verontreinigde recipinten en verontreinigd absorptie-materiaal wordt afgevoerd met het KGA.

Subafdeling 5.2.2.3. [Biologische behandeling van groenafval, GFT-afval en organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen (verv. BVR 19 september 2008)]
Gemeenschappelijke bepalingen
Art. 5.2.2.3.1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen, vermeld in de subrubrieken 2.2.3, a), b) en c) van de indelingslijst.

Art. 5.2.2.3.2.

In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3.3.

Buiten de openingsuren dient de composteerinstallatie te zijn afgesloten voor onbevoegden.

Art. 5.2.2.3.4.

De exploitant houdt een compostdagboek bij met vermelding van gegevens inzake temperatuurmetingen, data van het omzetten en afoogsten.

Art. 5.2.2.3.5.

§ 1. De bedrijfsvoering van de aerobe compostering moet zo zijn dat :
1° in de composthopen een aerobe gelijkmatige compostering verzekerd wordt;
2° de composteringstijd zo is dat het proces optimaal verloopt teneinde een bruikbaar eindproduct te bekomen.

§ 2. De inrichting voor aerobe compostering beschikt over een spreidplaats om de volledige compostering te verzekeren. Bij het opzetten van de composthopen wordt het te composteren materiaal voldoende bevochtigd om een goed composteringsproces te verzekeren. Tijdens het composteringsproces wordt het substraat regelmatig gekeerd zodat de aerobe omstandigheden in de hopen steeds gehandhaafd blijven. De uitrusting voor het beluchten of het keren moet aanwezig zijn.

§ 3. Tussentijdse opslag van compost dient stofvrij te gebeuren en in hopen van maximum 4 meter hoogte.

§ 4. Composteerinstallaties met een composteerruimte groter dan 10 m; dienen voorzien te zijn van een vloeistofdichte vloer, die is uitgerust met een afwateringssysteem. Het afvloeiwater wordt opgevangen, indien nodig behandeld, en opgeslagen met het oog op het gebruik ervan voor het bevochtigen van de te composteren afvalstoffen.

Inrichtingen voor het composteren van uitsluitend groenafval
Art. 5.2.2.3.6.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, a) mogen uitsluitend composteerbare afvalstoffen afkomstig van het onderhoud van tuinen en plantsoenen worden aanvaard.

Inrichtingen voor het composteren van groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval)
Art. 5.2.2.3.7.

In de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, b) mag uitsluitend het volgende groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) worden aanvaard :
1° in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 1° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een wooncomplex en/of wijk;
2° in de composteerinstallaties bedoeld in de subrubriek 2.2.3, b), 2° : GFT-afval van huishoudelijke oorsprong verbonden aan een woonwijk; de gebiedsafbakening rond de composteerinstallatie gebeurt in de milieuvergunning op basis van de capaciteit van de composteerinstallatie en het aantal inwoners dat onvoldoende mogelijkheden heeft tot thuiscomposteren; de exploitant registreert de producenten van de aangeboden afvalstoffen;
3° in de composteerinstallaties vermeld in de subrubriek 2.2.3, b), 3° : het GFT-afval omschreven in de milieuvergunning.

Art. 5.2.2.3.8.

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, mag de compost die door een composteerinstallatie, ingedeeld in klasse 3, wordt geproduceerd uitsluitend :
1° worden geleverd aan diegenen die GFT-afval hebben aangeleverd
en/of
2° worden gebruikt als bodemverbeterend middel in openbare groenvoorzieningen in de gemeente waar de inrichting wordt geëxploiteerd.

Inrichtingen voor het composteren van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen
Art. 5.2.2.3.9.

In de composteerinstallaties, vermeld in de subrubriek 2.2.3, c), mogen uitsluitend organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen worden aanvaard als omschreven in de milieuvergunning.

[Subafdeling 5.2.2.3bis. (verv. BVR 19 september 2008)]
Art. 5.2.2.3bis. 1.

De bepalingen van deze subafdeling zijn van toepassing op de inrichtingen vermeld in de subrubriek 2.2.3, d) van de indelingslijst.

Art. 5.2.2.3bis. 2.

In afwijking van de algemeen geldende bepalingen voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug, groenscherm noch afvalstoffenregister vereist voor inrichtingen ingedeeld in klasse 3.

Art. 5.2.2.3bis. 3.

In de inrichting mag uitsluitend maaisel afkomstig van het beheer van bermen en natuurgebieden worden aanvaard.

Art. 5.2.2.3bis. 4.

De bedrijfsvoering op het terrein moet zo zijn dat :
1° de opslag en voorbehandeling gecontroleerd gebeuren waarbij de biologische processen worden stilgelegd of op zijn minst dermate beperkt dat elke vorm van geurhinder of bodemverontreiniging uitgesloten is;
2° de voorbehandeling is afgestemd op de uiteindelijke verwerking.

Art. 5.2.2.3bis. 5.

...

Art. 5.2.2.3bis. 6.

...

Subafdeling 5.2.2.4. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.4.1.

§ 1. In de inrichting voor het opslaan en behandelen van ongevaarlijke afvalstoffen kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning, de volgende vaste afvalstoffen worden verwerkt:
1° selectief ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen bestaande uit papier-, hout-, karton-, textiel-, plastiek-, metaal-,glas- en rubberafval.
2° de bedrijfsafvalstoffen die omwille van de herkomst, de aard en de samenstelling vergelijkbaar zijn met de in 1° vermelde huishoudelijke afvalstoffen;
3° inerte afvalstoffen:
a) reststoffen afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken, met uitzondering van asfalt, hout, plastiek, andere kunststoffen aangewend in de bouwsector en afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten;
b) reststoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem-, mergel- en grindafzettingen);
4° inerte afvalstoffen verontreinigd met asfalt, hout, plastiek en andere kunsstoffen aangewend in de bouwsector, met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten.
5° bouw- en sloopafval met inbegrip van asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;

§ 2. Volgende afvalstoffen mogen in geen geval in de inrichting worden aanvaard:
1° gevaarlijke afvalstoffen met inbegrip van KGA, uitgezonderd, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning, asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is;
2° groente-, fruit- en tuinafval en afval van dierlijke oorsprong;
3° niet selectief ingezameld huisvuil.

§ 3. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

§ 4. In de milieuvergunning wordt bepaald welke behandelingen zoals sorteren, opslaan, overslaan, breken en persen op de afvalstoffen mogen worden uitgevoerd. Indien in de milieuvergunning daaromtrent geen gegevens zijn vermeld, gelden de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.



De uitbating
Art. 5.2.2.4.2.

§ 1. Het behandelen gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

§ 2. De opslag van de gesorteerde materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder en overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Niet nuttig toepasbare afvalstoffen mogen buiten de sorteervloer enkel in containers worden opgeslagen. De opslag van de afval-stoffen, al dan niet in containers, gebeurt op een vloeistofdichte vloer die bestaat uit een betonnen of gelijkwaardige verharding met een afwateringssysteem.

§ 3. In afwijking van § 1 en § 2 gebeurt het opslaan en behandelen van inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt op een verharde niet-vloeistofdichte bodem, zonder dat die moet uitgerust zijn met een vloeistofdichte verharding.

§ 4. Om stof en lawaai te beperken kan in de milieuvergunning, al dan niet ter aanvulling van het groenscherm, de aanleg van een aarden wal worden opgelegd.

§ 5. De exploitant treft de nodige maatregelen om lange opslagtijden en grote opslaghoeveelheden te vermijden. Afval-stoffen die niet voor nuttige toepassing in aanmerking komen en de gesorteerde materialen worden regelmatig afgevoerd. Afvalstoffen die aanleiding geven tot hinder voor de omgeving worden onmiddellijk afgevoerd.

§ 6. De verwerking van voertuigbanden moet zo gebeuren dat de banden worden gesorteerd naar de volgende categorieën:
1° die welke in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands;
2° die welke in aanmerking komen voor loopvlakvernieuwing;
3° die welke noch in aanmerking komen voor rechtstreeks hergebruik als tweedehands, noch voor loopvlakvernieuwing.

§ 7. Op bouw- en sloopafval waarin via visuele keuring vastgesteld wordt dat asbestcement aanwezig is, worden er in geen geval breekactiviteiten uitgevoerd.

Art. 5.2.2.4.3.

Het ingezamelde asbestcementafval of andere asbesthoudende afval waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, dient gescheiden van de rest van het bouw- en sloopafval te worden opgeslagen. Er mag geen enkele bewerking, andere dan het sorteren, op het asbesthoudend afval worden uitgevoerd. Alle nodige maatregelen moeten genomen worden om verspreiding van asbestvezels te voorkomen.

[Subafdeling 5.2.2.4bis. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afvalstoffen, afkomstig van één specifiek bouw- en sloopwerf of wegenwerk, waarbij minstens 50 % van de stoffen na behandeling nuttig worden aangewend op de plaats van ontstaan, waarbij de inrichting niet langer dan één jaar in exploitatie zal zijn en waarbij de inrichting zich op maximaal 1 000 m van het wegenwerk bevindt of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf (ing. BVR 23 december 2011, art. 58, I: 31 maart 2012)]
Art. 5.2.2.4bis.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 2.2.2, h), van de indelingslijst.

Art. 5.2.2.4bis.2.

In de inrichting worden alleen afvalstoffen aanvaard, opgeslagen en behandeld, afkomstig van de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk dat expliciet in het meldingsdossier is vermeld en geïdentificeerd.

De opgeslagen hoeveelheid afvalstoffen en gerecycleerde granulaten is beperkt tot de hoeveelheden, vermeld in het meldingsformulier.

In de inrichting worden alleen de volgende soorten afvalstoffen opgeslagen en behandeld :
1° inerte afvalstoffen die bestaan uit de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken;
2° niet-teerhoudend asfalt, afkomstig van het bouwen en slopen van gebouwen, kunstwerken en constructies en van wegenwerken.

De volgende afvalstoffen mogen niet verwerkt worden in de inrichting :
1° teerhoudend asfalt;
2° bouw- en sloopafval dat asbestcementafval of andere asbesthoudende bouwmaterialen waarin asbest in gebonden vorm aanwezig is, bevat;
3° bouw- en sloopafval dat vrije asbestvezels of asbeststof bevat;
4° andere gevaarlijke afvalstoffen;
5° andere niet-gevaarlijke afvalstoffen, niet vermeld in het tweede lid van dit artikel.

Art. 5.2.2.4bis.3.

De op de inrichting toegelaten handelingen zijn beperkt tot :
1° de opslag;
2° het sorteren en voorbereidende mechanische behandeling, zoals crushen met het oog op het breken;
3° het breken;
4° het zeven.

Art. 5.2.2.4bis.4.

De inrichting ligt op een afstand van maximaal 1 000 m van het wegenwerk, gemeten vanaf de perceelsgrenzen of de afgebakende werfzone van het wegenwerk, of ter plaatse (op het perceel zelf of op een aangrenzend perceel) van de bouw- en sloopwerf.

Art. 5.2.2.4bis.5.

De opslag van te breken puin en gerecycleerde granulaten is beperkt tot maximaal één jaar na de datum van de melding.

De verwerking van de afvalstoffen is beperkt tot maximaal zestig werkdagen binnen de periode van één jaar, vermeld in het eerste lid.

De termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, kunnen niet verlengd worden.

Art. 5.2.2.4bis.6.

De aanvoer en de verwerking van afvalstoffen, alsook de afvoer van gerecycleerde granulaten en restfracties, zijn verboden op weekdagen tussen 19 uur en 7 uur, en op zaterdagen, zondagen en feestdagen.

Art. 5.2.2.4bis.7.

De inrichting wordt gedurende de volledige periode van exploitatie voorzien van een vaste of tijdelijke afsluiting die de toegang voor rollend materieel onmogelijk maakt. Ook de toegangsweg wordt voorzien van een afsluitmogelijkheid.

Art. 5.2.2.4bis.8.

Aan de toegangsweg wordt op een vanaf de openbare weg goed zichtbare plaats een uithangbord geplaatst waarop duidelijk leesbaar de volgende vermeldingen zijn opgenomen :
1° « toegang verboden voor onbevoegden »;
2° de aard van de inrichting;
3° de naam, het adres en het telefoonnummer van de exploitant;
4° de normale openingsuren;
5° de datum van aanvang en beëindiging van de activiteiten;
6° het adres en het telefoonnummer van de toezichthoudende overheid;
7° bij brand of onheil : het telefoonnummer van de brandweer.

Art. 5.2.2.4bis.9.

Voor de inrichtingen bedoeld in deze subafdeling zijn de bepalingen van afdeling 4.5.5 van toepassing. Overdag wordt in afwijking van deze subafdeling het specifieke geluid in openlucht van de inrichting tijdens het mechanisch behandelen op de in artikel 1, § 3 en § 4, van bijlage 4.5.1 bij dit besluit bepaalde meetpunten zodanig beperkt dat de richtwaarde in bijlage 4.5.4 bij dit besluit, verhoogd met 20 dB(A), niet wordt overschreden. Deze bepaling is niet van toepassing ter hoogte van stiltebehoevende instellingen, waarvoor afdeling 4.5.5 blijft gelden.

Art. 5.2.2.4bis.10.

§ 1. Voor de aanvang van de mechanische behandeling van de afvalstoffen bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de overheid waarbij de melding is ingediend, en aan de bevoegde toezichthoudende overheid :
1° de datum van aanvang en de duur van de periode dat de afvalstoffen mechanisch behandeld zullen worden;
2° de afstand van de inrichting tot de specifieke bouw- en sloopwerf of het specifieke wegenwerk;
3° de identificatiegegevens van de puinbreker, zoals vastgesteld in het kader van het Geografisch Informatiesysteem (GIS);
4° een afschrift van het certificaat van de puinbreker die ingezet zal worden, afgeleverd door een geaccrediteerde keuringsinstelling in het kader van het VLAREA;
5° een beschrijving van de bronsterkte (LW) van de puinbreker in dB(A);
6° de afstand van de puinbreker tot de dichtstbijzijnde woning en stiltebehoevende instelling.

§ 2. Het register dat de exploitant met toepassing van de afvalstoffenregelgeving bijhoudt, bevat daarnaast de volgende gegevens :
1° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen te behandelen afvalstoffen;
2° op elk ogenblik : de geraamde hoeveelheid en de aard van de opgeslagen gerecycleerde granulaten;
3° de tijdstippen (dagen en uren) waarop er afvalstoffen mechanisch worden behandeld.

§ 3. Inerte afvalstoffen en niet-teerhoudend asfalt worden opgeslagen en behandeld op een vlakke verharde bodem, zonder dat uitrusting met een vloeistofdichte verharding noodzakelijk is. De afvalstoffen en gerecycleerde granulaten worden gestapeld op een veilige manier, zonder risico voor de omgeving.

§ 4. De exploitant treft de nodige maatregelen zodat afvalstoffen die niet nuttig worden aangewend binnen de bouw- en sloopwerf of het wegenwerk waarbij de inrichting hoort, regelmatig worden afgevoerd.

§ 5. De inrichting beschikt over een geijkte weeginstallatie met automatische registratie.

§ 6. Tijdens de periodes van aan- en afvoer en tijdens de mechanische behandeling is altijd een verantwoordelijke persoon aanwezig met voldoende vakbekwaamheid en kennis van de na te leven voorwaarden en de te nemen maatregelen. De exploitant deelt de naam van die persoon schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

§ 7. De exploitant treft alle nodige maatregelen om stofhinder te voorkomen en te beperken.

Er wordt zo nodig gebruik gemaakt van een sproei-installatie of sproeiwagen om de opgeslagen en te breken afvalstoffen en gerecycleerde granulaten, alsook de stofgevoelige delen van het terrein, vochtig te houden, zowel tijdens de opslagfase als tijdens het breken.

Bij het transport van bouw- en sloopafval en van afval van wegenwerken naar de inrichting en bij afvoer van gerecycleerde granulaten worden de nodige voorzieningen, zoals afdekken of bevochtigen, getroffen om ladingverlies en stofverspreiding tegen te gaan.

§ 8. De machines worden zo opgesteld dat trillingen naar de omgeving worden voorkomen.

§ 9. De puinbreker is uitgerust met een webgebaseerd informatiesysteem dat gelinkt is aan een gps-systeem. Het informatiesysteem is operationeel telkens als de puinbreker in werking is.

Het webgebaseerde informatiesysteem, vermeld in het eerste lid, laat de certificatie-instelling en de toezichthouder toe om de locatie van de productie-installatie te visualiseren, de operationaliteit te volgen en de productieperiode na te gaan. Die gegevens worden bijgehouden en opgelijst in een centrale databank die online beschikbaar is voor de certificatie-instelling en de toezichthouder.

§ 10. Binnen dertig dagen na het beëindigen van de activiteiten en binnen de periode van één jaar exploitatie, vermeld in artikel 5.2.2.4bis.5, § 1, wordt het terrein volledig schoongemaakt.

Subafdeling 5.2.2.5. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van gevaarlijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, niet elders vermeld
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.5.1.

§ 1. In een inrichting voor het op­slaan en be­hande­len van gevaarlij­ke afval­stof­fen kunnen gevaar­lijke huis­houdelijke en bedrijfsafval­stof­fen, voor zover uit­druk­kelijk vermeld in de mi­lieuvergun­ning, wor­den ver­werkt.

§ 2. Indien in de milieuvergun­ning niet be­paald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning be­perkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

§ 3. In de milieu­ver­gun­ning wordt bepaald welke be­hande­lingen op de afvalstof­fen mogen worden uitge­voerd. Indien in de milieu­ver­gun­ning daar­om­trent geen gege­vens zijn vermeld, gelden de behan­delingen die in de aanvraag zijn ver­meld.

De uitbating
Art. 5.2.2.5.2.

§ 1. De volgende voorwaarden gelden bovenop de voorwaarden die gelden voor de opslag van gevaarlijke stoffen.

§ 2. De opslag van gevaarlijke afvalstoffen dient te gebeuren in een gecompartimenteerde opslagplaats eventueel aangevuld met vaste houders of tanks voor vloeibare afvalstoffen. De afvalstoffen mogen enkel worden opgeslagen in de daartoe bestemde compartimenten, houders of tanks overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. Verborgen leidingen en/of verbindingskanalen tussen tanks of houders zijn verboden.

§ 3. De behandelings- en opslagruimten voor vloeibare afvalstoffen worden zo geconstrueerd dat accidenteel uit de reci-piënten ontsnapte vloeistoffen en morsvloeistoffen worden opgevangen. De bevloering, opvanggoten, opvangputten en inkuiping zijn ondoordringbaar en chemisch inert ten overstaan van de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning dient de inhoud van de opvangputten of de inkuiping minstens gelijk te zijn aan de hoeveelheid vloeistoffen die in het betreffende compartiment worden opgeslagen.

§ 4. Afvalstoffen met buitengewone risico's, inzonderheid samengeperste gassen en voor zelfontbranding vatbare stoffen, worden opgeslagen in een afzonderlijk gebouw, ruimtelijk gescheiden van de andere gebouwen, opslagruimten en installaties. In de milieuvergunning kunnen minimumafstanden met betrekking tot de ruimtelijke scheiding worden opgelegd.

Containers, vaten, tanks en recipiënten waarin afvalstoffen worden opgeslagen die wegens hun aard en eigenschappen ruimtelijk gescheiden opgeslagen moeten worden, mogen niet in éénzelfde inkuiping worden geplaatst.

§ 5. De containers, houders, tanks en andere recipinten:
1° dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afvalstof en de bijhorende gevaarsymbolen;
2° zijn zo geconstrueerd en geplaatst dat een vlotte en representatieve monstername van de inhoud mogelijk is;
3° worden dermate beveiligd dat ongevallen en lekken tijdens het overpompen van de afvalstoffen maximaal worden vermeden.

§ 6. In de inrichting zijn de nodige interventiemiddelen, zoals absorptiemateriaal, overmaatse vaten en beschermingsmiddelen aanwezig om bij lekkages, ondeugdelijke verpakking, morsen, en andere incidenten dadelijk te kunnen ingrijpen om de mogelijke schadelijke gevolgen maximaal te beperken.

§ 7. De exploitant beschikt over een voldoende uitgebouwde waterzuiveringsinstallatie die het afvalwater zuivert om in alle omstandigheden te voldoen aan lozingsnormen geldend voor het lozen in oppervlaktewater. Afvalwater dat niet kan behandeld worden in de afvalwaterbehandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een geschikte verwerkingsinrichting.

§ 8. De verwerking van niet-herbruikbare afgedankte elektrische of elektronische apparatuur moet op de volgende wijze gebeuren:
1° de apparaten worden ontdaan van de verschillende schadelijke onderdelen, inzonderheid die welke gevaarlijke stoffen of componenten bevatten;
2° a) minstens de volgende stoffen, preparaten en onderdelen worden selectief gedemonteerd en ingezameld voor recyclage of verwijdering in een daartoe vergunde inrichting:
1) PCB/PCT-houdende en elektrolytische condensatoren;
2) onderdelen die kwik bevatten;
3) alle batterijen en accumulatoren;
4) printplaten indien de oppervlakte van de printplaat meer dan 10 cm2 bedraagt;
5) alle tonercassettes en inkthoudende recipiënten (al of niet leeg, droge of vloeibare inkt) en inktlinten;
6) kunststoffen die gebromeerde brandvertragers bevatten;
7) asbesthoudende onderdelen;
8) alle beeldschermen, waaronder:
a) kathodestraalbuizen;
b) LCD-schermen met een oppervlak van meer dan 100 cm2 en schermen met een achtergrondverlichting met behulp van gasontladingslampen;
9) chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK's en HCFK's of fluorkoolwaterstoffen HFK's), koolwaterstoffen (HC's);
10) gasontladingslampen;
11) uitwendige elektrische kabels;
12) onderdelen die vuurvaste keramische vezels bevatten;
13) alle onderdelen die radioactieve stoffen bevatten;
14) alle vloeistoffen.
b) Volgende onderdelen moeten als volgt worden behandeld:
1) beeldbuizen: de fluorescerende laag moet worden verwijderd;
2) gasontladingslampen: het kwik moet worden verwijderd.

§ 9. De verwerking van afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikas-gassen bevatten, moet op de volgende wijze gebeuren:
1° apparaten en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, worden ontdaan van die stoffen;
2° de ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen worden gescheiden opgeslagen;
3° het isolatiemateriaal dat ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevat, wordt door middel van een gesloten ontgassingssysteem ontdaan van die stoffen in een daartoe vergunde inrichting.

§ 10. De behandeling en opslag van afgedankte batterijen en accu's in verwerkingsfaciliteiten, waaronder ook de tijdelijke opslag, vinden plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weersbestendig afgedekte en zuurbestendige containers. De behandeling omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.

Art. 5.2.2.5.3.

§ 1. De exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde beheerst voldoende scheikunde en heeft voldoende kennis van de eigenschappen en gevaren van de chemische stoffen die mogen worden aanvaard en van de bijhorende veiligheidsvoorschriften .
De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthouder.

§ 2. De gevaarlijke afvalstoffen worden bij aanvoer door de exploitant of zijn bevoegde afgevaardigde opgeslagen en behandeld op een wijze dat risico's maximaal worden vermeden.

§ 3. De gevaarlijke afvalstoffen worden onderverdeeld en samengebracht volgens de chemische samenstelling, aard of eigenschappen.

§ 4. De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afvalstoffen die met elkaar kunnen reageren tot ongecontroleerde reacties leiden of tot de vorming van schadelijke of gevaarlijke gassen of dampen.

§ 5. Als er wordt vastgesteld dat een recipiënt met gevaarlijk afval lekt, wordt het recipiënt of de inhoud ervan onmiddellijk overgebracht in een ander gepast recipint en worden de gelekte vloeistoffen opgeruimd.

§ 6. De opvangputten en de afzonderlijke opvanginrichtingen van de gecompartimenteerde opslag worden regelmatig, en tenminste na elke calamiteit, geledigd. De bekomen afvalstroom wordt op een aangepaste manier verwerkt.

§ 7. Lege verontreinigde recipiënten en verontreinigd absorptiemateriaal worden opgeslagen en behandeld volgens de aard van de stoffen waarmee ze verontreinigd zijn. Niet herbruikbare recipinten krijgen een aangepaste verwerkingswijze.

Subafdeling 5.2.2.6. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken
Art. 5.2.2.6.1.

...

De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.6.2.

§ 1. In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning, gedepollueerde en niet-gedepollueerde voertuigwrakken en onderdelen ervan worden opgeslagen en behandeld en volgende afvalstoffen afkomstig van behandeling van de voertuigwrakken tijdelijk worden opgeslagen:
- vloeistoffen, inzonderheid koelmiddelen voor airconditioning, remvloeistof, motor-, transmissie- en aandrijfolie, hy-draulische olie, brandstoffen, koelvloeistof, ruitensproeier-vloeistof;
- metalen onderdelen;
- motoroliefilters;
- gastanks;
- loodstartbatterijen;
- pyrotechnische delen van airbags/gordels;
- katalysatoren;
- voertuigbanden;
- glas;
- grote kunststofonderdelen, zoals bumpers, instrumentenborden en vloeistoftanks.

§ 2. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen kunnen opgeslagen en behandeld worden, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aanvraag zijn vermeld.

§ 3. In een inrichting voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken kunnen, voor zover uitdrukkelijk vermeld in de milieuvergunning, onder meer volgende behandelingen gebeuren:
- het aftappen van vloeistoffen;
- het demonteren van onderdelen;
- het vernietigen, met inbegrip van het indrukken.

§ 4. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke behandelingen kunnen gebeuren, is de vergunning beperkt tot de behandelingen die in de aanvraag zijn vermeld.

§ 5. In afwijking van de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtingen voor het opslaan en behandelen van voertuigwrakken, ingedeeld in klasse-2 of -3.

De uitbating
Art. 5.2.2.6.3.

§ 1. Overeenkomstig de algemeen geldende voorwaarden voor inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen, worden de plaatsen op het terrein waar voor het milieu schadelijke vloeistoffen op de bodem kunnen lekken, uitgerust met een vloeistofdichte vloer. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning is deze vloeistofdichte vloer uitgerust met een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofafscheider en slibvangput, zodat gelekte vloeistoffen noch de bodem, noch het grond- of oppervlaktewater kunnen verontreinigen. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden. Deze bepalingen gelden inzonderheid voor volgende plaatsen:
1° de stelplaatsen voor lekkende voertuigwrakken;
2° de plaatsen waar niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen of gedepollueerd;
3° de plaatsen waar gedepollueerde voertuigwrakken worden opgeslagen;
4° de opslagplaatsen voor batterijen en vloeistofhoudende recipiënten of onderdelen;
5° de plaatsen waar voertuigen of onderdelen worden gereinigd;
6° de plaatsen waar voertuigwrakken worden vernietigd, met inbegrip van indrukken;
7° andere plaatsen bepaald in de milieuvergunning.

§ 2. Niet-gedepollueerde voertuigwrakken worden zo geplaatst dat nog aanwezige vloeistoffen niet uit het wrak kunnen lekken. Niet-gedepollueerde voertuigwrakken mogen niet worden gestapeld, behalve met gebruik van stapelrekken voor zover dit in de milieuvergunning is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, niet meer dan 3 m bedragen.

§ 3. Het stapelen van gedepolueerde voertuigwrakken, al dan niet met gebruik van stapelrekken, kan enkel gebeuren voor zover het in de milieuvergunning is toegelaten. De stapelhoogte mag, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, niet meer dan 3 m bedragen.

Art. 5.2.2.6.4.

§ 1. De procesafhandeling in de daartoe specifiek bestemde en ingerichte ruimten, die duidelijk van elkaar gescheiden zijn, verloopt als volgt:
1° inzameling van de voertuigwrakken;
2° tijdelijke opslag van de niet-gedepollueerde voertuigwrakken;
3° tijdelijke opslag van de gedepollueerde voertuigwrakken;
4° opslag van vloeistoffen en andere materialen;
5° opslag van onderdelen;
6° opslag van afval;
7° verwerking en verdere opslag.

Het verwerkingsproces moet zodanig georganiseerd zijn dat de voor het milieu gevaarlijke stoffen zo snel mogelijk verwerkt worden.

§ 2. De demontage, het vernietigen met inbegrip van het indrukken en elke andere behandeling van voertuigwrakken wordt steeds voorafgegaan door een depollutie van het wrak, met uitzondering van opslagplaatsen van maximaal 5 voertuigwrakken behorend bij uitsluitend werkplaatsen voor het nazicht, het herstellen en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaaamheden), en op voorwaarde dat de gedemonteerde onderdelen rechtstreeks worden ingezet bij de herstelling.

De materialen en onderdelen van het wrak worden zodanig verwerkt dat de shredderresidu's optimaal nuttig toegepast kunnen worden en geenszins als gevaarlijke afvalstof verwerkt of verwijderd worden.

De depollutie bestaat uit het verplicht ontdoen of gescheiden inzamelen van alle vloeistoffen, tenzij ze nodig zijn voor het hergebruik van de onderdelen in kwestie, en van polluerende of schadelijke bestanddelen in het voertuigwrak zodra het ingeleverd wordt, voorafgaand aan elke verdere behandeling, en meer bepaald:
1° aftappen en afzonderlijk opslaan van de vloeistoffen;
2° aftappen van de koelmiddelen voor airconditioning met een gesloten systeem;
3° leegmaken van de remvloeistoftank;
4° aftappen van de motorolie, transmissieolie en de aandrijfolie;
5° demonteren van de motoroliefilter;
6° leegmaken van de brandstoftank door gebruik te maken van rechtstreekse afzuiging in de tank of van een spatvrij leegloopsysteem;
7° aftappen van het differentieel en eventueel van het verdeeldrijfwerk;
8° aftappen van de olie van de stuurinrichting of stuurbekrachtiging;
9° aftappen van hydraulische oliën uit wielophangingssystemen;
10° aftappen van koelvloeistof;
11° aftappen van ruitensproeiervloeistof;
12° demonteren van eventuele gastanks;
13° demonteren van de loodstartbatterijen; De kosten voor de nazorgactiviteiten worden berekend, rekening houdende met de bepalingen in subafdeling 5.2.4.5.
14° onschadelijk maken van pyrotechnische delen van airbags/gordels;
15° demonteren van katalysatoren en andere gevaarlijke onderdelen.
16° demonteren of gescheiden inzamelen van de onderdelen en materialen die gemerkt of herkenbaar gemaakt moeten worden overeenkomstig bijlage I bij het koninklijk besluit van 19 maart 2004 houdende productnormen voor voertuigen.

Het aftappen van de vloeistoffen gebeurt zo grondig mogelijk. Onderdelen die belangrijke hoeveelheden vloeistof bevatten, die moeilijk afgetapt kunnen worden en waarbij bij het demonteren vloeistof kan weglekken, worden zo veel mogelijk van het wrak gedemonteerd. Na het aftappen worden de aftappluggen weer aangebracht.

§ 3. Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen in § 2 worden lekkende voertuigwrakken onmiddellijk ontdaan van de betreffende nog aanwezige vloeistoffen.

§ 4. De demontage of ontmanteling bestaat uit het ontdoen van het voertuigwrak van zo mogelijk nuttig toe te passen onderdelen, met inbegrip van vervangingsonderdelen met het oog op hergebruik.

Volgende materialen en onderdelen worden gedemonteerd en selectief ingezameld met het oog op recycling:
1° katalysatoren;
2° metalen onderdelen die koper, aluminium en magnesium bevatten, indien deze metalen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
3° banden en grote kunststofonderdelen zoals bumpers, instrumentenbord, vloeistoftanks, indien deze materialen na shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze als materialen kunnen teruggewonnen worden;
4° glas, indien dit glas na shredding niet zo wordt gescheiden dat het als materiaal kan teruggewonnen worden.

De onderdelen van afgedankte voertuigen dienen als volgt verwerkt:
1° herbruikbare onderdelen worden hergebruikt, rekening houdend met de eisen inzake veiligheid; meer bepaald dient een eventueel verbod van de constructeur op het in de handel brengen van de veiligheidsonderdelen van het ingeleverde afgedankte voertuig te worden geëerbiedigd.
2° niet-herbruikbare onderdelen worden zoveel mogelijk nuttig toegepast waarbij, voorzover daartegen geen milieubezwaren bestaan de voorkeur wordt gegeven aan recycling.

§ 5. Grote opslaghoeveelheden en lange opslagtijden worden vermeden. Daartoe worden alle opgeslagen materialen, voor herbruik gedemonteerde wisselstukken uitgezonderd, regelmatig afgevoerd.

§ 6. De opslaghandelingen worden zodanig verricht dat schade aan onderdelen die vloeistoffen bevatten of aan onderdelen voor nuttige toepassing en reserveonderdelen voorkomen wordt.

Art. 5.2.2.6.5.

§ 1. De uit de wrakken verwij­der­de vloeistof­fen wor­den bewaard in de daarvoor be­stemde ge­sloten vaten of tanks overeenkomstig het goed­ge­keurde werkplan. Ieder vat of tank draagt een dui­de­lijk lees­bare ver­melding van de in­houd en de over­een­stem­mende gevaar­symbo­len.
Vaten met vloeistoffen worden geplaatst op een over­dekte vloei­stofdich­te vloer uitgerus­t met een opvang­systeem voor lekvloei­stoffen. De ver­schil­len­de soor­ten oliën en vloei­stoffen worden apart gehouden en mo­gen in geen ge­val worden ge­mengd.

§ 2. De batterijen worden opgeslagen op een over­dek­te, inge­kuipte ­zuur­besten­dige en vloei­stof­dichte vloer. Andere uitvoe­ringsvor­men voor de opslag­ruim­te voor batterijen dienen de goed­keuring van de toe­zicht­hou­den­de overheid te dragen.

§ 3. In de inrichting is voldoende absorptiema­te­riaal aanwe­zig. Ver­ont­reinigd absorp­tiema­teriaal wordt afge­voerd naar een daartoe ge­schikte inrich­ting.

Subafdeling 5.2.2.7. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van schroot
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.7.1.

§ 1. In een inrichting voor het op­slaan en be­han­de­len van schroot kunnen, voor zover uit­drukkelijk ver­meld in de milieu­vergunning, vol­gen­de afval­stoffen worden aanvaard:
- ferro- en non-ferroschroot.

§ 2. Schroot in de vorm van recipiënten zoals vaten, tanks of buisvormige structuren die gevaarlijke stoffen hebben bevat of ermee verontreinigd zijn, kan maar op de inrichting worden aanvaard voor zover de recipiënten :
1° ofwel leeg zijn en gereinigd werden;
2° ofwel leeg zijn en maximaal een dunne laag verf en/of inkt bevatten die een stevige en hechtende bekleding vormt.

§ 3. Wit schroot of afgedankte consumptiegoe­deren die gassen of vloeistof­fen bevatten kun­nen slechts worden behandeld indien het in de milieuvergunning is toege­laten. In de milieu­ver­gunning kunnen bijko­mende voorwaarden worden opgelegd naargelang de aard van de behandelingen die op de afvalstoffen mogen gebeu­ren.

§ 4. Indien in de milieuvergun­ning niet be­paald is welke afvalstoffen kunnen worden aanvaard, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de aan­vraag zijn vermeld.

§ 5. Indien in de milieuvergun­ning niet be­paald is welke behandelingen kunnen gebeu­ren, is de vergun­ning beperkt tot de behande­lingen die in de aanvraag zijn ver­meld.

§ 6. In afwijking van de algemeen geldende voor­waar­den voor inrichtingen voor de verwer­king van afval­stoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtin­gen voor het opslaan en behan­delen van schroot, ingedeeld in klasse 3.

De uitbating
Art. 5.2.2.7.2.

§ 1. Tenzij anders bepaald in de mi­lieuvergun­ning worden ferro- en non­fer­ro­schroot opge­sla­gen op een vloei­stof­dichte vloer aangesloten op een lekdicht afwateringssysteem dat voorzien is van een koolwaterstofaf­scheider en slibvangput of in vloei­stof­dich­te con­tai­ners over­een­kom­stig het goed­ge­keur­de werk­plan. De goede werking van de koolwaterstofafscheider wordt altijd verzekerd. De koolwaterstofafscheider wordt zo dikwijls geledigd en gereinigd als nodig is om de goede werking ervan te waarborgen. De exploitant inspecteert daarvoor om de drie maanden de afscheider. Van de inspecties wordt een logboek bijgehouden.

§ 2. Tenzij anders bepaald in de milieuvergun­ning gebeu­ren de behandelin­gen op een vloei­stofdichte vloer met een afwate­ringssys­teem.

§ 3. De sta­pel­hoog­te mag, ten­zij an­ders be­paald in de mi­lieu­ver­gun­ning, niet meer dan 3 m be­dra­gen. Grote op­slag­hoe­veel­heden en lange opslag­tijden wor­den ver­meden. Daar­toe worden alle opgeslagen mate­rialen regel­ma­tig afge­voerd.

Subafdeling 5.2.2.8. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van afgewerkte olie
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.8.1.

§ 1. In de inrichting voor het op­slaan en ­be­hande­len van afgewerkte olie mogen uit­slui­tend die soorten afgew­erkte olie worden aan­vaard die in de milieuver­gunning zijn vermeld. In­dien in de ver­gun­ning geen soorten zijn ver­meld is de ver­gun­ning beperkt tot de soor­ten ver­meld in de aan­vraag.

§ 2. In de milieu­ver­gun­ning wordt bepaald welke be­hande­lin­gen op de afvalstof­fen mogen worden uitge­voerd. Indien in de milieu­ver­gun­ning daar­om­trent geen gege­vens zijn vermeld, gelden de behan­delingen die in de aanvraag zijn ver­meld.

§ 3. In afwijking van de algemeen geldende voor­waar­den voor inrichtingen voor de verwer­king van afval­stoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtin­gen voor het opslaan en behan­delen van afgewerkte olie.

De uitbating
Art. 5.2.2.8.2.

§ 1. De opslag van afgewerkte olie moet vol­doen aan de voor­waarden voor het opslaan van brandbare vloeistoffen met een ontvlam­mings­punt hoger dan 55 °C en lager dan of gelijk aan 100 °C.

§ 2. De exploitant van een inrichting voor het op­slaan of behande­len van af­gewerkte olie moet over vol­doen­de tech­ni­sche mid­delen be­schikken om afge­werk­te olie op te slaan of te behande­len, zonder ver­ont­reiniging van het mi­lieu te ver­oor­za­ken. De ex­ploi­tant van een inrichting voor het behan­delen van afgewerk­te olie moet beschikken over een vol­doen­de uitge­bouwde wa­terzuive­ringsinstallatie die het bij het behan­de­len vrij­komen­de afvalwater zuivert om in alle omstandigheden aan lozingsnor­men gel­dend voor het lozen in opper­vlak­tewater te voldoen. Afvalwater dat niet kan behan­deld worden in de afval­water­behan­delingsinstalla­tie wordt afge­voerd naar een ge­schik­te ver­wer­kings­in­rich­ting.

§ 3. De opslagtanks en houders voor afgewerk­te olie zijn zo geconstru­eerd en geplaatst dat een vlotte en repre­sen­ta­tieve mon­stername van de inhoud mogelijk is.

§ 4. Het is verboden in de voor afgewerkte olie ver­gunde op­slag­tanks of houders andere stof­fen te be­waren.

§ 5. Het is verboden aan afgew­erkte olie, wa­ter, oplos­midde­len of enig andere stof toe te voegen.

§ 6. De residu's die tijdens de opslag van af­gew­erkte olie ont­staan, wor­den afgegeven aan een geschikte verwer­kings­in­rich­ting.

Art. 5.2.2.8.3.

[... (opgeh. B.V.R. 17 december 1997, art. 9.1., I: 1 juni 1998)]

Art. 5.2.2.8.4.

[... (opgeh. B.V.R. 28 november 2003, art. 16, I: 1 april 2004)]

5.2.2.8.5.

[... (opgeh. B.V.R. 28 november 2003, art. 16, I: 1 april 2004)]

5.2.2.8.6.

§ 1. De exploitant van een ver­gun­de opslag­plaats voor afge­werkte olie stelt een bank­ga­rantie ten gunste van de Openbare Vlaamse Afvalstof­fen­maat­schappij.

§ 2. Het bedrag van de bankgarantie wordt vastge­steld op 49,58 euro per ku­bie­ke meter ver­gunde op­slag­capa­ci­teit. Het bewijs van de gegeven bankga­rantie wordt binnen de dertig dagen na bete­ke­ning van de vergun­ning over­ge­legd aan de Openbare Vlaamse Afvalstof­fen­maat­schappij alsmede aan de toezicht­hou­dende ambtenaar.

§ 3. De bankga­rantie kan mits akkoord van de Openbare Vlaamse Afvalstof­fen­maat­schappij gelicht worden wanneer over­eenkomstig de bepa­lingen van dit regle­ment en de voor­schriften van de milieuvergunning alle afgew­erkte olie uit de in­richting is ver­wijderd en de exploi­tant geen nieuwe afgewerkte olie meer aan­voert in de in­richting.

§ 4. De toezichthou­dende ambtenaar bezorgt een schrifte­lijk ver­slag hier­om­trent aan de Openbare Vlaamse Afvalstof­fen­maat­schappij. Deze kan desge­val­lend de bank­garan­tie aanwenden voor de ambts­halve verwer­king van de afval­stoffen.

§ 5. De bepalingen omtrent de bankgarantie gelden niet voor de opslag van afge­werk­te olie die ontstaat bij gara­ges, machine­parken en herstel- of onder­houds­werk­plaat­sen, noch voor de op­slag op contai­nerpar­ken, noch voor de opslag rechtstreeks ver­bon­den aan inrich­tingen voor de ver­bran­ding van afgew­erkte olie.

Subafdeling 5.2.2.9. Inrichtingen voor het reinigen van recipienten waarin stoffen werden opgeslagen of vervoerd
Art. 5.2.2.9.1.

De volgende voorwaarden gelden voor de rei­nigings­activiteit onver­minderd de voor­waar­den die gelden voor andere activitei­ten zoals het uit­blut­sen, stralen en verven ­van meta­len of andere mate­ria­len.

De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.9.2.

§ 1. In de inrichting voor het reini­gen van recipi­ënten kun­nen, voor zover uitdruk­ke­lijk ver­meld in de mi­lieuvergunning, lege recipi­nten wor­den gereinigd. Onder recipi­nten worden zowel va­ten, tanks, tank­wa­gens, spoor­wegwagons, bul­kwagens als schepen be­doeld.

§ 2. Indien in de milieu­ver­gun­ning niet be­paald is welke recipi­nten kunnen worden gereinigd, is de ver­gunning beperkt tot de recipiënten die in de aan­vraag zijn ver­meld.

§ 3. In de milieu­ver­gun­ning wordt bepaald welke be­hande­lingen op de afvalstof­fen mogen worden uitge­voerd. Indien in de milieu­ver­gun­ning daar­om­trent geen gege­vens zijn vermeld, is de vergunning beperkt tot de behandelin­gen die in de aanvraag zijn ver­meld.

§ 4. Voor het uitbranden van recipiënten gel­den de voorwaarden die gelden voor het ver­branden van afvalstoffen die overeen­komen met de stoffen die de recipiënten hebben bevat.

§ 5. In afwijking van de algemeen geldende voor­waar­den voor in­richtingen voor de verwer­king van afval­stoffen is geen weegbrug vereist voor inrichtin­gen voor het reinigen van reci­piënten waarin stoffen werden opgesla­gen of vervoerd.

De uitbating
Art. 5.2.2.9.3.

§ 1. De constructie van de reini­gings­in­richting is zoda­nig dat op geen enkele wijze afval­stof­fen in het milieu kunnen te­rechtkomen.
De vloeren van de reinigingsinrich­ting, de reinigings­ba­nen, de opvanggo­ten en de afvoer­kanalen, zijn vloei­stofdicht en che­misch inert ten over­staan van de afval­stoffen die ermee in contact kunnen komen.

Elke verbinding tussen de eigenlijke rei­ni­gingsinrich­ting en een grondwater­laag, een openbare riolering, een oppervlaktewa­ter of een verzamelbekken voor opper­vlak­tewa­ters is verboden.

§ 2. De exploitant van een inrichting voor het reini­gen van reci­piënten moet beschikken over een vol­doende uit­ge­bouw­de wa­ter­zui­ve­ringsin­stallatie om de bij het reinigen vrijko­mende afvalwaters te zuive­ren om in alle omstandig­heden aan lozings­nor­men gel­dend voor het lozen in opper­vlak­tewater te voldoen. Afval­water dat niet kan behan­deld worden in de afval­water­behan­de­lingsinstalla­tie die­nt te worden afge­voerd naar een ge­schikte ver­wer­kings­in­rich­ting.

De hele afvalwa­terbe­hande­lingsin­stal­latie is vloeistof­dicht en chemisch inert ten over­staan van de afval­stromen die erin behan­deld wor­den.

Behalve het lozingspunt van het effluent, mag er geen enkele verbinding be­staan tus­sen de afvalwater­behan­delingsin­stallatie en een grondwaterlaag, een open­bare rio­lering, een oppervlak­tewater of een ver­zamel­bek­ken voor opper­vlaktewa­ters.

§ 3. De restladingen en de spoelwaters die niet kun­nen worden behan­deld in de afval­water­behandelings­installa­tie, en de afval­stoffen die ontstaan na de be­han­de­ling worden afge­voerd naar een ge­schikte ver­wer­kings­in­rich­ting.

§ 4. De constructie van de opslagruimten van vloei­bare afval­stof­fen en de eigen­lijke reini­gingsruimten is zoda­nig dat wegstromende vloeistof­fen en mors­vloei­stoffen worden opge­van­gen. De bevloe­ring, op­vang­goten en op­vangputten zijn vloei­stofdicht en che­misch inert ten overstaan van de vloeistoffen die ermee in contact kunnen komen.

§ 5. De exploitant treft de nodige maatregelen om te voorkomen dat afval­stoffen die met el­kaar kunnen reageren tot ongecon­troleerde reacties leiden of tot de vor­ming van schade­lijke of gevaarlijke gassen of dam­pen.

§ 6. De containers of vaten waarin de afvalstof­fen van de reini­gings­activiteiten wor­den opge­sla­gen:
1° mogen enkel worden opgeslagen in de daar­toe be­stemde op­slag­ruimten op een opper­vlak dat vloei­stof­dicht en chemisch inert is ten overstaan van de afval­stof­fen die zich in deze containers of vaten be­vinden; 2° worden in een inkuiping ge­plaatst die vloeistof­dicht en che­misch inert is ten over­staan van de afval­stof­fen die zich in deze con­tainers of vaten bevinden; de in­houd van deze inkuiping dient zodanig te zijn dat deze al de erin opgeslagen vloei­stof­fen kan bevat­ten.
3° dragen een duidelijk leesbare vermelding van de aard van de afval­stof en de bijho­rende gevaarsymbo­len.

§ 7. Bij het reinigen van recipiënten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35 °C, bevat hebben, met uitzondering van vaten :
1° worden de recipiënten koud voorgespoeld;
2° wordt het spoelwater gesloten afgevoerd naar de afvoergoot, bijvoorbeeld door aan de uitstroomopening van de tank een afvoerslang te koppelen die uitmondt onder het waterniveau van de afvoergoten;
3° wordt het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.

8. Bij het reinigen van vaten wordt, zowel bij het spoelen van de vaten met behulp van een organisch oplosmiddel of een zuur, als bij het spoelen van de vaten die vluchtige organische producten, met een dampspanning van meer dan 13,3 kPa bij een temperatuur van 35° C bevat hebben, met behulp van warm of heet water of loog :
1° de lucht afgezogen en behandeld met een gaswasser, een actiefkoolfilter, een naverbrander, een biofilter of een ander gelijkwaardig behandelingssysteem;
2° het zuiveringsslib afgedekt opgeslagen.

§ 9. Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in paragraaf 8, vanaf 1 januari 2015.

Subafdeling 5.2.2.10 Inrichtingen voor het opslaan en verwerken van dierlijk afval
Art. 5.2.2.10.1.

§ 1. De inrichting omvat een rein en een onrein gedeelte, die gescheiden zijn om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen.

§ 2. Het onreine gedeelte van het bedrijf omvat de ruimten voor het in ontvangst nemen van de dierlijke bijproducten, alle behandelingsruimten van het productieproces tot en met de warmtebehandelingssystemen, de zuiveringsinstallaties voor afvallucht en afvalwater.

§ 3. Het reine gedeelte van het bedrijf omvat de opslag en behandelingsruimten voor de stoffen die een warmtebehandeling hebben ondergaan.

§ 4. De verwerking van de afvalstoffen gebeurt in een gesloten verwerkingsinstallatie.

De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.2.10.2.

§ 1. De aangevoerde afvalstoffen moeten uiterlijk binnen 24 uur na aanvoer zijn verwerkt.

§ 2. In uitzonderlijke gevallen kunnen voldoend gekoelde afvalstoffen in gekoelde gesloten ruimten langer worden bewaard.

§ 3. Huiden worden zo spoedig mogelijk na het vrijkomen gekoeld bewaard.

De inrichting en infrastructuur
Art. 5.2.2.10.3.

§ 1. Op elke plaats van de inrichting waar zij ontstaat, wordt geurbeladen afvallucht afgezogen en naar een aangepaste zuiveringsinstallatie gevoerd. De afvallucht wordt alleszins afgezogen in de ontvangstruimte, de opslagruimte en boven de breek- of maalinstallatie.

§ 2. De afvalgassen van de warmtebehandelingsinstallatie worden naar een aangepaste zuiveringsinstallatie geleid.

§ 3. Het afvalwater van de inrichting moet gemakkelijk kunnen wegvloeien naar geschikte opvangputten.

§ 4. Het afvalwater wordt behandeld in een aangepaste afvalwaterbehandelingsinstallatie tot het beantwoordt aan de lozingsnormen en zonder geurhinder te veroorzaken.

§ 5. Afvalwater dat afkomstig is uit de onreine zone moet C voor zover dat praktisch uitvoerbaar is C zo worden behandeld dat er geen ziekteverwekkers meer aanwezig zijn.

Art. 5.2.2.10.4.

De procedures, methodes en apparatuur voor monsterneming van de verwerkte producten dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsternemingen wordt vooraf goedgekeurd door een ter zake erkende milieudeskundige, tenzij de monsternemingen door een ter zake erkende milieudeskundige of laboratorium zelf worden uitgevoerd.

Art. 5.2.2.10.5.

...

Art. 5.2.2.10.6.

...

De verwerking
Art. 5.2.2.10.7.

...

Art. 5.2.2.10.8.

...

Art. 5.2.2.10.9.

...

Art. 5.2.2.10.10.

...

Hygiëne-eisen voor de eindprodukten
Art. 5.2.2.10.11.

...

Controle
Art. 5.2.2.10.12.

...

Art. 5.2.2.10.13.

...

Verplichtingen voor de overheid
Art. 5.2.2.10.14.

...

[Subafdeling 5.2.2.11. Inrichtingen voor het behandelen van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, een rioolwaterzuiveringsinstallatie]
Art. 5.2.2.11.1.

Deze subafdeling is van toepassing op inrichtingen voor de behandeling van afvalstoffen in, of deel uitmakend van, rioolwaterzuiveringsinstal­laties. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 64, I: 1 mei 1999)]

Art. 5.2.2.11.2.

§ 1. In afwijking van artikel 5.2.1.2 is geen weegbrug vereist.

§ 2. In afwijking van artikel 5.2.1.3 moet het werk­plan enkel omvatten:
1° de organisatie van de aanvoer van de afvalstoffen;
2° de organisatie van de verwerking van de aange­voer­de afvalstoffen;
3° de organisatie van de afvoer van de afvalstoffen;
4° de verwerkingswijze van de aangevoerde afval­stoffen indien de inrichting (tijdelijk) buiten werking is;
5° de maatregelen voor het opvangen van ongewenste neveneffecten en het voorkomen van de hinder.

§ 3. In afwijking van artikel 5.2.1.5, § 1, moet geen uithangbord worden voorzien. (ing. B.V.R. 19 januari 1999, art. 64, I: 1 mei 1999)]

[Subafdeling 5.2.2.12. Thermische grondreinigingsinstallaties (ing. BVR 23 december 2012, art. 59, I: 31 maart 2012)]
Art. 5.2.2.12.1.

Deze subafdeling is van toepassing op die installaties, vermeld in rubriek 2.2.5 van de indelingslijst, die bestemd zijn voor het reinigen van uitgegraven bodem door middel van verhittingsprocessen.

Voor inrichtingen die voor 1 januari 2012 vergund zijn, gelden de verplichtingen, vermeld in deze subafdeling, vanaf 1 januari 2015.

Art. 5.2.2.12.2.

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden van hoofdstuk 4.4 geldt voor de parameters in de volgende tabel de aangegeven emissiegrenswaarde :

parameters

emissiegrenswaarden bij een zuurstofgehalte van 11 %

daggemiddelde

in mg/Nm3

halfuurwaarde

in mg/Nm3

CO

50

100

totaal stofdeeltjes

10

30

gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organische koolstof

10

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt in HCl

10

60

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt in HF

1

4

zwaveldioxide (SO2)

50

200

stikstofoxiden, uitgedrukt in NO2

200

400

kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg

0,03

0,05

gemiddelde over minimaal 6 uur en maximaal 8 uur in ng TEQ/Nm3

dioxinen en furanen

0,1

 



Met behoud van de toepassing van de andere bepalingen van hoofdstuk 4.4, wordt de concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, minstens met de onderstaande frequentie gemeten :

meetfrequentie

CO, zwaveldioxiden, stikstofoxiden

continu

dioxinen en furanen

tweemaal per jaar

de andere parameters

om de drie maanden

 



De metingen, vermeld in het tweede lid, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010, of door de exploitant zelf met apparatuur en volgens een methode die zijn goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

[Subafdeling 5.2.2.13. Inrichtingen voor het opslaan en behandelen met vochtige hitte van infectieuze afvalstoffen (ing. BVR 29 november 2013, art. 4, I: 1 januari 2014)]
Art. 5.2.2.13.1.

Deze subafdeling is van toepassing op de inrichtingen die ingedeeld zijn in subrubriek 2.3.13 van de indelingslijst.

In deze inrichtingen mogen infectieuze afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie als vermeld in artikel 1.2.1, 74° /1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, worden verwerkt.

De algemene voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.1.2, § 2 en § 3, en artikel 5.2.1.5, zijn niet van toepassing op de inrichtingen die alleen afvalstoffen behandelen die afkomstig zijn van bedrijfseigen activiteiten.

Art. 5.2.2.13.2.

De decontaminatie-installatie wordt zodanig gebouwd, uitgerust en geëxploiteerd dat de afvalstoffen zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden gedecontamineerd met behulp van vochtige hitte. Technieken die werken met droge hitte zijn niet toegestaan.

De voorwaarden voor temperatuur en druk zijn beschreven in bijlage 5.2.2.13.A en 5.2.2.13.B.

De werkingsdruk van het toestel is aangepast aan de werkingstemperatuur zodat altijd gegarandeerd is dat de opgewekte stoom verzadigd is. De decontaminatiefase start als de vooropgestelde temperatuur en druk bereikt zijn.

Alleen als alle bepalingen van de code van goede praktijk, vemeld in bijlage 5.2.2.13.C, nageleefd worden, kan er gesproken worden van een afdoende decontaminatie.

Art. 5.2.2.13.3.

De inrichting omvat een rein en een onrein deel, die op passende wijze zijn gescheiden om besmetting of herbesmetting van de eindproducten te voorkomen. Het onreine deel omvat de ruimte voor de opslag van de niet-behandelde afvalstoffen en de decontaminatieapparatuur. Het reine gedeelte omvat de opslag van de stoffen die de decontaminatiefase hebben ondergaan.

De aangevoerde infectieuze afvalstoffen worden zo spoedig mogelijk en minstens wekelijks verwerkt. De verwerkingsfrequentie wordt afgestemd op de opslagcapaciteit van de ruimte waar het afval wordt opgeslagen in afwachting van decontaminatie.

Gassen en dampen worden over een HEPA-filter geleid voor ze door de installatie worden uitgestoten.

De decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.

De monitoring van de decontaminatie-installatie beantwoordt aan de bepalingen van bijlage 5.2.2.13.C.

De geregistreerde gegevens worden geklasseerd en gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.

De meetapparaten worden regelmatig geijkt door de instantie of persoon die verantwoordelijk is voor het onderhoud. In geval van abnormale werkingsomstandigheden worden voorzieningen getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.

Art. 5.2.2.13.4.

De decontaminatie-installatie bevat een onderhoudsprogramma en een onderhoudsprotocol die minstens de onderhoudsbeurten van bijlage 5.2.2.13.C omvatten.

De decontaminatie-installatie wordt gedocumenteerd in een logboek dat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 5.2.2.13.C, omvat.

De procesparameters die zijn geregistreerd per decontaminatiecyclus en de resultaten van het onderhoudsprogramma worden gedurende minstens twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Art. 5.2.2.13.5.

 § 1. De installatie voldoet aan de volgende keuringen :
1° door een keuring bij ingebruikname toont de exploitant dat de installatie volgens de vooropgestelde procesparameters opereert, de registratieapparatuur correct gekalibreerd is en er een afdoende afdoding plaatsvindt van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen;
2° via een periodieke keuring toont de exploitant aan dat de installatie nog altijd in staat is om een afdoende afdoding van pathogene en/of genetisch gemodificeerde micro-organismen te verzekeren. Initieel wordt deze controle maandelijks uitgevoerd. Na een periode van twaalf maanden waarin alle maandelijkse keuringen een gunstig resultaat opleveren, wordt de keuring om de drie maanden uitgevoerd;
3° na gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op de goede werking van de installatie wordt met een uitzonderlijke keuring aangetoond dat de goede werking gegarandeerd blijft. Dat gebeurt in elk geval na een reparatie, na een defect en bij elke significante wijziging van het te verwerken afval.

Voor het testorganisme van biologische indicatoren worden sporen gebruikt van Bacillus subtilis, Geobacillus stearothermophilus of een ander organisme waarvan kan worden aangetoond dat het minstens een gelijke weerstand heeft tegen decontaminatie met vochtige stoom.

§ 2. De rapporten van de prototypekeuring, de keuring bij ingebruikname en de protocollen voor periodieke en uitzonderlijke keuring worden gevalideerd door de technisch deskundige. De validaties worden aangevraagd door de exploitant van de installatie en worden op zijn kosten uitgevoerd.

Deze documenten en het validatiedocument worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

De rapporten van de periodieke en uitzonderlijke keuringen worden, samen met het logboek van onderhoud, reparaties en belading, in de inrichting gedurende twee jaar ter inzage gehouden van de toezichthouder.

Art. 5.2.2.13.6.

 De risicohoudende medische afvalstoffen die een decontaminatiecyclus hebben doorlopen, worden pas vrijgegeven als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen als de geregistreerde procesparameters gecontroleerd zijn door de verantwoordelijke voor de decontaminatie. Daarvoor tekent hij een vrijgaveformulier dat op verzoek van de geregistreerde inzamelaar kan worden voorgelegd. Als de procesparameters of de resultaten van de biologische controle na het proces afwijken van de voorschriften, worden de afvalstoffen behandeld als risicohoudende medische afvalstoffen.

Art. 5.2.2.13.7.

Er worden preventieve maatregelen voor de werknemers getroffen overeenkomstig bijlage 5.2.2.13.C.

Afdeling 5.2.3. Verbrandingsinrichtingen voor afvalstoffen
Subafdeling 5.2.3.1. Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandingsinrichtingen
Art. 5.2.3.1.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Afwijking houtkachels
Art. 5.2.3.1.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Uitbating
Art. 5.2.3.1.3.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Rookgasemissies en schoorsteenhoogte
Art. 5.2.3.1.4.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.1.5.

Vafvalstoffen X Cafvalstoffen + Vproces X Cproces

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Afvalwater
Art. 5.2.3.1.6.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Verwerking van verbrandingsresten
Art. 5.2.3.1.7.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Metingen
Art. 5.2.3.1.8.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Normoverschrijding en storingen
Art. 5.2.3.1.9.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Subafdeling 5.2.3.2. Verbrandingsinrichtingen voor gevaarlijke afvalstoffen
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.3.2.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.2.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

De uitbating
Art. 5.2.3.2.3.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.2.4.

Emissiegranswaarden in mg/Nm3

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.2.5.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.2.6.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Subafdeling 5.2.3.3. Verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen
De aanvaarding van de afvalstoffen
Art. 5.2.3.3.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.1bis.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

De uitbating
Art. 5.2.3.3.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.3.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.4.

emissiegrenswaarden in mg/Nm3 in functie van de nominale capaciteit van<br>de verbrandingsinrichting

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.5.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.6.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.3.7.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Subafdeling 5.2.3.4. Verbrandingsinrichtingen voor houtafval
De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.3.4.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.4.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

De uitbating
Art. 5.2.3.4.3.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.4.4.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.4.5.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Subafdeling 5.2.3.5. Verbrandingsinrichtingen voor als brandstof te gebruiken afgewerkte olie
Art. 5.2.3.5.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

De aanvaarding van afvalstoffen
Art. 5.2.3.5.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

De uitbating
Art. 5.2.3.5.3.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.5.4.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.5.5.

emissiegrenswaarden in mg/Nm3 in functie van het thermisch vermogen van<br>de verbrandingsinrichting gebaseerd op de onderste verbrandingswaarde

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.5.6.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.5.7.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Subafdeling 5.2.3.6. Verbrandingsinrichtingen voor risicohoudend medisch afval en voor vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval
Art. 5.2.3.6.1.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

Art. 5.2.3.6.2.

[... (opgeh. BVR 1 juni 1995, art. 5.2.3bis.1.37, I: 28 december 2005)]

[Afdeling 5.2.3bis Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen]
[Subafdeling 5.2.3bis.1 Algemeen geldende voorwaarden voor verbrandings en meeverbrandingsinstallaties]
Art. 5.2.3bis.1.1.

Deze subafdeling is van toepas­sing op inrichtingen ingedeeld volgens volgende rubrieken:
1° 2.3.4.1.b,c,e,f,g,h,j,k,l,m;
2° 2.3.4.2.b,c,d,e,f,g;
3° 2.3.5. (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 17, I: 13 februari 2004)]

Art. 5.2.3bis.1.1bis.

§ 1. Voor de toepassing van deze subafdeling omvatten afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties tevens alle verbrandingsstraten of meeverbrandingsstraten en de voorzieningen voor ontvangst, opslag en voorbehandeling ter plaatse van het afval, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, stoomketels, de voorzieningen voor het behandelen van afgassen, de voorzieningen voor de behandeling of opslag ter plaatse van residuen en afvalwater, de schoorstenen, alsook de apparatuur en de systemen voor de regeling van het verbrandings- of meeverbrandingsproces en voor de registratie en monitoring van de verbrandings- of meeverbrandingsomstandigheden.

Als voor de thermische behandeling van afval gebruik wordt gemaakt van andere processen dan oxidatie, zoals pyrolyse, vergassing en plasmaproces, omvat de afvalverbrandingsinstallatie of de afvalmeeverbrandingsinstallatie zowel het proces voor thermische behandeling als het daaropvolgende verbrandingsproces.

§ 2. Deze subafdeling is niet van toepassing op vergassings- en pyrolyse-installaties, voor zover de gassen die het resultaat zijn van de thermische behandeling van afvalstoffen dermate worden gezuiverd dat ze vóór de verbranding ervan qua aard en samenstelling steeds vergelijkbaar zijn met aardgas.

§ 3. Als meeverbranding van afval op een zodanige manier plaatsvindt dat de installatie niet in hoofdzaak voor de opwekking van energie of de fabricage van materiële producten bestemd is, maar voor de thermische behandeling van afval, wordt de installatie beschouwd als een afvalverbrandingsinstallatie.

Art. 5.2.3bis.1.2.

De exploitant van de verbran­dings- of meeverbrandingsinstallatie treft in samen­hang met de aflevering en inontvangstneming van de afvalstof­fen alle nodige voorzorgsmaatregelen om schadelijke gevol­gen voor het milieu, in het bijzonder de veront­reiniging van lucht, bodem, oppervlaktewa­ter en grondwater alsook andere negatieve milieueffecten, geuroverlast en geluids­hinder, en directe risi­co's voor de menselijke gezond­heid te voorkomen of, zover als haalbaar is, te beper­ken.

Art. 5.2.3bis.1.3.

§ 1. In een verbrandings- of meever­brandingsinstallatievoor afvalstoffenkunnen enkel die afvalstoffenworden verbrand of meever­brand die uit­drukkelijk vermeld zijn in de milieuver­gunning.

§ 2. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffenmogen worden verbrand of meever­brand, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffendie in de vergunningsaanvraag zijn vermeld.

§ 3. De vergunning is beperkt tot de gegevens die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld indien in de mi­lieuver­gunning van een verbrandingsinstallatie of een meeverbrandingsinstallatie voor gevaarlijke afvalstoffen geen gegevens zijn vermeld over:
1° de minimale en de maximale toevoer van de afval­stoffen;
2° de laagste en de hoogste calorische waarde van de afvalstoffen;
3° de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen (PCB's, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware meta­len) in de afvalstoffen.

Art. 5.2.3bis.1.4.

§ 1. Vooraleer afvalstoffen bij de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in ont­vangst worden geno­men, volgt de exploitantvan de installatie ten minste de volgende inontvangstne­mings­procedures:
1° controle van de vereiste documenten;
2° controle van de conformiteit van de aangevoerde afvalstoffenmet de schriftelijke gegevens. Indien rele­vant worden de afval­stoffendaartoe op een representa­tieve wijze bemonsterd en geanalyseerd, waarbij de te analyseren parameters zo worden bepaald dat een slui­tende conformiteitscontrole is verzekerd. De daar­toe geno­men monsters worden tot ten minste één maand na de verbranding bewaard.

§ 2. Vooraleer gevaarlijke afvalstoffen bij de ver­bran­dings- of meeverbrandingsinstallatie kunnen worden aanvaard, moet de exploitant daarenboven over een beschrijving van de afvalstoffen­beschikken waarin de volgende gegevens zijn vermeld:
1° de oorsprong en de herkomst van de afvalstof;
2° de fysische en chemische samenstelling van de afval­stoffen, alsmede alle benodigde gegevens voor de be­oordeling van de ge­schiktheid van die stoffen voor het bedoelde verbrandingsproces, gebaseerd onder meer op analyse van de afvalstoffen;
3° de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee ze niet mogen worden gemengd en de bij de behandeling van de afvalstof te treffen voor­zorgsmaatregelen.

De aanvaarding gebeurt op basis van documenten die de voormelde gegevens bevatten. (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 17, I: 13 februari 2004)]

Art. 5.2.3bis.1.5.

De exploitant stelt de massa van elke afvalcategorie per vracht vast, en indien moge­lijk de categorie over­eenkomstig de afvalstoffenlijst, vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen voordat het afval bij de verbrandings- of meeverbran­dingsin­stallatie in ontvangst wordt geno­men.

Art. 5.2.3bis.1.6.

In de milieuvergunning kunnen af­wijkingen van artikel 5.2.3bis.1.4 en artikel 5.2.3bis.1.5 worden toege­staan voor industriële installaties en onderne­mingen die uitsluitend de door henzelf gepro­duceerde afvalstoffen verbranden of meeverbranden op de plaats waar ze werden geproduceerd, op voorwaarde dat wordt vol­daan aan de voorschriften van deze afdeling.

Art. 5.2.3bis.1.7.

De locaties van verbrandings- en meeverbrandings-installaties, met de bijbehorende ter­reinen voor de opslag van afval, worden zodanig ont­worpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in bodem, oppervlaktewater en grondwater wordt voor­komen. (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 17, I: 13 februari 2004)]

Art. 5.2.3bis.1.8.

§ 1. Tenzij anders bepaald in de mi­lieuvergunning worden de afvalstoffenniet buiten de daartoe bestemde overdek­te opslagruimte op­geslagen. De opslagruimte is dermate beveiligd dat ongevallen tijdens het afladen van de afvalstoffen ­wor­den verme­den.

§ 2. Voor verbrandingsinstallaties waar afval in bulk wordt opgeslagen, is de grootte van de opslagruimte berekend op een hoe­veelheid afvalstoffen die over­een­komt met ten minste achtenveertig bedrijfsuren van de installatie, om continu bedrijf te garanderen. Om stank­ontwikke­ling en andere hinder te voorko­men worden te lange opslagtijden van het geheel of van een gedeelte van de afvalstoffenin de opslagruim­te evenwel verme­den. Er wordt rekening gehouden met de bedrijfsvoe­ring en de stilstanden voor herstel­ling en onderhoud.

De opslagruimte wordt in onderdruk gehouden ten opzichte van de omgeving. Hiertoe wordt de verbran­dingslucht aangezogen uit de opslagruimte. Een goe­de verluchting van deze ruimte wordt verzekerd.

De wanden van de opslagruimte zijn zodanig uitge­voerd dat de afzetting van stof en afval voorkomen wordt. De opslagruimte is bovendien zo gebouwd dat ze volledig mechanisch kan geledigd worden. Ze is uitgerust met een afvoermogelijkheid voor water.

§ 3. Voor verbrandingsinstallaties van huishoudelijke afvalstoffenis het aantal stortopeningen voldoende om ook gedurende de piekuren de aanvoer van afvalstof­fenmogelijk te maken. Enkel de poorten, nood­zake­lijk voor de aanvoer van afvalstoffen, mogen geopend zijn.

§ 4. Gevaarlijke afvalstoffenmoeten in afwachting van verbranding worden opgeslagen overeenkomstig subaf­deling 5.2.2.5.

Art. 5.2.3bis.1.9.

§ 1. De verbrandings- of meever­bran­dingsinstallatiewordt zodanig ontworpen, uitge­rust, gebouwd en geëxploiteerd dat de afvalstoffen steeds zo gelijkmatig en volledig mogelijk worden verbrand en de emissiemi­nimaal is. Indien nodig worden de afvalstof­fen voorbehandeld en in geval van heterogene afval­stoffen worden ze zo goed mo­gelijk gemengd en ho­mogeen gemaakt.

§ 2. Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning is voor verbrandings-installaties een continue uitbating ver­plicht, met uitzondering van de periodes voor na­zicht of onder­houd en periodes van stilstand. De voe­ding van de oven gebeurt in de meest veilige omstan­digheden. De vulopening wordt luchtdicht afge­sloten als de oven niet gevuld wordt. De onderdruk in de oven is zodanig dat het ontsnappen van afgassen via de vulopening niet kan optreden, ook niet tijdens de vuloperaties. Het toevoermechanisme naar de installatie is zo opgevat dat een regelmatige voeding wordt ge­waarborgd.

Art. 5.2.3bis.1.10.

Risicohoudend medisch afval wordt in de voorgeschreven recipiënten rechtstreeks in de oven gebracht, dat wil zeggen zonder dat het eerst met afvalstoffen van andere categorieën wordt vermengd.

Art. 5.2.3bis.1.11.

§ 1. De verbrandingsinstallaties worden zo geëxploiteerd dat een verbrandingsniveau wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organi­sche koolstof (TOC) afkomstig van de ontbinding van or­ganische stoffen in de ontijzerde slakken en de ontij­zerde bodemas minder bedraagt dan 3 % of waarbij het gloeiverlies ten gevol­ge van de ontbin­ding van organi­sche stoffen in de ontijzerde slakken en bodemas min­der bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, con­form het compendium voor monsterne­ming en analyse, zoals goedgekeurd bij minis­terieel besluit.

§ 2. De verbrandingsinstallaties worden zodanig ont­worpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest on­gunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas na de laatste toevoer van verbran­dingslucht op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C, geme­ten gedu­rende twee seconden dichtbij de binnen­wand of op een door de toezichthoudende overheid toege­staan ander represen­tatief punt van de verbrandings­kamer.

Indien gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt ver­brand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden ver­hit.

§ 3. Elke verbrandingslijn van de verbrandingsinstal­latie wordt uitgerust met tenminste één brander die auto­ma­tisch wordt ingeschakeld wanneer de tempera­tuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van ver­brandingslucht daalt tot onder de temperatuur, ge­noemd in paragraaf 2. De branders moeten ook worden ge­bruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de genoemde minimum­tem­peratuur gehandhaafd blijft, zolang zich onver­brande afvalstof­fenin de verbrandingskamer bevin­den. Tijdens het starten en stilleggen of wanneer de tem­peratuur van het verbrandingsgas daalt tot bene­den de temperatuur, genoemd in paragraaf 2, mogen naar de branders geen brand­stoffen worden toegevoerd die hogere emissieskunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van vloeibaar gas, van aardgas of van gasolie, zoals om­schreven in het koninklijk besluit van 3 oktober 2002 tot vervanging van het koninklijk besluit van 7 maart 2001 betreffende de benaming, de kenmerken en het zwavelgehalte van de gasolie voor verwarming.

§ 4. Meeverbrandingsinstallaties worden zodanig ont­worpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat zelfs in de meest ongun­stige omstandigheden, het door de meeverbranding van afval ontstane gas ge­durende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C. Indien gevaar­lijk afval met een gehalte van meer dan 1 % gehalo­geneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meever­brand, moet de temperatuur worden opgevoerd zodanig dat de ontstane gassen gedurende ten minste twee seconden bij 1 100 °C worden verhit.

§ 5. De verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie­wordt uitgerust met en maakt gebruik van een auto­ma­tisch systeem waarmee de toevoer van afvalstof­fen­wordt belet:
1° bij het starten,totdat de vereiste verbrandingstem­pe­ratuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1100 °C is bereikt;
2° wanneer de vereiste verbrandingstemperatuur van 850 °C of, naargelang van het geval, 1 100 °C niet behouden blijft;
3° wanneer de continumetingen uitwijzen dat een emis­siegrenswaarde wordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstalla­ties.

§ 6. In de milieuvergunning kan van paragraaf 1 tot en met paragraaf 4, en wat de temperatuur betreft van paragraaf 5, worden af­geweken voor bepaalde thermische processen of bepaal­de categorieën afval op voorwaarde dat in de verbran­dings- of meeverbrandingsoven of in de in­stal­latie voor de behandeling van de verbrandingsgas­sen adequate tech­nieken worden toegepast. Bij toe­passing van deze technieken moeten de emissie­ni­veaus van dioxinen en furanen overeen­komen met of lager zijn dan de niveaus die onder de voorwaarden van paragraaf 2 of paragraaf 4 worden be­reikt, moet ten minste aan al de emis­siegrenswaarden zijn voldaan en mogen niet meer residuen of residuen met een hoger gehalte aan ver­ontreinigende stoffen worden geproduceerd dan te verwachten is onder de voorwaarden, ge­noemd in paragraaf 1 tot en met paragraaf 4.

Art. 5.2.3bis.1.12.

De warmte die door het verbran­dings- of meeverbrandingsproces wordt opgewekt, wordt volgens de beste beschikbare technieken zo veel mogelijk nuttig gebruikt. (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 17, I: 13 feruari 2004)]

Art. 5.2.3bis.1.13.

§ 1. De verbrandings- of mee­ver­brandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitge­rust, gebouwd en geëxploiteerd dat de emissiesin de lucht die zouden leiden tot luchtveront­reiniging van betekenis aan de grond, worden voorkomen.

§ 2. De afgassen worden op gecontroleerde wijze door een schoorsteen geloosd.

§ 3. De schoorsteenhoogte wordt zodanig berekend dat de menselijke gezondheid en het leefmilieu voor gevaar worden behoed. De exploitantberekent de schoorsteen­hoogte volgens de algemene schoorsteen­hoogtebereke­nings-methode vermeld in bijlage 4.4.1 of volgens een gelijkwaardig systeem. De minimale of maximale schoorsteenhoogte kan worden bepaald in de milieuver­gunning.

§ 4. De schoorsteen en de afvoerkanalen worden uitge­rust met meetopeningen en een meetplatform overeen­komstig de norm NBN T95-001 of een equi­valente norm. De meetopeningen hebben een diame­ter van tenminste 12 cm.

§ 5. De exploitant treft de nodige schikkingen om het werkelijke debiet van de rookgassen, geloosd door de schoorsteen, te regis­treren. Het werkelijke debiet van de afgassen is het debiet zonder de even­tuele ver­dun­ningslucht.

§ 6. De berekening van de schoorsteenhoogte en de debietgegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende amb­tenaar.

Art. 5.2.3bis.1.14.

§ 1. In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn voor verbrandingsinstallaties voor afvalstoffen de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, van toepassing op de geloosde afgassen.

De emissiegrenswaarden worden uitgedrukt in mg/Nm3 en hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, een referentiezuurstofgehalte van 11 %, droog gas.

Voor de verbranding van afgewerkte olie geldt : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, een referentiezuurstofgehalte van 3 %, droog gas.

Alle meetresultaten worden steeds herrekend tot de omstandigheden, vermeld in het tweede en derde lid.

§ 2. Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de milieuvergunning vast­ge­steld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandig­heden van het individuele geval weerspiegelt.

§ 3. De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstof­gehalte dat gemeten wordt tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte. In afwijking hiervan gebeurt voor de bestaande rooster­ovens de omrekening altijd naar 11%, ongeacht het gemeten zuurstofgehalte.

Art. 5.2.3bis.1.15.

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

Elke verbrandingsinstallatie voor afvalstoffen moet, als ze in bedrijf is, aan volgende voorwaar­den voldoen:
1° volgende emissiegrenswaarden gelden voor CO:
a) een daggemiddelde van 50 mg/Nm3 verbran­dings­gas;
b) 150 mg/Nm3 verbrandingsgas voor de bepalin­gen van tien minuten-gemiddelden, of 100 mg/Nm3 voor de bepa­lingen van halfuurgemiddel­den.
In de milieuvergunning kan van die emissiegrens­waar­den worden afgeweken voor verbrandingsinstal­laties die de wervelbedtechno­logie gebruiken, mits in de vergun­ning een emissiegrenswaarde voor kool­monoxide (CO) bepaald is die een uurgemiddelde van 100 mg/Nm3 niet overtreft;
2° de volgende emissiegrenswaarden gelden :

Emissiegrenswaarden in mg/Nm3
Halfuurgemiddelden Dag-
gemiddelden
Verontreinigende stof A (100 %) B (97 %) 100 %
1. totaal stof 30 10 10
2. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 20 10 10
3. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 60 10 10
4. gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 4 2 1
5. zwaveldioxide 200 50 50
6. stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2    
a) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6 ton/uur of minder - - 400
b) voor bestaande verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur en voor nieuwe verbrandingsinstallaties van 6 ton/uur of minder 400 200 200
c) voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur (*) 400 200 150

(*) Voor nieuwe verbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6 ton/uur geldt tevens een emissiegrenswaarde voor NOx van 125 mg/Nm3 als jaargemiddelde. Als voor een nieuwe verbrandingsinstallatie een milieuvergunning vóór 28 december 2002 is verleend, gelden de emissiegrenswaarden voor NOx die bepaald werden in de milieuvergunning, waarbij het daggemiddelde niet meer dan 200 mg/Nm3 mag bedragen.

3° volgende emissiegrenswaarden gelden als gemid­del­den berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal 8 uur:

emissiegrenswaarden in mg/Nm3

zware metalen (*)

100 %

de som van:

- cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als cadmium (Cd)

0,05

- thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als thallium (Tl)

 

kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg)

0,05

de som van:

antimoonverbindingen, uitgedrukt als antimoon (Sb),

- arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als arseen (As)

- lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)

- chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr)

- kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co)

- koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu)

- mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als mangaan (Mn)

- nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni)

- vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als vanadium (V)

- tin en tinverbindingen, uitgedrukt als tin (Sn)

0,5

(*) deze gemiddelden omvatten zowel de stofvormige als de gas- en dampvormige emissies van de zware metalen in kwestie en de verbindingen daarvan;


4° volgende emissiegrenswaarde voor dioxinen en furanen geldt:
emissiegrenswaarde in ng TEQ/Nm3
dioxinen en furanen 0,1
De gemiddelden worden bepaald over een bemon­ste­ringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip 'toxische equivalentie'.
Voor de continue bemonstering van dioxinen en fura­nen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Art. 5.2.3bis.1.16.

§ 1. In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden, vermeld in hoofdstuk 4.4, zijn voor meeverbrandingsinstallaties voor afvalstoffen de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.17 tot en met 5.2.3bis1.22, van toepassing op de geloosde afgassen.

De emissiegrenswaarden worden uitgedrukt in mg/Nm3 en hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, referentiezuurstofgehalte zoals vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met artikel 5.2.3bis.1.22, droog gas.

Alle meetresultaten worden herrekend tot de omstandigheden, vermeld in het tweede lid.

§ 2. Als de afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een in de milieuvergunning vast­ge­steld referentiezuurstofgehalte dat de bijzondere omstandig­heden van het individuele geval weerspiegelt.

§ 3. De omrekening voor de in paragraaf 1 en paragraaf 2 vermelde referentiezuurstofgehaltes gebeurt enkel en alleen indien het zuurstof­gehalte, dat wordt gemeten tijdens dezelfde periode als de verontreinigende stof in kwestie, hoger is dan het referentiezuurstofgehalte droog gas, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.

Art. 5.2.3bis.1.17.

§ 1. Als in een meeverbran­dings­in­stallatie onbehandeld gemengd stedelijk afval of ermee vergelijkbaar bedrijfsafval wordt ver­brand, zijn de emissiegrenswaarden die gelden voor verbrandingsin­stallaties, van toepassing.

§ 2. Als in een meeverbrandingsinstallatie meer dan 40 % van de vrijkomende warmte afkomstig is van gevaar­lijke afvalstoffen, zijn de emissiegrenswaarden die gel­den voor verbrandingsin­stallaties van toepas­sing.

Art. 5.2.3bis.1.18.

§ 1. Als artikel 5.2.3bis.1.17 niet van toepassing is voldoet elke meeverbrandingsin­stalla­tie, die in bedrijf is, aan de emissiegrenswaar­den zoals omschreven in artikel 5.2.3bis.1.19 tot en met 5.2.3bis.1.22.

§ 2. De berekende emissiegrenswaarden worden van toepassing vanaf de eerste meeverbranding en blijven dan gelden, ook als geen afvalstoffen worden mee­ver­brand.

Art. 5.2.3bis.1.19.

Als een specifieke totale emissiegrenswaarde « Ctotaal » niet in een tabel van artikel 5.2.3bis.1.20, artikel 5.2.3bis.1.21 of artikel 5.2.3bis.1.22 is opgenomen, wordt de onderstaande formule (mengregel) toegepast.

De emissiegrenswaarde voor elke verontreinigende stof, vermeld in artikel 5.2.3bis.1.15, en voor koolstofmonoxide in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen, wordt als volgt berekend :
Vafvalstoffen x Cafvalstoffen + Vproces x Cproces/Vafvalstoffen + Vproces
waarin:
Vafvalstoffen: volume afgas ten gevolge van de ver­bran­ding van afvalstoffen(bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde) en naar­gelang het geval herleid tot de in artikel 5.2.3bis .1.16 vermelde omstandigheden.
Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van afvalstoffenminder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomen­de warmte, moet Vafval­stoffen wor­den berekend op basis van een (the­ore­tische) hoe­veel­heid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestel­de totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomen­de warmte zou opleve­ren;
Cafvalstoffen: emissiegrenswaardengeldend voor ver­bran­dingsinstallaties zoals vermeld in artikel 5.2.3bis .1.15;
Vproces: het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpende proces, met inbegrip van de verbran­ding van de toegestane normaal in de installa­tiegebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het referentiezuurstofgehalte waartoe de emissies­volgens de geldende regelgeving moeten worden her­leid. Ingeval er geen voorschriften voor de installatie bestaan, moet het werkelijke zuur­stofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden ge­bruikt;
Cproces: de emissiegrenswaarden die in artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 voor bepaalde indus­triële sectoren zijn vastgesteld of, indien een derge­lijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarden die volgens dit besluit voor deze installaties gelden, bij verbranding van de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen). Bij ont­breken van dergelijke bepalingen worden de in de milieuvergunning ver­melde emissie­grenswaarden ge­bruikt. Indien in de milieuvergunning geen grenswaar­den wor­den ver­meld, worden de werkelijke massacon­centraties ge­bruikt. Indien de emis­siegrenswaarden die in artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 worden ver­meld, soe­peler zijn dan de emissiegrens­waarden die volgens dit besluit voor deze industriële sectoren zijn vastge­steld, dan gelden voor Cproces de meest strenge emis­siegrens­waarden;
Ctotaal: de totale emissiegrenswaarde en het referentiezuurstof­gehalte die in de tabellen bij artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 voor bepaalde industriële sectoren zijn vast­gesteld, of, indien een dergelijke tabel of waarde ont­breekt, de totale emissiegrenswaarde die de in de tabel van artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 ge­noemde emis­siegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstof­gehalte voor de her­leiding vervangt, wordt berekend op basis van bo­venstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.

Art. 5.2.3bis.1.20.

verontreinigende stof

§ 1. Bijzondere voorschriften gelden voor cementovens waarin afvalstoffen worden meeverbrand.

De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de volgende omstandigheden : temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, referentiezuurstofgehalte 10 %, droog gas.

De volgende emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden :

Verontreinigende stof Ctotaal (mg/Nm3)
1. totaal stof 30
2. zwaveldioxide 50
3. gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof 10
4. gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10
5. gasvormige en anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 1
6. stikstofoxide(NOX), uitgedrukt als NO2(*) 500
   
   
7. de som van :
a) cadmium en cadmiumverbindingen, uitgedrukt als Cd en
b) thallium en thalliumverbindingen, uitgedrukt als Tl
0,05
8. kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg 0,05
9. de som van :
a) antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt als Sb
b) arseen en arseenverbindingen, uitgedrukt als As
c) lood en loodverbindingen, uitgedrukt als Pb
d) chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als Cr
e) kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als Co
f) koper en koperverbindingen, uitgedrukt als Cu
g) mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt als Mn
h) nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als Ni
i) vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt als V en
j) tin en tinverbindingen, uitgedrukt als Sn
0,5
Verontreinigende stof Ctotaal
(ng TEQ/Nm3)
10. dioxinen en furanen (**) 0,1

(*) Tot 1 januari 2016 kan in de milieuvergunning een afwijking verleend worden op de NOx-emissiegrenswaarde voor Lepol-ovens en lange draai-ovens, op voorwaarde dat in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is.

(**) De gemiddelden worden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip 'toxische equivalentie'.

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Halfuurgemiddelden zijn alleen nodig voor de berekening van de daggemiddelden.

§ 2. De emissiegrenswaarde voor CO wordt in de milieuvergunning vastgesteld.

Art. 5.2.3bis.1.21.

1° volgende proces emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden:

Art. 5.2.3bis.1.21. De volgende bijzondere voorschriften gelden voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand :
1° voor stookinstallaties waarin afvalstoffen worden meeverbrand, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, gelden de volgende proces-emissiegrenswaarden (Cproces) als daggemiddelden, waarbij het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie bepaald wordt aan de hand van de samentellingsregels, vastgesteld in artikel 5.43.2.1 en 5.43.3.1 en halfuurgemiddelden alleen nodig zijn voor de berekening van de daggemiddelden :
a) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is verleend vóór 7 januari 2013 of waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013, op voorwaarde dat ze uiterlijk op 7 januari 2014 in gebruik zijn genomen :
1) tot en met 31 december 2015 :
1.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :

Verontreinigende stof
(mg/Nm3)
< 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 300 300 200 200
NOX, uitgedrukt als NO2 400 400 200 200
stof 50 30 30 30
HCl 30 30 30 30

1.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300MWth
SO2 450 75 75 75
NOX, uitgedrukt als NO2 600/300* 300 300 200
stof 50 15 15 15
HCl 50 15 15 15

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.
1.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300MWth
SO2 150 150 150 150
NOX, uitgedrukt als NO2 300 300 200 200
stof 50 30 30 30
HCl 30 30 30 30

2) vanaf 1 januari 2016 :
2.1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 300 300 200 100
NOX, uitgedrukt als NO2 400 300 200 150
stof 50 30 20 10
HCl 30 30 30 30

2.2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 450 75 75 75
NOX, uitgedrukt als NO2 600/300* 300 250 150
stof 50 15 15 10
HCl 50 15 15 15

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 600 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.
2.3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 150 150 150 100
NOX, uitgedrukt als NO2 300 300 200 150
stof 50 30 20 10
HCl 30 30 30 30

b) installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen :
1) Cproces voor vaste fossiele brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 300 200 100 60
NOX, uitgedrukt als NO2 300 150 100 60
stof 50 10 10 6
HCl 30 30 30 30

2) Cproces voor vaste biomassa, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 450 75 75 60
NOX, uitgedrukt als NO2 450/300* 150 150 60
stof 50 10 10 6
HCl 50 15 15 15

(*) Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen tot en met 30 MW geldt voor stikstofoxiden (NOx), uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3. Voor installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 30 MW geldt een emissiegrensvoorwaarde van 300 mg/Nm3.
3) Cproces voor vloeibare brandstoffen, uitgedrukt in mg/Nm3 (bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3 %) :
Verontreinigende stof (mg/Nm3) < 50 MWth 50 tot 100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 150 150 100 60
NOX, uitgedrukt als NO2 300 150 100 60
stof 50 10 10 6
HCl 30 30 30 30

i. 2° Voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, waarin afvalstoffen worden meeverbrand, gelden de volgende totale emissiegrenswaarden (Ctotaal) Ctotaal voor zware metalen (mg/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :
Verontreinigende stof Ctotaal (mg/Nm3)
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05
Sb + As + Pb + Cr +Co + Cu + Mn + Ni + V + Sn 0,5

ii. Ctotaal voor dioxinen en furanen (ng TEQ/Nm3), uitgedrukt in gemiddelden die worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6 % voor vaste brandstoffen en 3 % voor vloeibare brandstoffen :
Verontreinigende stof Ctotaal (ng TEQ/Nm3)
Dioxinen en furanen 0,1

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde.

Art. 5.2.3bis.1.22.

1° volgende proces emissiegrenswaarden gelden als daggemiddelden: Bijzondere voorschriften gelden voor industriële sectoren die afvalstoffen meeverbran­den en niet onder artikel 5.2.3bis.1.20 of 1.21 val­len.

Ctotaal uitgedrukt in mg/Nm3. Alle gemiddelden be­re­kend over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur:

Verontreinigende stof

Ctotaal (mg/Nm3)

 

 

Cd + Tl

0,05

 

 

Hg

0,05

 

 

Ctotaal uitgedrukt in ng TEQ/Nm3. Alle gemiddelden worden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur:

Verontreinigende stof

Ctotaal (ng TEQ/Nm3)

 

 

Dioxinen en furanen

0,1

 

 

Voor de continue bemonstering van dioxinen en furanen geldt 0,1 ng TEQ/Nm3 als drempelwaarde. (ing. B.V.R. 12 december 2003, art. 17, I: 13 februari 2004)]

 

Art. 5.2.3bis.1.23.

verontreinigende stof § 1. Lozingen van afvalwater, af­kom­stig van de reiniging van afgassen, moeten voor­zover doenlijk worden beperkt.

§ 2. Onverminderd de in de vergunning opgelegde emis­siegrenswaarden voor het lozen van afvalwater­van de installatie, moet het afvalwater dat ontstaat bij de reiniging van de afgassen worden gezuiverd zodat aan de volgende emissiegrenswaarden wordt voldaan:

Verontreinigende stof Emissiegrenswaarden, uitgedrukt in massaconcentratie, voor ongefilterde monsters
1. Totale hoeveelheid zwevende stoffen 95 % 100 %
30 mg/l 45 mg/l
2. Kwik en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,03 mg/l
3. Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) 0,05 mg/l
4. Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl) 0,05 mg/l
5. Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As) 0,15 mg/l
6. Lood en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als lood (Pb) 0,2 mg/l
7. Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr) 0,5 mg/l
8. Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu) 0,5 mg/l
9. Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni) 0,5 mg/l
10. Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als zink (Zn) 1,5 mg/l
11. Dioxinen en furanen 0,3 ng TEQ/l

§ 3. Om de naleving van de in § 2 genoemde emis­sie­grenswaarden voor het afvalwater van afgasrei­niging te controleren, bepaalt de exploitant aan de hand van passende massabalansberekeningen over­eenkomstig artikel 5.2.3bis 1.30, § 2, hoe groot het aandeel is van de emis­sies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater, dat kan worden toegeschre­ven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen.

§ 4. Als het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen dat de in § 2 genoemde verontreini­gende stoffen bevat, buiten de verbrandings- of mee­verbran­dingsinstallatie wordt gezuiverd in een zui­veringsinstal­latie die uitsluitend voor de verwijde­ring van dit type afvalwater is bestemd, moeten de emis­siegrenswaarden van § 2 worden toegepast op het punt waar het afval­water de zuiveringsinstallatie verlaat. Indien die zuive­ringsinstallatie die zich op een andere plaats be­vindt niet uitsluitend is bestemd voor de zuivering van afval­water dat bij verbranding ontstaat, bepaalt de exploitant aan de hand van pas­sen­de massabalansberekeningen overeenkomstig arti­kel 5.2.3bis .1.30, § 2 hoe groot het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid af­valwater is dat kan worden toege­schreven aan het afvalwater afkomstig van de reiniging van afgassen, om zo de naleving van de in § 2 genoemde emissiegrenswaarden voor het afvalwater van afgasrei­niging te controleren.

§ 5. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welk debiet mag worden geloosd, is de vergunning beperkt tot het debiet dat in de vergunningsaanvraag is vermeld.

§ 6. In geen geval mag afvalwater worden verdund om aan de emissie-grenswaarden te voldoen.

Art. 5.2.3bis.1.24.

§ 1. Meetapparatuur wordt geÎnstalleerd en technieken worden gebruikt voor de bewaking van de parameters, de omstandigheden en de massaconcentraties die relevant zijn voor het verbrandings- of meeverbrandingsproces.

§ 2. Alle meet- en analyseresultaten worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid. Maandelijks bezorgt de exploitant het overzicht van de resultaten aan de toezichthoudende overheid. De resultaten van de discontinue metingen van dioxinen en furanen worden zo snel mogelijk en liefst binnen een maand na uitvoering van de metingen bezorgd. Alle resultaten worden op passende wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd zodat de toezichthoudende overheid kan nagaan of de vastgestelde voorwaarden en emissiegrenswaarden worden nageleefd.

§ 3. De kwaliteitsborging van de geautomatiseerde meetsystemen wordt uitgevoerd volgens de CEN-normen. De geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste jaarlijks met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden gecontroleerd en worden ten minste om de drie jaar gekalibreerd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL.

De procedures, methodes en vast opgestelde apparatuur voor monsterneming en metingen worden goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL. Die keuring gebeurt conform een code van goede praktijk en omvat ten minste een jaarlijkse beperkte keuring en een driejaarlijkse uitgebreide keuring met onder meer vergelijkende emissiemetingen overeenkomstig de referentiemethoden.

De keuring van de vast opgestelde meetapparatuurtoestellen voor de continue dioxinebemonstering van dioxinen en furanen gebeurt worden ten minste om de drie jaar gekeurd volgens een code van goede praktijk. Een kopie van de desbetreffende keuringsrapporten wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid.

De exploitant brengt de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, op de hoogte van de resultaten van de controle van de geautomatiseerde meetsystemen.

Art. 5.2.3bis.1.25.

§ 1. Metingen ter bepaling van de concentratie van in de lucht geloosde stoffen moeten represen­tatief zijn.

§ 2. De bemonstering en analyse van de verontreinigende stoffen in kwestie, met inbegrip van dioxinen en furanen, alsook de referentiemeetmethoden om de geautomatiseerde meetsystemen te ijken, worden uitgevoerd volgens de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2, of als er geen meetmethoden zijn vermeld, volgens de CEN-normen.

Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, nationale of andere internationale normen toegepast, die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt.

§ 3. De waarde van het 95 %-betrouwbaarheidsinter­val, bepaald bij de daggemiddelde-emissiegrenswaar­den, mag de volgende percentages van de emissie­grenswaarden­ niet overschrijden:

CO 10 %
totaal stof 30 %
totaal organische koolstof 30 %
HCl 40 %
HF 40 %
SO2 20 %
NOx 20 %

Art. 5.2.3bis.1.26.

§ 1. In de verbrandings- of mee­ver­brandingsinstallatie worden op initiatief en op kosten van de exploitant de volgende metingen ver­richt:
1° continumetingen van de volgende stoffen in de af­gassen: CO, stof, TOC, HCl, NOx, HF en SO2;
2° continumetingen van de volgende procesparame­ters: temperatuur dichtbij de binnenwand of op een door de toezichthouder toegestaan ander repre­sentatief punt van de verbrandingskamer, zuurstofcon­centratie, druk, debiet, temperatuur en waterdampgehal­te van het afgas.
De continumeting van het debiet kan vervangen wor­den door een berekening op basis van relevante para­meters volgens een door de toezichthoudende over­heid goedgekeurde methode;
3° ten minste twee metingen van zware metalen in de afgassen per jaar; gedurende de eerste werkings­peri­ode van twaalf maan­den moet evenwel ten minste om de drie maanden een meting worden ver­richt;
4° ten minste twee metingen van dioxinen en furanen in de afgassen per jaar; gedurende de eerste wer­kingsperi­ode van twaalf maanden moet evenwel ten minste om de twee maanden een meting worden ver­richt.

§ 2. In de verbrandings- of meeverbrandingsinstalla­tie worden op initiatief en op kosten van de exploi­tant bijkomend de dioxinen en furanen op continue wijze bemonsterd met ten minste tweewekelijkse analy­ses.

Bij meeverbrandingsinstallaties moet die continue be­monstering worden uitgevoerd telkens als er afval­stof­fen worden meever­brand.

Bij verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties kan de analysefrequentie van de monsters worden vermin­derd volgens het schema, vermeld in bijlage 5.2.3bis.1.

Behalve voor verbrandingsinstallaties voor huishoudelijke afvalstoffen kan de vergunningverlenende overheid op vraag van de exploitant en op basis van een evaluatieverslag van de toezichthoudende overheid, toestaan dat er geen continue bemonstering van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd en/of de analysefrequentie wordt verminderd.

§ 3. De meetcampagnes die zes keer per jaar of min­der worden uitgevoerd, worden gelijkmatig ge­spreid over de werkingsperioder tijdens het jaar. De toe­zichthoudende overheid moet vooraf op de hoogte worden gebracht van de uitvoerder en de data van de discontinue metin­gen van dioxinen en furanen.

§ 4. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden op passen­de wijze gecontroleerd, en wel ten minste één keer als de verbrandings- of meeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld en één keer onder de slechtst denkbare be­drijfsomstandigheden.

§ 5. Continumeting van HF mag achterwege blijven indien voor HCl behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de emissiegrenswaarde voor HCl niet wordt overschreden. In dit dat geval worden de emissies van HF ten minste tweemaal per jaar geme­ten. Gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maan­den moet evenwel ten minste om de drie maan­den een meting worden verricht.

§ 6. Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig indien de als monster gebruikte afgassen wor­den gedroogd vooral­eer de emissies worden gea­naly­seerd.

§ 7. In de milieuvergunning kan worden toegestaan dat in verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties in plaats van continumetin­gen van HCl, HF en SO2 periodieke metingen worden verricht met een fre­quen­tie van ten minste twee metingen per jaar en geduren­de de eerste wer­kingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is enkel toegestaan indien de ex­ploitant in de milieuver­gunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoor­waarden kan aan­tonen dat de emis­sies van de ge­noemde verontreinigen­de stoffen in geen geval hoger kunnen zijn dan de vastgestelde emissiegrenswaarden.

§ 8. In de milieuvergunning kan worden toegestaan dat de frequentie van de periodieke metingen voor zware metalen van tweemaal per jaar verlaagd wordt naar eenmaal per twee jaar en voor dioxinen en fu­ranen van twee­maal per jaar naar eenmaal per jaar, op voorwaarde dat de emis­sies als gevolg van ver­branding of meever­branding minder dan 50 % be­dragen van de overeen­komstig artikel 5.2.3bis.1.15 en artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 vastgestelde emissiegrenswaarden, en dat tenminste voldaan wordt aan:
1° het te verbranden of mee te verbranden afval bestaat uitsluitend uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties van ongevaarlijk afval die niet recycleerbaar zijn en aan bepaalde kenmerken voldoen, en die nader omschreven worden in de milieuvergunnings­aanvraag;
2° de exploitant kan aan de vergunningverlenende over­heid kan bewijzen dat de emissies onder alle omstandig­heden opmerkelijk lager liggen dan de emissiegrens­waarden van artikel 5.2.3bis.1.15 (voor verbrandingsin­stallaties) en artikel artikel 5.2.3bis.1.20 tot en met 5.2.3bis.1.22 (voor mee-verbrandingsinstallaties) voor dioxinen en furanen en voor zware metalen. Dat wordt beoordeeld aan de hand van infor­matie over de kwaliteit van de afvalstof in kwestie en metingen van de emissies van de genoem­de stoffen.

§ 9. In de milieuvergunning kan worden toegestaan dat in bestaande verbrandings- of meeverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton per uur in plaats van continumetingen van NOX periodieke metingen worden verricht met een frequentie van ten minste twee metingen per jaar en gedurende de eerste werkingsperiode van twaalf maanden ten minste om de drie maanden. Dat is alleen toegestaan indien de exploitant in de milieuvergunningsaanvraag of in de vraag tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden aan de hand van informatie betreffende de kwaliteit van het betrokken afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de emissiemonitoring kan aantonen dat de uitstoot van NOX in geen geval de vastgestelde emissiegrenswaarden kan overschrijden.

Art. 5.2.3bis.1.27.

§ 1. De halfuurgemiddelden en de tienmi